WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l’air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord ‘defunctus’ herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer – met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel ‘Er is geen vrouw die deugt’** voorzien. In het essay ‘Over het lijden van de wereld’ trof ik dit aan: “Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood.”

Ik besefte dat Beckett’s ‘Proust’ grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij ‘onvrijwillig geheugen’ noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.
**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto’s: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: “Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos” (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen).

NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:
“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen.

DENK JE NOG AAN MIJ, LIEVELING?

Marcel Proust is zo’n verrukkelijke schrijver dat hij mij zin geeft om hem heel vaak te citeren, wat ik nochtans probeer te vermijden. Want wat voor zin heeft het te herhalen wat al in een boek staat? Wellicht doe je daar jezelf een plezier mee, het plezier van het lezen en het citeren, maar of je lezers er iets aan hebben is nog maar de vraag. Je rukt een passage los uit haar context, uit de in dit geval lange stroom van het ‘verhaal’, hoewel Proust niet echt een verhaal vertelt, en plaatst ze in een andere context, zonder het oorspronkelijke ‘ervoor’ en ‘erna’. Misschien wil je je eigen stroom met die mooie citaten verfraaien, haar oevers verstevigen, ze beter bevaarbaar maken, er meer diepte aan geven, zodat ze voor de zwemmer even gevaarlijk wordt als de Schelde of de Mississippi?
Want telkens weer zie je in dat je eigen verhaal niet altijd veel om het lijf heeft, het doet je veeleer denken aan de hoeren aan het Noordstation, waar je met de trein naar Antwerpen zo vaak voorbijrijdt: je vangt een flits op van hun zachte huid, maar altijd van ver, nooit kom je in hun nabijheid, nooit raak je hun huid aan. De ‘treinreiziger’ die station Hoochiekoochie passeert zal soms ook een flits schoonheid opvangen, maar dan stuit hij al gauw op een banale uitspraak, of een slecht geformuleerde zin – want er is altijd haast mee gemoeid, alsof de duivel de schrijver op de hielen zit – of hij gaat voorbij aan een schitterend gedicht zonder dat hij de tijd heeft kunnen nemen om het te lezen.

Toch kan ik het ook deze keer niet laten Proust aan te halen, enkele zinnen uit ‘Sodom en Gomorra’:
“Maar, zoals wij ook van het richtinggevoel zijn verstoken, waarmee bepaalde vogels zijn toegerust, zo missen wij het gevoel voor zichtbaarheid, zoals wij dat voor afstanden missen, in de waan levend dat wij van nabij belangstellend gevolgd worden door de mensen die juist nooit aan ons denken, en niet bevroedend dat wij onderwijl het voorwerp zijn van andermans grootste zorg.”

 

LEZEN EN LATEN LEZEN

proust manuscript

De voorbije dagen las ik ter vermaak Georges Simenon. Dat is een beetje door Geerten Meijsing gekomen, die in de dubbelroman – het eerste deel is van zijn zus Doeschka – ‘Moord en Doodslag’ de Belgische veelschrijver zo ophemelt. Geerten Meijsing heeft me echt zin gegeven in Simenon, zoals hij me vroeger in de richting van Mario Praz en George Gissing heeft gestuurd. Moet ik me daar schuldig over voelen? Over dat aangename tijdverdrijf? Jullie zullen waarschijnlijk zeggen: maar nee, waarom zou je wel. Ik weet het echter niet.

Er was een tijd dat ik me alleen bij Marcel Proust thuis voelde, bij wijze van spreken. Hij was me zo vertrouwd. Het was alsof zijn verteller me rechtstreek toesprak (en soms in het oor fluisterde).
Soms, als ik zelf niet meer tot lezen in staat was, las Laura voor. Ik heb het nu over lange tijd geleden, toen er nog koude winters bestonden. Inmiddels zijn er praktisch bezwaren ons leven binnengeslopen. Dat voorlezen deed zij alleen ’s nachts; overdag was lezen en me laten voorlezen uitgesloten. Van de ochtend tot het vallen van de avond ging ik in vrijwillige ballingschap uit het leugenachtige ‘rijk van de literatuur’. Zodra de avond viel werd ik weker en liet ik mij haar leugens welgevallen. Overdag las ik ook wel, maar die lectuur stond ten dienste van mijn eigen werk. Ik deed opzoekingen, verzamelde documentatiemateriaal, maakte aantekeningen, en dergelijke meer.

Met dat materiaal deed ik uiteindelijk niet zoveel. Als ik er nu over nadenk, na al die jaren, over dat ‘werk’, dan kan ik dat niet anders beschouwen dan een andere vorm van aangenaam de tijd verdrijven. En is dat niet het beste wat wij kunnen doen, de tijd die de grootste dief is, zo veel mogelijk verdrijven?

Afbeelding: manuscript van Marcel Proust.