EEN MAGERE DROMER (INTERLUDIUM)

SPEELPLEINC

De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Voor ik aan het vierde deel begin, over dichters en in het bijzonder over de dichter Lucebert, wil ik eerst enkele mogelijke misverstanden over het schoolse leren uit de weg ruimen, in het bijzonder over hoe ik dat ervaren heb. Of beter: hoe ik mij herinner dat ik het ervaren heb, want de werkelijkheid zelf is voor goed weg, tenzij in documenten en die zijn in mijn geval eerder schaars.

Het is niet helemaal waar dat ik op de middelbare school niets leerde. Ik ervoer het leven in een internaat als een vorm van gevangenschap. Naarmate het besef daarvan toenam ging ik me er meer en meer tegen verzetten. Het was echter een rebellie die zich, zeker aanvankelijk, vooral tot mijn hoofd beperkte. Ik werd een mijmeraar, een dagdromer, een wat vreemde jongen. Maar ook weer niet zo vreemd dat ik geen vrienden had. In deze context wil ik het evenwel niet over die vriendschappen hebben, behalve dit, dat je ook van vrienden veel kan leren. Zij maken deel uit van wat ik de geestelijke genealogie van een mens noem.
Omdat ik mager was had ik ook wel wat vijanden. Kennelijk hielden in die tijd de meeste jongens, misschien omdat ze te dik waren, niet van mager vlees. Dat ik ‘knookske’ werd genoemd volstond om me nog meer op mezelf terug te plooien. Zo kwam het dat ik in de klas vaak niet aanwezig was: ik zat er wel, maar mijn gedachten waren ergens anders. Van de leraar wiskunde moest ik het in bijna elke les horen: Martin is weer aan het dromen. Wat maakte dat ik me nog meer in mezelf terugtrok en er voor wiskunde, waar ik aanvankelijk zeer ingenomen mee was, geen interesse meer overbleef. Hetzelfde gebeurde met de vakken fysica, scheikunde en biologie. Ik onderging ze als vormen van dwang, als een reeks abstracte formules die me niets bijbrachten over hoe ik moest leven. Alleen in de lessen Nederlands en Engels was ik helemaal mee, ja, was ik zelfs de beste van de klas. In wat mindere mate was ik ook aandachtig bij Frans en Duits (jammer dat dat een keuzevak was) en bij wat toen zedenleer werd genoemd. Het is duidelijk dat ik een andere richting had moeten kiezen dan de Moderne en de Wetenschappelijke A, maar toen die beslissing werd genomen had ik geen flauw benul van wat de verschillen tussen de Moderne en Latijns-Griekse afdelingen waren. Wat er de voor- en nadelen van waren, wat er het nut en de zin van was. Over mijn studierichting werd zonder mijn inspraak beslist. Ik prees me al gelukkig dat ik mocht doorleren.

Mijn gevoelige snaren werden bijgevolg alleen maar op een positieve manier geraakt in de lessen Nederlands en Engels. Nederlands betekende voor mij in de eerste plaats zinsontleding. In de tweede plaats wekte het vak mijn belangstelling op voor poëzie, vooral die van Guido Gezelle en Hendrik Marsman.
Onze leraar Engels was geen inspirerende man maar mijn kennismaking met die taal betekende liefde op het eerste zicht. Wat was het een mooie, rijke, veelzijdige taal – en niet moeilijk om te leren (dacht ik toen). Engels werd mijn tweede taal, mogelijk wel mijn eerste. In notities uit die tijd vind ik talloze Engelse uitdrukkingen terug. Ik weet niet wat het was met Frans, maar ik was er bang voor. Ik durfde de welluidende woorden niet uit te spreken. Ik vond dat ik belachelijk klonk als ik Frans sprak. Nochtans kregen we veel poëzie te lezen, zelfs van Baudelaire. Terwijl de Nederlandse en Engelse poëzie echter een passie werd, bleef de Franse niet veel meer dan leerstof.

atheneum4 (2)

Afbeeldingen: op de speelplaats in het Koninklijk Atheneum Tongeren met een studiemeester; klasfoto van enkele klassen samen, omstreeks 1966 (ik herinner me alleen nog de namen van mijn toenmalige beste vrienden).

DE MAGERE JONGEN DIE GRAAG OP ZIJN HANDEN LIEP

MERKSEMToen ik op de middelbare school kwam, was ik zo mager dat ik heel goed op mijn handen kon lopen. Wat liep ik graag op mijn handen – en dan zo de wereld en de andere scholieren ondersteboven bekijken! Maar meestal liep ik niet op school op mijn handen. Ik deed dat liever ergens waar niemand mij zag.

Ik ben lange tijd mager gebleven, maar op mijn handen ben ik niet blijven lopen. Als ik nu nog zo jong en zo mager was zou ik veel succes hebben als fotomodel, of als filmster; meisjes zouden voor me in zwijm vallen, Kate Moss zou een verhouding met me beginnen. Maar niet zo in die dagen. Ik werd gepest omdat ik niet dik was. ‘Knookske’ noemden ze me. Dat was in het begin. Al gauw had ik enkele goede vrienden met wie ik naar singles van the Rolling Stones en Bob Dylan luisterde, en zij namen me in bescherming. Ik herinner me nog Gahr, met zijn boksijzer. Hem durfde niemand in de ogen kijken. Gahr was mijn beschermengel, een gevaarlijke kerel, afkomstig uit het verre Duitsland. Een jaar later noemden ze mij niet meer ‘Knookske’ maar ‘de dichter’, ze vielen me ook niet meer lastig: ze wisten niet wat ze met me aan moesten. Met die lange haren en die vreemde klederdracht, alsof ik uit een nog veel verder land dan Duitsland kwam. Geleidelijk aan nam ik jongere jongens in bescherming door ze laten mee te spelen in mijn toneelstukjes. Ik speelde er graag zelf in mee, om mij te laten bewonderen, als een sprookjesprins, als een broertje van Syd Barrett. Ik speelde er graag in mee, maar liep niet op mijn handen. Wat ik me afvraag is of mijn voeten de grond wel raakten.

Nu zit ik in mijn kamer en lees een boek van Joseph Roth, die zich heeft doodgedronken. ’s Avonds bekijk ik een film van Truffaut, L’homme qui aimait les femmes bijvoorbeeld, of voor de zoveelste keer Antonioni’s Cronaca di un amore met de mooie Lucia Bosé. Ik zit te wachten op telefoontjes en e-mail en geef me over aan zelfmedelijden. Overal heb ik vrienden maar ze kennen me niet en ik ken hen niet. Ik voel me zwak en er is niemand om me in bescherming te nemen. Om nu nog op mijn handen te gaan lopen ben ik niet voldoende mager meer.
Afbeelding: mijn broer en ik (links op de foto) in Merksem, in het huis van grootmoeder.