AANWEZIGE AFWEZIGHEID

Misschien valt het op, maar misschien ook niet: ik heb al een hele tijd niets meer geschreven voor hoochiekoochie. Eerlijk gezegd heb ik gewoonweg niets meer geschreven. En dat zal nog wel even duren. Ik ben flink verkouden en voel me zwak. Het is alsof ik al mijn energie nodig heb om gewoon aanwezig te zijn. Toch zijn er zeker een aantal dingen waarover ik zou willen schrijven. Over het bestand in Gaza, wat geen vrede betekent, maar voorlopig vallen er toch geen doden meer. Dat is al iets, een grote kleinigheid. En over de inauguratie van Barack Obama morgen. De hoop voor de toekomst, hoewel we misschien teveel van die man verwachten. De macht is veel te ingewikkeld en te corrupt om door een man hervormd te kunnen worden. Een revolutie moeten we zeker niet verwachten. Het is trouwens de vraag of een revolutie de wereld kan verbeteren. De mensen zijn zoals ze zijn. Ik bedoel: lees eens een tragedie van Shakespeare. Zo zijn de mensen, nog altijd. Het grote verschil met zijn tijd is de precisie waarmee alles gebeurt, de technologie en de zakelijkheid. Maar de strijd om de macht, de haat en het geweld zijn er altijd geweest. Het eerste gedeelte van ‘2001: A Space Odyssey’ laat daar, terecht, weinig twijfel over bestaan. Zouden een gedegen communicatie, artistieke ondernemingen en het voorbeeld van Orpheus ons enigszins voor nog groter onheil kunnen beschermen? Over zulke dingen wilde ik graag schrijven, maar het spijt me, ik moet er nog even het zwijgen toe doen.

DE LUIE PASTISDRINKER

Misschien en zelfs waarschijnlijk leest niet iedereen de commentaarstukjes, en dan ben ik nog optimistisch. Want hoe belachelijk is deze eerste zin, met het woord ‘iedereen’ erin. Natuurlijk leest niet iedereen die commentaarstukjes! Ik besef maar al te vaak dat slechts weinigen zelfs maar de ‘echte’ body lezen, de tekst zelf, waar vaak hard aan gewerkt is, in de vrije tijd of tijdens gestolen kwartiertjes, en even vaak plezier aan beleefd (dat laatste vooral met het oog op potentiële, mooie vrouwelijke lezers, met zeker nu in de zomerdagen dunne niemendalletjes aan).

Om de niet-lezers van commentaren toch een tweede kans te geven – maar ook omdat het warm is en ik dan graag een paar glazen pastis drink en daardoor niet veel zin heb om veel te verrichten – herneem ik hier een commentaar (van mezelf, welteverstaan) op het vorige stuk, getiteld perversies. Wat nu volgt is dan een soort perversie in het kwadraat. Of een versie tot de zoveelste macht. Ik schrijf ‘zoveelste’ niet alleen uit luiheid, maar ook omdat macht nooit deel heeft uitgemaakt van mijn wereldbeeld. Met de macht kun je maar best de spot drijven. Nietzsche had daar andere ideeën over, maar ik ben Nietzsche niet. Ik neem bijvoorbeeld geen zweep mee als ik naar de vrouwen ga. Bovendien ga ik niet naar de vrouwen. Mijn vrouw zou dat niet waarderen, denk ik. Overigens noem ik mijn vrouw nooit mijn vrouw, maar mijn levensgezellin. Of Laura. Soms ook Daphne. Ze is een mooie vrouw, die nu vermoedelijk in de armen van Morpheus ligt, mijn onmiskenbare rivaal. Maar terzake. Wat schreef ik naar aanleiding van ‘perversies’?

De kilte – woorden over het ‘coole’ bestaan in tijden van oververhitting – ontsnapt aan mijn ‘brein’ per/versies van niet alleen uitgekozen maar ook toevallige thema’s. Bouwstenen voor die op het eerste zicht chaotische woorden – perversies – zijn net zo goed alledaagse gebeurtenissen zoals het voetbal, de aankoop van boeken in de koopjesperiode (van de grondlegger Euripides, de hoerenloper Georges Simenon, de ‘mensenhater’ Thomas Bernhard, van Fernando Pessoa de liefdesbrieven), het lezen van een filosofisch werk van Peter Sloterdijk (Het kristalpaleis, over de ‘ontdekkingsreizen’ en de ‘verovering van de globe’, een boek mij geschonken ter gelegenheid van mijn zoveelste – nog een keer – verjaardag), het luisteren naar Coney Island Baby van Lou Reed, herinneringen aan een bezoek aan Coney Island in New York… Aan de wrede maand april had ik nog niet gedacht. Maar die maakt nu ook deel uit van de invoer. Het bloedgleufmes komt af en toe tevoorschijn in mijn teksten. Het heeft echt bestaan en misschien is dat nog steeds het geval. Het was een cadeau van een Deense zeeman aan mijn vader. Later werd het mijn bezit. Maar op een mooie zomerdag liet ik het onvrijwillig in een auto achter. Had ik iets kwaads in de zin gehad? Natuurlijk niet. De mensen die het onder de achterbank van hun auto hebben aangetroffen, zullen wel geschrokken zijn. Ik had het alleen maar bij om de moeder van mijn zoontje en mezelf in geval van nood te verdedigen. Het waren gevaarlijke dagen voor lifters. Geregeld werden vermoorde en verkrachte ‘hippies’ in het struikgewas teruggevonden. Dat schreven althans de kranten. Je kon maar beter je voorzorgen nemen. Nu weet ik wel beter. Ik bereid me nooit meer voor op onheil. We hebben dat niet in de hand. Je doet beter alsof je neus bloedt. Maar vandaar dat bloedgleufmes in die perversies. Of is het niet pervers dat brave mensen zullen geschrokken zijn van een wapen dat niet tegen hen gericht was, maar tegen boosaardige sujetten in mediaverhalen?

Over Bonnie Prince Billie en the Smiths zal ik het een ander keer moeten hebben. Ook aan verzen kom ik niet meer toe. Het wordt laat, de nacht is kort en morgen moet er hard worden gewerkt. Goodnight, sweet ladies and gentlemen.