THUISKOMST*

giotto_di_bondone_-_stygmatyzacja_sw__franciszka_1295-1300.jpg

Voor mijn verwanten.

Ik keer naar huis terug. De onweersvogel roept de dag wakker. Uit de Alpen komt hij gevlogen en van verder, van Azië misschien. De morgen was altijd een feest als ik aan thuis dacht. Waarom dan naar verre streken gereisd, op zoek naar mensen die me niet kenden?

Herinner je hoe het dorp aan de rivier ontwaakte. De Maas was heilig als er mist uit opsteeg en rondom het gekraai van de haan, de gehoorzame kippen en daarna ontwaken de volwassenen en kinderen met nog de doornen en vleugels van de slaap in hun hoofd. Maar nu begeven zij zich naar werkplaats en school. Een hele dag zwoegen en leren over de steden van de wereld en de stromen en wat er in de grond zit.

In de winter dikke lagen sneeuw die alles verstommen. Niemand durft nog te liegen in dat landschap. Waarom weet niemand. Want een God die allen begroet, ons vreugde geeft en genot, die geluk brengt in de steden en huizen en na de winter de aarde vruchtbaar maakt met zijn regen, die alles nieuw maakt en open, die treurigen verblijdt en het hart van wie ouder wordt teder beroert, die is er niet. Als zijn naam nog ergens wordt genoemd stelt die niets voor, niet meer dan een schim; het is een laatste wegstervende echo.

Maar jong en onschuldig sprak ik tot hem. Ik was een dichter en wat een dichter deed was spreken met engelen en met hem. Ik sprak tot hem en vroeg hem over het gevaar dat de mensen bedreigde, dat ons schuilkelders deed bouwen en voorraad opslaan voor vele donkere winters. Dat was vaak als ik wat uitrustte van het roeien in mijn bootje, op de Zuid-Willemsvaart. Het frisse water van de Kempen dat glinsterde in de zon. Of als ik op de oever zat tussen de stille vissers sprak ik tot hem over een onbekende kracht in mijn borst en tintelingen in mijn slapen. Ik vroeg hem wat er achter de bergen lag, voorbij het soms verlammend gevaar.

Ik maakte wandelingen over smalle paden door de velden. Klaprozen en boterbloemen lachten me toe en de liederen van de vogels verkwikten me, ook al waren hun boodschappen geheimzinnig. Onderweg ontmoette ik vriendelijke boeren, altijd groetend ook al liepen zij voortijdig gebukt van het geploeter.

Het was mijn vaderland. De streek waar mijn vaderloze vader zijn wieg stond en waar ik zelf ook mijn vaderland van maakte omdat ik er zoveel vrienden vond en de aarde en het water er heilig waren. Waar ik naar terugkeer om er namen en woorden te zoeken, of terug te vinden, want die ben ik vergeten of heb ik nooit gekend. Hoe kan ik je dan roemen? Dorp met je gastvrije boerderijen en schaduwrijke bossen en de Maas zo vredig in de zomer maar in de winter altijd dreigend, na wekenlange sneeuwval en daarna de dooi. Het licht dat daar op de bescheiden huizen schijnt en de geluiden van de eerste industrie, het grint dat wordt gewassen voor de aanleg van wegen naar ver weg, naar dit verblijf en naar de andere plaatsen waar ik me altijd een vreemde voelde.

Een hele weg heb ik nog af te leggen naar jou, Maasvallei. Een reis in mijn hoofd, in mijn kamer, over gevaarlijke wegen en door de tijd terug naar jou, geliefde in alle kleuren van de regenboog. Ik zie je bomen staan in Zutendaal, Neerharen en Rekem, groen in de zomer en sterk geurend in de herfst, en de paden ’s nachts, het geroep van de uil en de dartele konijnen. En als de heren op jacht gingen in hun rode jassen en het geschal van de hoorns, want ik wist niet wat doden was en bloedend vlees kende ik nog niet. De eiken en berken en populieren die zich verenigden als mensen van verschillende kleur, met één doel voor ogen. Samen de god te vinden die in hen woont en die ze zelf zijn als ze hem willen worden in een innige omhelzing.

Ja, het oude bestaat nog en wordt weer nieuw. Niets is verloren, niets is beter, niets is best. Alles wat liefheeft en leeft blijft zingen ook als de tijd hard is en de mens wreed en bloeddorstig. Het klinkt dwaas als ik het zo uitspreek of neerschrijf. Maar dat is van blijdschap. Weldra ben ik terug. Dan gaan wij samen het gewas op de velden zien en wandelen onder de bloesem en vieren het lentefeest. En dan ’s avonds zal ik liederen zingen voor jou bij het vuur dat altijd al brandde voor de vrijheid. Veel heb ik daarover gelezen in de boeken die ik hier om mij heen heb verzameld. Dat de vrijheid ons toekomt, de hemelse gaven die aardse gaven zijn, de engelen van vlees en bloed en niet anders dan duivels en saters. Alleen de macht van de sterkste en zijn geweld wil zij niet en bezing ik niet in mijn lied. Want helder blijft altijd mijn gezang.

Ik keer naar huis terug. Toch is het niet daarom dat elk uur van de dag vrolijke wetenschap zijn moet. Nee, het moet zo zijn omdat het zo moet zijn. Je moet kunnen liefhebben, je moet onbezorgd lachend je leven kunnen veranderen en feest vieren omdat je je leven verandert. Het leven moet zo zijn omdat het leven heilig is en wanklank weigert. Ik weet dat ik dwaas klink. Om het allemaal te vatten is onze vreugde te klein. Het gejubel drijft ons tot waanzin, die verrukkelijk kan zijn. Maar vaak is het beter daarover te zwijgen, want wat betekent heilig als we er geen woorden voor hebben en de spraak ons wordt ontzegd?  Wat me overblijft is werken aan het lied dat de zorgen bezweert. Zorgen over wat niet kan worden gezegd maakt zich de zanger opdat ze de anderen blijven bespaard.

Ω

* Geen vertaling, maar inzake beeldspraak, ritme, toon, filosofie en religiositeit geïnspireerd door Hölderlins late elegie ‘Heimkunft’ uit 1801. Bij het in één ruk schrijven van deze neo-elegie zaten diverse vertalingen van Hölderlins werk in mijn onbewuste te wroeten. De nacht was onrustig en vol dromen, onder meer over het gedicht van Hölderlin. Vanmorgen ben ik enigszins slaapwandelend naar mijn kamer gekomen om deze ‘idiote’ woorden uit mij te laten vloeien.

HOTELKAMER

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 043.JPG

Ik had in Maastricht een hotelkamer gereserveerd in een oud gerenoveerd pand aan de Maas.

Zoals altijd als ik de lobby van een hotel binnenstap aarzel ik, voel ik me ongemakkelijk, vraag ik me af wat ik daar doe.

‘Mijnheer?’ vroeg de jonge vrouw aan de balie.
‘Ik heb een kamer gereserveerd’, zei ik.
‘Een tweepersoonskamer’, voegde ik eraan toe.
‘U wilde graag een houten vloer, toch?’
‘Ja.’
‘Perfect. Wij hebben een kamer met parketvloer.’
‘Met uitzicht op de Maas?’, vroeg mijn gezellin.
‘Had u dat aangevraagd?’
‘Nee’, zei ik.
‘We hebben helaas geen kamers meer vrij met zicht op de Maas, maar u hebt een mooie, ruime kamer aan de achterkant waar het veel rustiger is. Op de derde verdieping, met uitzicht op de daken van Maastricht.’
‘Een mooi uitzicht?’, vroeg mijn gezellin.
‘Ja hoor, en het is een ruime kamer’.

‘Wacht even’, zei de jonge vrouw aan de balie, ‘er is iets mis met die kamer.’
‘De nieuwe flatscreentelevisie is vorige nacht van de muur gevallen. Ik weet niet of dat al opgeruimd is. Wilt u graag tv op de kamer?’
‘Nee, wij kijken geen tv’, zei ik.
‘Goed dan.’
‘Maar wanneer komen ze die brokstukken weghalen’, vroeg mijn gezellin.
‘Ik zal het even vragen aan iemand van het personeel.’
(…)
‘Dat zal deze middag gebeuren.’
‘Ja, maar dan zijn wij op de kamer’, zei mijn gezellin.
‘Maar misschien zijn jullie dan wel weer weg’.
‘Dat lijkt me toch geen goed idee’, zei mijn gezellin.
‘Wacht even, ik heb nog een kamer op de tweede verdieping. Dat is een heel luxueuze kamer.’
‘En het uitzicht dan?’ vroeg mijn gezellin.
‘Ook een mooi uitzicht, op de appartementen aan de achterkant. Heel rustig en heel luxueus.’
‘Goed dan nemen we die’, zei ik.

‘What a dump’, zei mijn levensgezellin toen we de kamer betraden.
‘Mooi toch’, zei ik.
‘We hebben uitzicht op een afvalcontainer,’ zei ze.
‘Nu je het zegt. Maar dan moet je wel naar beneden kijken. Dat doe je toch zelden?’, zei ik.
‘De spiegel hangt verkeerd, omogelijk om daar in te kijken’, zei ze.
‘Ach, we zijn hier maar een nacht,’ zei ik.
‘De douche heeft geen deur, het water loopt zomaar de badkamer in,’ zei ze.
‘Is dat niet normaal in Nederland?’, zei ik.
‘En de kamer is ruim,’ zei ik.
‘Vind je,’ zei ze.
‘Een stijlvol bed toch’, zei ik.
‘Komt waarschijnlijk van het Leger Des Heils,’ zei ze.

Nog voor we de volgende ochtend onze kamer verlieten was de spiegel van de muur gevallen, de badkamer ondergelopen en had ik mijn hoofd twee keer tot bloedens toe gestoten aan een van de glazen designblinden. Gelukkig was het water koud geweest, zodat we geen douche hadden kunnen nemen, zodat het hele hotel niet was weggespoeld en meegesleurd door de sterke stroming van de Maas. Woelig en grauw door de hevige wind die ’s nachts was gaan waaien, en de genadeloze regen die elk spoor van leven van de straten had geveegd.

Ω

Foto: Martin Pulaski, 2012.

NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:
“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen.

DE NIEUWE PORNOGRAFIE

bettina rheims

Kort na ons middagdutje vaart de Atlanta, de aak van mijn vader en moeder, langs het Ile Monsin. Laura en ik staan op het voordek en laten voor de eerste keer samen onze blikken vallen op het diepe water van de Maas. Met de aak aankomen in Luik, wat sinds mijn kindertijd niet meer is gebeurd, geeft me een intens gevoel van welbehagen. Ik wijs Laura op een van de zestien mooie bruggen, die de sfeer van een denkbeeldig Parijs oproepen. Ik schep er een genoegen in dat ik Laura een deel van het decor van mijn lang vervlogen kinderjaren kan tonen: de zwartgeblakerde romaanse, gotische en moderne gebouwen, het industriële landschap van Ougrée en Seraing, met zijn stinkende fabrieken en vuurspuwende hoogovens, het kristalbedrijf van Val Saint-Lambert en de engelen die zich van de bruggen lijken te willen storten, al was het maar om heel even de last van de zwaartekracht te kunnen voelen, om daarna, met een paar vleugelslagen, weer hun plaats in te nemen.

Inmiddels is de avond gevallen. Het zal een zwarte nacht worden, zonder sterren en maan. Nu al is er geen onderscheid meer tussen schip en water. Ik kan nog aanvoelen wat er gebeurt en waar we ons bevinden, maar kan Laura niets meer aanwijzen. Ik zie vonken wegspringen uit de bolder als mijn vader het schip aanmeert, daarna wordt het stil en helemaal donker. Ik denk dat we in Ivoz-Ramet zijn, maar ik ben niet zeker. Laura en ik zijn tijdens een wandeling in een nachtelijk woud verdwaald. Tropische planten overwoekeren het pad. Merkwaardig dat er geen aanwijzing te zien is dat hier ooit iemand heeft gelopen. Onzichtbare bloemen dringen hun bedwelmende geuren op aan de lucht. We worden er moe en onrustig van. Was het mogelijk ik zou hier niet ademhalen. Plotseling flitsen overal om ons heen spots aan. Duidelijk zichtbaar staan ze opgesteld tussen varens en laurierstruiken. Dit is niet langer een gewoon woud maar veeleer een dierenreservaat. Hoewel alle dieren vrij zijn, houdt elke soort zich aan een eigen, apart territorium. Ik vind dat vreemd, aangezien er niemand aanwezig is die de dieren tot wat dan ook kan dwingen. Eerst lopen we door het gebied van de apen. Die doen wat je van apen mag verwachten, springen in het rond, maken obscene gebaren, klimmen in de bomen en komen er weer uit tevoorschijn. Ze zien er niet vijandig uit; ons maken ze alvast niet bang. Wat later verrassen ons de tropische vogels met hun paradijselijke kleuren. Papegaaien, parkieten, pelikanen, kolibries en kaketoes met wonderlijke snavels lijken uit een of ander Eldorado te zijn ontsnapt, om hier als gevleugelde masochisten van hun gevangenschap te genieten. Nog wat verder huppelen duizenden maki’s in het rond, alsof ze dansen op het ritme van trommelaars uit Madagascar. In de verte trekt een heldere zone van wit licht onze aandacht. Dat moet zeker de rand van het woud zijn. Daar houden de pinguïns hun waggelende optocht voor de vrede.

Opnieuw is de dag aangebroken. Laura en ik zwerven door een oud stadsgedeelte. Huizen met afbladderende gevels, vuile trottoirs, kleine armoedzaaiers die met steentjes naar een krijtlijn werpen of tegen een gedeukte bal schoppen, straathonden die hen vermoeid toeblaffen. Hier en daar heeft het College nieuwe woonblokken laten optrekken. De architecten hebben zich laten inspireren door Amerikaanse films, de wereldtentoonstelling van 1958 en de nachtmerries van Le Corbusier. Vlakbij een marktplein, even vervallen en smerig als al de rest, herken ik de donkere St.-Bartholémykerk waar ik zo vaak ging bidden als kind, toen ik nog niet spuwde op de naam van God en zijn hiërofanten. Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem, factorem caeli et terrae, visibilium omnium, et invisibilium. We rusten er een poosje uit op een houten bank, tot iets onnoemelijks ons weer verder jaagt door straten zonder namen. Kennelijk tevergeefs zoeken we een bus of tram die ons terug zou kunnen brengen naar de kleine haven van Ivoz-Ramet, waar onze bloedverwanten ongetwijfeld ongerust op ons zitten te wachten bij de gasradiator.

Om vier uur val ik aan een woedebui ten prooi. Vloek tegen beschimmelde deuren, tegen zinloze verkeerslantaarns, die alleen nog als pispalen worden gebruikt. Tegen Laura klaag ik erover dat mijn schoenen knellen. Ik heb zelfs het gevoel dat mijn voeten bloeden. Talloos veel duiven, waarschijnlijk geschrokken van de plotsklaps vallende avond, strijken neer op vergiftigde paardenkastanjes. Wat overblijft van de straatverlichting verspreidt een oranje nevel. Op het ogenblik dat we ons in de modder, tussen condooms en sigarettenpeuken, willen neervlijen bereiken we een groot plein, waar tientallen bussen staan te ronken. Laura gebaart in de richting van een fonkelnieuwe gele autobus. Digitale letters, rood op zwart, duiden de richting aan: Flemalle-Haute. Laura is er meteen zeker van het de bus is die we moeten hebben. Hoewel ik daar aan twijfel, stappen we toch maar in. Ik zet me zo behaaglijk als mogelijk in de gele plastic zetel, want mijn intuïtie zeg met dat het een lange rit wordt. Na enige minuten maakt het voertuig zich los van het asfalt, waarna het zich voortbeweegt op een hoogte van ongeveer vijf meter boven het straatniveau; soms gaat het nog een heel stuk hoger. Het panorama dat zich nu voor onze ogen ontvouwt is adembenemend. Het is een Civitas Solis, zoals door Tomasso Campanella beschreven. (In dat boek, dat al jaren ongeopend stof vergaart in mijn kersenhouten kast waarin de werken over utopieën en speurtochten naar het duizendjarige rijk zijn ondergebracht, las ik onder meer over een zeeman die zich, uit angst voor de inboorlingen, in Taprobane schuilhoudt in een donker woud.) Het is een stad van de verbeelding, een plaats die niet bestaat en waarschijnlijk ook nooit bestaan zal. Je voelt aan dat zij toebehoort aan de nacht, dat zij overdag onzichtbaar wordt. En toch is het er zo helder als op een zomerse middag in de Camargue. Gebouwen zijn opgetrokken in zachte kleuren, overwegend wit, ivoor en oker. Ze lijken zonder enig plan neer te zijn gepoot. Maar al spoedig merk ik dat de chaos een verborgen orde heeft. Het gaat echter om een harmonie die groter, dieper is dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. Daardoor was ik eerst misleid en zag ik slechts chaos. Elk afzonderlijk gebouw, elke constructie heeft een ideale vorm, is de belichaming van een idee. Mij vallen eerst de eenvoudige, atomaire bouwwerken op. Het gaat om elementaire geometrische vormen, zoals de cirkel, de bol en de kegel. De aanwezigheid van andere, meer ingewikkelde moleculaire constructies verhevigt hun schoonheid. Niet één element stoort. Mij geeft deze stad vooral de indruk dat zij geen grenzen en geen centrum heeft.

De bus bereikt de eindhalte. Ik stap vlug uit, kijk dan, plots ongerust, om: Laura is spoorloos. Er zijn ook geen andere passagiers uitgestapt. Ik bevind me in een buitenwijk, met veel groen en luxueuze villa’s. In een van de villa’s verschijnt een blonde vrouw in een raam. Het lijkt erop of ze me wenkt. Als een sirene trekt ze me aan. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze zingt, want dat doet ze niet, ze neuriet niet eens, ze maakt alleen maar een kleine beweging met haar hoofd. Dat volstaat. Als ik naar haar toeloop, niet bij machte aan haar geluidloze lokroep te weerstaan, besef ik pas hoe onweerstaanbaar ze is. Hoe ziet ze eruit? Ik zou zeggen als een vamp, maar dat woord associeer ik met vampier, en dat is ze zeker niet. Ze heeft iets van Marilyn Monroe, maar dan minder aards. Ze buigt zich over het raamkozijn naar me toe. Zoals in Hollywoodfilms accentueert haar kleding het sensuele van haar lichaam. Een van haar borsten is net niet helemaal bloot. Je ziet het randje van de tepel, meer niet. Ik verkies de lift boven de marmeren trap, o
ok al moet ik maar op de derde verdieping zijn. De deur van haar flat staat op een kier. Tim Buckley’s Song To the Siren, klinkt me tegemoet.Als ik Alicia in mijn armen houd begrijp ik dat je haar niet echt kunt bezitten. Je mag haar aanraken, haar haren, haar huid strelen. Maar haar geheim geeft ze niet prijs. Ze bevindt zich in een andere wereld, die ik niet kan betreden. Ze lijkt op de ziel van deze stad zelf: een geheim, een raadsel. Ook de vele ringen aan haar vingers verwijzen ernaar: je weet niet waar ze beginnen en waar ze eindigen. Als je in haar ogen kijkt stort je in een afgrond, val je van klip tot klip, van eeuwigheid tot diepe eeuwigheid. Zodra ik besef dat Alicia me heeft verlaten wil ik zelf ook weg uit dit somptueus verblijf, dat nu een labyrint is geworden. De lift doet het niet langer, dus loop ik de trap af, die echter niet naar de voordeur en de straat leidt, maar naar een doolhof van tuintjes (met kleine tempels en beelden van mij onbekende heiligen), patio’s, hagen, plantsoenen en squares. Opvallend zijn de vele cipressen, die een verhaal lijken te willen vertellen. Maar welk verhaal? Misschien dat van die heiligen? Hoezeer ik mijn hersens ook pijnig, ik vind geen antwoord. Piekerend dwaal ik in een wirwar van groene lanen, die nergens heen leiden, tenzij naar hun beginpunt. De dure huizen beginnen meer op elkaar te lijken, alsof er maar één is, dat zich talloze keren weerspiegelt. Ik zie geen levende ziel. Waar is iedereen? Waar is Alicia, waar is Laura ? Af en toe hoor ik het gezang van een vogel, dat is het enige teken van leven.Het duurt uren, misschien wel dagen om de cipressen te vergeten.

Ik ben teruggekeerd naar het grote plein waar de bussen vertrekken. Er wordt een film gedraaid. De regisseur is een dikke man, nog dikker dan Orson Welles. Hij heeft het gezicht van een bruut, maar daarmee bedoel ik niets negatiefs. Ik had het al in de krant gelezen: mijn vroegere filosofieleraar, Paul Sontag, is filmregisseur geworden. Hij verfilmt een van zijn eigen boeken, las ik. Maar nu ik deze dikke man in zijn regisseurszetel zie zitten vind ik dat hij helemaal niet op Sontag lijkt. En waarom herkent hij mij niet? Of hij doet alsof hij me niet kent, dat kan ook. Wat komt die kerel hier zoeken, lijkt hij te denken. Dat leid ik af uit de onderzoekende blik die hij me toewerpt, een beetje zoals in oude expressionistische films, in Fritz Langs Dr. Mabuse bijvoorbeeld, met van die zware, gefronste wenkbrauwen. Tegen de gevel van een oud pakhuis hangt een affiche waar de regisseur twee maal op afgebeeld staat: op de voorgrond zie je hem, in een transparante kleur, als dikke bruut en achter hem, je kunt door de dikke man heenkijken, zie je hem, heel donker en met nog donkerder contouren, als dunne, kleine, vitale man. Het is zijn Oud Boek dat hij gaat verfilmen. Een propman heeft het in mijn handen gestopt. De pagina’s moeten nog opengesneden worden. Vele jaren geleden is het verschenen bij uitgeverij Payot in Parijs. Geen mens leest het nu nog, denk ik. Wie leest er overigens nog boeken? Ik niet, ik ben niet gek.

Opnieuw in de vervallen wijk, op zoek naar een bed, valt een hoekhuis me op, omdat het minder vuil is. Het is uitgevoerd in een kitscherige stijl, met veel chroom: een pornowinkel, met op de eerste verdieping een vierderangshotelletje. De pornowinkel is gesloten.”Hoezo?” vraag ik de eigenaar, die voor zijn deur staat.”Bevel van de politie”, zegt hij, “door wat er de laatste dagen is gebeurd, zijn ze zenuwachtig geworden. Maar wat wil je.”Ik kan de man maar moeilijk geloven. Want hoe verklaar je dan dat zijn koopwaar nog open en bloot in de etalage ligt uitgestald? Echte politieagenten zouden zeker tot inbeslagname zijn overgegaan. Gratis porno, zo’n kans zouden ze niet onbenut laten.Op die eerste verdieping is nog een kamer vrij. Morgen wordt Monsieur Charbon begraven, wordt mij fluisterend meegedeeld, voor ik me naar mijn kamer begeef. De burgemeester. Doodgeschoten op een parking, na een bezoek aan zijn minnares, een zekere Malicia, een Corsicaanse uit Bressoux. Dit allemaal op fluistertoon uitgesproken, alsof het om een misdaad gaat! Om het half uur luiden de klokken van St.-Barthélemy. Midden in de nacht wil ik weg uit het hotel, maar ik weet niet hoe ik naar buiten kan: er zijn geen gangen. De deur van mijn kamer geeft toegang tot een ander vertrek, en zo strompel ik van de ene puinhoopruimte naar de andere. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Nergens meubels, slechts versleten matrassen op de vloer. Peertjes van twintig watt zorgen voor wat verlichting. Af toe moet ik door badkamers en toiletten, of een combinatie van beide. In een van die badkamers liggen drie kinderen te braken, hun hoofden over een wc-pot gebogen. Veel andere gasten zie ik niet. Op een gifgroene matras ligt een stel te beuken; ze doen hun best om zoveel mogelijk van hun openingen en aanhangsels te tonen. Een vent met een bierbuik houdt een lamp boven hen, een andere kerel, met bakkebaarden en een Taras Boelbasnor, hanteert een videocamera. Deze mensen uitleggen dat ik een uitweg zoek is onbegonnen werk. Zelfs met handgebaren zou het niet lukken. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserére nobis, denk ik bij mezelf.

Buiten adem bereik ik toch nog het vervallen marktpleintje. Op een bank voor de St.-Barthélemykerk zit Laura op me te wachten. Ze heeft filmtests gedaan voor de verfilming van het Oude Boek van Paul Sontag. Eerst moest ze een fotosessie doorstaan. “Had die fotograaf zo’n walgelijke Tarasboelbasnor?” vraag ik.”Hadden we dan geen geld nodig?”, verdedigt ze zich tegen ik weet niet wie. “Ach geld”, zeg ik, “today it’s here and tomorrow it’s gone, zingen de Beach Boys, maar dan wel over de liefde.””2339 frank heeft de fotograaf betaald”, zegt ze, “en ik had kunnen blijven lunchen, maar ik had er geen goed oog in, en ben dan maar weggelopen”.”Een bizar bedrag, volgens mij”, zeg ik.”Hoezo bizar?”, vraagt Laura.”Heb je de som van de cijfers al eens gemaakt? Neen? Dat dacht ik al. De som van de cijfers is 8. Je weet toch wat dat betekent? Dat is het getal van de oneindigheid, Laura”, zeg ik.”Het bedrag is in ieder geval niet oneindig”, zegt Laura.”En die film van Paul Sontag dan?” vraag ik.”Ach Paul Sontag, Paul Sontag”, zegt Laura, “je weet hoe dat gaat met die vrijmetselaars. Of niet soms? Je moet dat allemaal niet slikken. Ze maken je maar wat wijs.””De man ziet er inderdaad helemaal anders uit…”, zeg ik, “maar waar gaat het nu eigenlijk over. Ik heb dat Oude Boek nooit willen lezen. En nu begin ik er ook niet meer aan.””De film schijnt over een bepaald soort mensen te gaan. Een gemeenschap die ergens afgezonderd leeft, in een commune of zo, op Bora Bora, of iets wat daar op lijkt. Een of ander tropisch eiland. Die mensen zijn minder ontwikkeld dan bavianen. Het zijn dommekloten, echt oliedom. Ze stinken. Ze wentelen zich in hun eigen drek. Over hen gaat de film, die trouwens maar gedeeltelijk gebaseerd is op het Oude Boek. In één scène zie je een wijfje in de modder liggen, met de benen gespreid. Haar vagina wijd open. Een grote rode holte. Een bevalling. In haar baarmoeder zitten van die wormen, je weet wel, die je vader gebruikt om te vissen. Ja, regenwormen, maar grote exemplaren, zo groot als mijn arm ongeveer. En ze fluoresceren.””Bizar, toch”, zeg ik.”Ach nee, Martin. Niet eens bizar. Ook niet degoutant of zo, het is geen horrorfilm, hoor.””Ja dan zie ik het al voor me. Paul Sontag zou zeggen, het is het vreemde dat zo plotseling kan opduiken in de ons bekende wereld. Ik zie die dikke man, die regisseur dat ook al zeggen. Ik zie hem zeggen dat het om het andere gaat dat zich in al zijn zichtbaarheid manifesteert. Daar gaat deze film over, zie ik de dikke man zeggen, en dat is ook de essentie van het Oude Boek.””Ja”, zegt Laura, “de essentie van het Oude Boek, maar ze hebbe
n er nog wel een zootje aan toegevoegd. Plots belanden ze in een onzichtbare stad, waar de burgemeester vermoord is door Bulgaren of zo. Een zekere Malicia zit er voor iets tussen. Dat hebben ze er in verwerkt, kwestie dat de cinemazalen volk trekken.””Deze film doet me toch niet meteen denken aan Pulp Fiction”, rond ik deze droefgeestige conversatie af. Hoezo droefgeestig? Wel ja, er worden gewoon geen goede films meer gemaakt.

We zijn weer thuis, in de schoot van het gezin verenigd, aan de rivier, waar de platanen netjes op een rij staan en niets dan rust en vertrouwen belichamen. Moeder heeft ons aan de bushalte aangetroffen. We hebben een taxi genomen. Het was een Eldorado. Ik wist niet dat er nog van die sleeën rondreden in dit land. Een Eldorado, stel je voor. De dondervliegjes duiken overal op. In het Westen verschijnt het avondrood, dat melancholische mensen zo neerslachtig kan maken. Soms brengt het hen op vreemde gedachten. Maken de bergen, golven en hemel geen deel uit van mij, van mijn ziel, en ik van hen? zeggen ze dan bij zichzelf. Of sommigen krijgen opeens heel veel zin om zich in het water van de Orinoco te werpen. Of in dat van een andere rivier. Altijd in het inktzwarte water denken zij troost te vinden. Vader is net terug van het vissen, hij heeft een emmer vol paling bij zich. Die moet nu gevild worden en daarna gebraden in de pan. Op de bodem van de rivier, in de modder van de rivier, wacht de nog levende paling en vreest niet om zijn lot.

Foto: Bettina Rheims