MIJN CONJUNCTIES

hölderlin.jpg
De jonge Hölderlin.

Principieel voor mijn teksten is de afwezigheid van een vooropgezet plan, wat ik graag tegenover een beredeneerde, stelselmatige opbouw plaats. Toch laat ik nauwelijks ruimte voor stellingen uit het ongerijmde. Als dat toch eens gebeurde had ik waarschijnlijk net buikpijn of een andere kwaal. En als ik dan toch stellingen moet hanteren, berijm ik ze liever. Soms verwijs ik wel eens naar iets als de analytische meetkunde; zoiets is er dan met de haren bijgesleurd; of nee, toch niet, ik doe het om er iets autobiografisch aan te geven. Zoniet zou je je kunnen gaan afvragen, waar gaat dit eigenlijk over?

Ik zie heel goed in dat ik een man van het ‘maar’ ben. Miljoenen keren heb ik dat woord al gebruikt: het is een miserabel mirakel, om even Henri Michaux zijn omschrijving van mescaline te hanteren. Een ellendig woord dat ik zo nodig heb. Waarom ben ik er zo van in de ban? In de vorige eeuw heb ik me gedurende jaren in het werk van Hölderlin verdiept, een meester van het ‘aber’. “Aber Freund! wir kommen zu spät. Zwar leben die Götter, / Aber über dem Haupt droben in anderer Welt.” Dat veelzeggend voegwoord heeft zich toen in mijn vocabulaire vastgehaakt en het is gebleven en ik wil dat het blijft. Zeer waarschijnlijk omdat de conjunctie in mijn dagelijks leven een belangrijke rol speelt, ook op filosofisch niveau