DE BETOVERING VAN VIRGINIA WOOLF

vanessa bell - vw 1

Toen ik in 1971 filosofie ging studeren wist ik zo goed als niets, beweerde ik in een eerdere notitie. [1] Op de middelbare school had ik niets geleerd. Onlangs las ik in een interview met David Lynch dat hij over zijn schooljaren ongeveer hetzelfde denkt. Ongetwijfeld is hij niet de enige.
Met die uitspraak bedoelde ik dat ik niets wist wat waarde had voor het leven in al zijn facetten: zowel praktisch als intellectueel als erotisch als creatief. Laat mij van dat niets dan maar weinig maken, want zoals ik in vorige boekverhaaltjes al heb verteld, had ik wel al wat gelezen voor ik naar de universiteit ging. Ik kan me echter niet herinneren dat ik al boeken in het Engels had gelezen. Mogelijk was dat de reden waarom ik voor het keuzevak Engelse literatuur koos. Dat was een interessant vak, veel boeiender dan een aantal verplichte vakken, zoals psychologie en logica. We moesten dat jaar geloof ik vijf Engelstalige romans lezen. Ik kan ze mij niet allemaal meer herinneren; George Orwells ‘1984’ was er zeker bij. We bestudeerden verhalen uit de bundel ‘The Second Penguin Book of English Short Stories’. Mijn geheugen is niet meer zo goed om dat nog zo precies te weten: het boek ligt hier links naast mijn laptop. Zonder de pocket bij de hand zou ik me – ondanks dat geheugenverlies – zeker nog ‘The Road From Colonus’ van E.M. Forster, ‘Ivy Day in the Committee Room’ en ‘The Mark on the Wall’ van Virginia Woolf herinneren, drie sublieme korte verhalen van drie meester-schrijvers.
Een ware openbaring was ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf. Enkele bladzijden volstonden om mij voor altijd voor deze geniale schrijfster te winnen. Ook die Penguin Modern Classic heb ik hier nu binnen handbereik. Het boek, met op de cover een portret van Virginia Woolf door Vanessa Bell, de oudere zus van de schrijfster, roept meteen herinneringen op aan een gelukkig periode in mijn leven. Het toen nog vredige en romantische huis, vooral in mei als de seringen bloeiden, in de Visélaan in Watermaal-Bosvoorde; mijn mooie en vaak geestige vrouw V., die net als ik filosofie studeerde en eveneens Virginia Woolf las; mijn klein lief zoontje J.; onze lange wandelingen in het Terkamerenbos of in de buurt van de spoorweg tot aan het station van Watermaal, dat vanwege de schilderijen van Paul Delvaux nog altijd tot de verbeelding spreekt; de vele vrienden en medestudenten die dagelijks bij ons over de vloer kwamen; de intense, de verbeelding stimulerende gesprekken en discussies; de geur van de joints en Lucky Strikes die we rookten; de muziek van Johnny Winter, Rod Stewart, Derek and the Dominoes, Johnny Jenkins. En de boeken, de boeken.

virginia en leonard woolf 1912

Mrs. Dalloway betoverde me. De vertellende stem nam me mee naar een zachte wereld die tegelijk hard, zelfs wreed was. Tedere mensen konden elkaar opeens verscheuren. Sensuele en intellectuele personages in salons, getekend door de eerste wereldoorlog, praatten over Shakespeare en porselein en zelfmoord. Later, nadat ik T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’ had gelezen, vatte ik de wereld van Mrs. Dalloway, van Virginia Woolf, samen in twee regels uit dat onvergetelijke gedicht:
In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

In ‘The Mark on the Wall’, verschenen in 1917, een vroeg voorbeeld van stream of consciousness, formuleerde Virginia Woolf, als we even de verteller laten samenvallen met de auteur, in zekere zin al haar missie: “I want to sink deeper and deeper, away from the surface, with its hard separate facts.” ‘Mrs. Dalloway’, verschenen in 1925, was het ingenieuze resultaat van die intentieverklaring.

Waarom vond ik de microkosmos van ‘Mrs Dalloway’ zo betoverend? Vanwege Virginia Woolfs Engels. Haar taalgebruik was rijk, suggestief, expressief en tegelijk impressionistisch. Vanwege controversiële gedachten en uitspraken van Clarissa Dalloway en de andere personages. Een mooi voorbeeld is dit:  “Fear no more the heat of the sun. She must go back to them. But what an extraordinary night! She felt somehow very like him – the young man who had killed himself. She felt glad he had done it; thrown it away while they went on living.” Je kunt iets dergelijks wel denken, maar spreek je het ook uit of schrijf je het neer? (Ik zou nu veel zinnen en paragrafen kunnen citeren. “Love destroyed too. Everything that was fine, everything that was true, went.” Maar lees liever het boek zelf, beste lezer.) Vanwege het spel met de tijd. De gebeurtenissen in Mrs Dalloway spelen zich af op één zomerse dag in Londen. Toch worden wij via de gedachten van het hoofdpersonage deelachtig aan gedenkwaardige momenten uit de levens van meerdere personages, aan hun momenten van geluk, mislukking, pijn, verdriet, euforie, aan hun gevoelens van liefde en haat, aan hun dromen – aan hun existentie (of Dasein, om het met Heidegger te zeggen.) En zeker ook vanwege dat tumultueuze, rijk geschakeerde, van geschiedenis verzadigde Londen. Ja, ook vanwege die échte ontdekking van Londen vond ik ‘Mrs Dalloway’ betoverend (en boeiender dan om het even welke reisgids).

Na de lectuur van ‘The Mark on the Wall’ en ‘Mrs Dalloway’ ging ik op zoek naar ander werk van Virginia Woolf. In de zomer van 1974 moest ik zes weken het bed houden vanwege hepatitis. In mijn herinnering zijn die stille dagen zonder enige beweging, terwijl buiten de zon de Visélaan, het Terkamerenbos, de campus van de VUB-ULB, het Zoniënwoud, en het hele noordelijk halfrond verlichtte, versmolten met de microkosmos van ‘To the Lighthouse’, een van de mooiste romans die ik ooit heb mogen lezen.
“When life sank down for a moment, the range of experience seemed limitless. And to everybody there was always this sense of limitless resources, she supposed (…). Beneath it is all dark, it is all spreading, it is unfathomably deep; but now and again we rise to the surface and that is what you see us by. Her horizon seemed to her limitless.” [2]

virginia woolf 2

[1] De voorbije weken schreef ik in een reeks die ik geestelijke genealogie noem reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon, Franz Kafka en mijn ‘angst voor poëzie’. Dit is het zevende deel.
[2] To the Lighthouse, p. 72-73.
Afbeeldingen: Virginia Woolf door Vanessa Bell; Virginia en Leonard Woolf in 1912; Virginia Woolf, datum en fotograaf onbekend.

SCHOOLVRIENDEN

1967 londen 1 001.jpg

Schoolvrienden in Londen, in juni 1967. De jongen links was mijn beste vriend, Jan De Pooter. Helaas al enkele jaren geleden overleden. Jan was een Beatles- en ik een Rolling Stones-fan. We hielden allebei met hart en ziel van the Small Faces. Londen was toen het centrum van de wereld, een magische stad, doordrongen van de geest van Jimi Hendrix, Brian Jones en Sergeant Pepper’s. Terwijl je daar door de straten liep voelde je dat op dat moment alles liefde was.

 

REGIONEN VAN DE VERBEELDING

IMG_7951.JPG

In jouw Londen zwerf je rond in een boek, in meerdere boeken, in een hele bibliotheek. De ene wijk is een roman van Virginia Woolf, de andere een gedicht van Keats, wat verderop houden Ian McEwan en Martin Amis de wacht. In de vuile lucht die je inademt zitten, nauwelijks zichtbaar, letters van Shakespeare, het gras op Primrose Hill groeit uit de buik van William Blake. In je Londen bestaat het reële niet. Je wandelt door straten van the Beatles, the Rolling Stones, David Bowie, the Clash en Marianne Faithfull. De meisjes en jongens in Soho, Chelsea, in Brick Lane en Camden Town zijn figuranten in een lange, coole film van een Antonioni-adept. De gevels zijn schilderijen van Peter Blake en Richard Hamilton, de interieurs en de figuren die je je achter de ramen voorstelt creaties van Francis Bacon, Lucian Freud, RB Kitaj en David Hockney.

Na zo’n dérive begeef je je naar the Dog & Duck waar Hanif Kureishi achter de toog staat. Hoe lekker, dat Spaanse bier!

IMG_8100.JPG

Peter Ackroyd houdt het allemaal bij elkaar, geeft er betekenis en zin aan.

IMG_8646 baillementshysteriques2.jpg

Als je thuiskomt moet je je, zoals Zizek schrijft, weer laten neerploffen in le réel, wat wel eens een moeilijke opgave zou kunnen zijn. Echt, meen je dat? Ja, want ook in je eigen stad slenter je graag dagdromend door de straten en in de parken, met de stemmen van schrijvers en de beelden van fotografen en kunstenaars in je hoofd. Een estheticus, een schone ziel, een aanhanger van l’art pour l’art dan toch nog altijd? De teleurstelling als je thuiskomt is echter groot. Hoezeer je je ook verzet tegen de val: de zuigkracht van het reële is te sterk. Er zijn niet alleen de grijze, verloederde straten van Anderlecht en de lelijke*, slecht geklede mensen (waar jij deel van uitmaakt). Er zijn ook het WK, de Ronde van Frankrijk, de honderden popfestivals, waar namaakmuziek een alibi is voor het consumeren van slecht bier en zielloze seks; bovenal zijn er de verschrikkingen die Israël in zijn bezette gebieden tegen de bevolking begaat. Je stort onherroepelijk en noodzakelijkerwijs neer in de dagelijkse miserie. En terwijl je neerstort kom je al opnieuw in opstand, of verzin je een nieuwe vlucht in andere regio’s van de verbeelding.

IMG_8952.JPG

*In ‘De ringen van Saturnus’ schrijft W.G. Sebald dat de Belgen, en met name de Brusselaars, zo lelijk en zo misvormd zijn ten gevolge van de ongeremde uitbuiting van de Kongolese kolonie. “In elke geval herinner ik mij heel goed dat ik bij mijn eerste bezoek aan Brussel in december 1964 meer gebochelden en gekken ben tegengekomen dan anders in een heel jaar.”, lees ik op pagina 129. In Sint-Genesius Rode ziet Sebald een scheefgegroeide, spastische biljartspeler “met onfeilbare zekerheid de moeilijkste caramboles maken.”

Foto’s: Martin Pulaski, London, juni 2014. Een vrouw in Chinatown; de bibliotheek van John Keats in Keats House; “bouillements hystériques” in Whitechapel Gallery; een meisje in Baker Street Station.

TIJD OM TE LEZEN?

IMG_8491.JPG

Zou ik nu ik schijnbaar over meer tijd beschik dan vroeger minder lezen? Ik neem aan dat ik minder boeken lees – maar daartegenover staat al het vluchtige dat ik online tracht te ontcijferen. Nog altijd heb ik het gevoel dat die laatste manier van lezen minderwaardig is. Bovendien maakt ze mij onrustig en ontevreden, vaak voel ik het aan als ‘tijdverlies’, weer minder tijd om klassieke romans, gedichten en filosofische werken te lezen. Hoe lang ben ik nu al niet met ‘De idioot’ van Dostojewski aan het worstelen! Niet met de idioot zelf, en het is ook helemaal geen worstelen, want het is een enorm genoegen (ook al is het geen voortreffelijke vertaling), maar het duurt wel lang.

Waar ik helemaal zeker van ben is dat ik veel minder boeken dan nog niet zo lang geleden van mijn reizen en reisjes meebreng. Ik herinner me dat ik voor ik in september 1991 uit New York terugkeerde een extra reistas moest aanschaffen voor alle boeken die ik in The Strand en kleinere winkels had gekocht. Dat zal me nu niet meer overkomen. Van Valle Gran Rey, in februari, bracht ik helemaal niets mee, van Praag alleen wat reproducties van Tsjechische filmaffiches (op klein formaat) en nu uit Londen al wat meer, maar toch bijna uitsluitend dunne boekjes. Dat laatste is nu wel een trend, maar ik ben er zeker mee opgezet. Van wat ik uit Londen meebracht een lijstje dan maar:

On The Pleasure Of Hating – William Hazlitt
Politics And The English Language – George Orwell
An Apology For Idlers – Robert Louis Stevenson
One Way Street And Other Writings – Walter Benjamin
Dylan On Dylan – Edited by Jonathan Cott
Cash. The Autobiography Of Johnny Cash – Johnny Cash with Patrick Carr
Young Adam – Alexander Trocchi
Artful – Ali Smith
Junky – William S. Burroughs
The Subterraneans – Jack Kerouac
Event.
Philosophy In Transit – Slavoj Zizek

Dat lijkt misschien veel, maar het zijn niet veel pagina’s. Bovendien zijn er boeken bij die ik al bezit en al heb gelezen. Waarom koop ik boeken die ik al heb? Ik weet het niet goed; wel heb ik de indruk dat ik dat almaar meer begin te doen, ook met muziek. Zo kocht ik gisteren alle cd’s van Nick Drake – die ik al allemaal op vinyl heb en dan ook nog eens de eerste editie op cd. Geldverspilling, terwijl ik het helemaal niet breed heb? Misschien gaat het om een vlucht in het verleden, naar mijn vertrouwde wereld, misschien maakt het nieuwe, het onbekende me bang. Dat zou ik erg vinden: ik heb altijd van mezelf gedacht dat ik erg nieuwsgierig was, open voor het andere, een voorloper zelfs, iemand met een oog en oor voor wat aanvankelijk aan de aandacht van de meeste mensen ontsnapt. Ben ik dan zo veranderd? Of heb ik me in mezelf vergist?

Ik ben echter wel blij dat ik überhaupt nog lees en ik vind het altijd een genoegen dat ik andere mensen zie lezen. In Londen in de tube, waar ik gretig gebruik van maak, is het mij opgevallen hoeveel de passagiers daar lezen. Een lust voor het oog. Gisteren in de metro hier in Brussel heb ik even rondgekeken en wat ik in Londen al vermoedde kwam uit: ik zag niet één reiziger met een krant, boek of tijdschrift in de handen. Wat zegt dat over deze stad? En wat zeggen de in de Underground lezende mensen over Londen?

IMG_8567.JPG

Foto’s, Martin Pulaski, London, juni 2014.

BLUE

blue 2.jpg

Vorige week zag ik in Tate Modern in Londen Derek Jarman’s laatste film, ‘Blue’ (1993). Jarman beëindigde de film kort voor zijn dood; hij was toen al grotendeels blind. De titel ‘Blue’ dekt helemaal de lading: de hele film is een enkel shot van de kleur blauw, ongeveer hetzelfde blauw als dat van Yves Klein. Helemaal? Niet echt, want het is hem zeker ook om de soundtrack te doen, die op mij een diepe indruk maakte, ook al begreep ik niet alles van de tekst. ‘Blue’ is de aangrijpende en zeer intieme getuigenis van iemand die gaat sterven: Derek Jarman zelf. “The virus rages fierce. I have no friends now who are not dead or dying. Like a blue frost it caught them. At work, at the cinema, on marches and beaches. In churches on their knees, running, flying, silent or shouting protest.” Droevig, melancholisch, sereen, en subliem in de ware zin van het woord. De verbluffende soundtrack laat geluiden, muziek, stemmen horen van Brian Eno, Danny Hyde, Gini Ball, Hugh Webb, James Mackay, Jan Latham Koenig, John Balance, Kate St. John, Marden Hill, Markus Dravius, Marvin Black, Miranda Sex Garden, Momus, Peter Christopherson, Richard Watson, Simon Fisher-Turner, Tony Hinnigan, Vini Reilly, Derek Jarman, John Quentin, Nigel Terry en Tilda Swinton.

blue12-yves-klein-theredlist.jpg

Op het terras, met uitzicht op de Theems en de Londense skyline, uitgeput door zoveel opwindende en saaie kunst in die grote fabriek, opperde ik, wat onnadenkend en met weinig respect voor de kunstenaar, dat alles al gedaan is. Met weinig respect omdat ik nog maar eens een keer aan mezelf dacht. Toen ik er enkele jaren geleden aan dacht om al mijn foto’s van blauwe luchten – het waren en zijn er heel wat – in een serie onder te brengen en er teksten bij te schrijven wist ik waarschijnlijk al wel dat dat niet zo’n origineel idee was, zoniet had ik er wel iets mee gedaan. Nu ik ‘Blue’ gezien had vond ik mijn voornemen van toen ronduit bespottelijk.

Wat later ging ik in de boekwinkel van Tate op zoek naar een boek met kleurfoto’s van William Eggleston. Op de immense tafels vond ik alleen zijn zwart-witfoto’s. Na wat zoeken in de rekken trof ik echter een mijn onbekend werk met de fascinerende titel ‘At Zenith’ aan. Ik had het kunnen en moet weten, maar ik wist het niet: ‘At Zenith’ bevatte niets anders dan foto’s van de wolken en de blauwe lucht.

“During a 1978 road trip from Georgia to Tennessee, Eggleston photographed the sky from the car window using an early instant camera. The resulting images evoked small fragments of classical frescoes. The following day, he lay on the ground and continued to shoot the sky above. “At Zenith” brings together fifteen pigment prints from the Wedgwood Blue cloud series, in which Eggleston takes celestial zenith–the point of sky directly overhead—as his exclusive subject. These meditative images of wispy clouds interspersed with cerulean blue are painterly variations on a universal theme that has inspired artists from John Constable to Gerhard Richter. The photographs represent a broadening of Eggleston’s quotidian subjects—an exploratory, sky-gazing caesura within the lush panorama of his oeuvre.”*

Ondanks deze wijze en juiste woorden en mijn obsessie voor toevallige gebeurtenissen was ik teleurgesteld. Waar ik felkleurige Americana-foto’s verwachte trof ik bijna monochrome blauwe luchten aan – hoe saai, hoe vervelend! Het is alsof je de bioscoop binnenstapt om ‘Singing In The Rain’ te zien, en dan ‘Touch Of Evil’ te zien krijgt.

blue - william eggleston at zenith 14.jpg

Alles is al gedaan, er is niets nieuws onder de zon. Toch kan het misschien geen kwaad om alles, of misschien niet alles maar datgene wat goed (agathos) was en is, nog eens over te doen? Zeker loont het de moeite om wat goed is te zien, terug te zien en om het allemaal goed te bekijken en niet te snel een oordeel te vellen, zoals ik daar uitkijkend over Londen met de blauwe foto’s van William Eggleston deed.

 

*Uit de inleiding bij een tentoonstelling van deze werken in de Gagosian Gallery in New York in 2013.


 

LONDENSE IMPRESSIES

9192374072_454f2dea58_o.jpg

In Tate Modern (juni 2013)

Foto’s van William Eggleston, fotograaf uit Memphis. Bijna archetypische Amerikaanse beelden: de poëzie van het banale, Coca Cola, garages, autobanden, lost highways… Verwantschap met Andy Warhol en pop art in het algemeen, ook met Wim Wenders. Ik las dat Eggleston een langdurige verhouding had met Viva, een van de supersterren van Warhol. Zij was met de popartkunstenaar aan de telefoon toen Valerie Solanas hem neerschoot. Omstreeks 1970 was ik ‘verliefd’ – ik weet niet hoe ik anders moet noemen – op Viva en op Edie Sedgwick. Viva’s autobiografische ‘Superstar’ heb ik verslonden. Later kwam er het geweldige ‘Edie’ van Jean Stein.

viva 5.jpg

Grote, indrukwekkende werken van Gerhard Richter. Feesten van bloed en wijn van Cy Twombly. Offers van schoonheid, aan schoonheid, zoals bij de antieken. Rothko’s rode stilte.  John Heartfield keert nu ook weer terug in mijn leven, bijna net zo vaak als Pablo Picasso en zijn vrouwen. Overigens zijn de vrouwen hier op straat mooier dan die van Picasso. Dat heb ik altijd gevonden van de Londense vrouwen, dat ze zo mooi zijn. Misschien is het daarom een van mijn uitverkoren steden? Maar ga ik niet om het even waar heen voor de meisjes, de vrouwen? Zijn ze niet overal mooi? Het is zoals met vlinders, onmogelijk te beweren dat er een niet bevallig en sierlijk is. In Londen lopen de vrouwen je in alle kleuren voorbij, veel meer tinten nog dan in Brussel. Net als in Brussel lijken ze dichtbij maar zijn ze toch onbereikbaar. Wat me aan het gedicht over de passante van Baudelaire doet denken. Altijd die droefheid na voor enkele seconden verliefd geweest te zijn op een voorbijgangster of – een ogenblik langer – op een Aphrodite in de metro. Ja, veel meer kleuren, en ook alle stijlen door elkaar, zoals bij Neo Rauch.

tonight-lets-all-make-love-in-london-movie-poster-1967-.jpg

In Tate Modern zie ik de postmoderne massa die wat ‘cultuur wil meepikken’, cultuurtoeristen zoals ik – maar ben ik dan echt niet anders? In de eerste plaats kom ik hier al voor die vlinders, en voor de trottoirs waarboven ze rondfladderen en zich laten bewonderen, voor de straten waar geen eind aan komt, voor de straatnamen, voor de rivier die me sinds 1980 altijd aan the Clash doet denken, die associatie ligt denk ik voor altijd vast. Daarvoor doemde als ik aan de Theems dacht meestal Virginia Woolf op, soms Wiliam Blake, nu al zo lang die bijna militaire dreun, maar de rivier zelf blijft vredig kabbelen. Nooit heb ik de Theems wild gezien.

In Hampstead (juni 2013)

Alessandro Baricco beweert in ‘De barbaren’ dat we nog in de romantische periode leven. Bij het Keats House in Hampstead zou je dat niet meteen zeggen. Geen mens te zien daar. Maar ik kwam er al laat aan, bijna tegen sluitingstijd. In de tuin dacht ik aan de dichter en zijn geliefde Fanny Brawne, aan hun brieven, en aan het lange gedicht dat ‘Bright Star’ heet, nee, niet werkelijk een gedicht maar een film van Jane Campion. Still, still to hear her tender-taken breath, / And so live ever — or else swoon to death. In de tuin daar kwam ik volkomen tot rust, zoals eerder al bij de pagode van Boeddha, waar ik enkele minuten zat te peinzen en me af te vragen of ik toch maar geen boeddhist zou worden, hoewel de zon al stilaan onderging.

9189606159_d5b3edb91b_o.jpg

Londen overspoelt me met namen.  Geen namen van notabelen, van voorzitters en secretarissen van raden van beheer, neen, namen van kunstenaars, schrijvers, grote historische figuren, namen van mensen die hier ooit zijn geboren of naar hier zijn gekomen en van hier de wereld hebben veroverd, sommigen van hen letterlijk. Veel verleden, maar ook veel toekomst in deze straten. Dat laatste heeft deze reusachtige stad gemeen met het kleinere Brussel. De toekomst die aan de jongeren toebehoort, maar ook aan onszelf: we mogen de stad, Brussel bedoel ik nu, niet aan zichzelf overlaten, we moeten haar koesteren, we moeten haar verzorgen, ze is een kwetsbaar, levend organisme. In dat opzicht moet ik zeker mijn leven veranderen. Veel minder in mijn kamer zitten piekeren, tijd verliezen met wachten op dingen die nooit zullen gebeuren, maar buiten gaan, kijken wat er rondom mij gebeurt, nu, en mezelf ook tonen aan de stad, aan de andere mensen. En dan weer zelf met nieuw voedsel thuiskomen.
Welke namen schieten mij nu spontaan te binnen? George Orwell. Shakespeare. Karl Marx. Virginia Woolf. Lytton Strachey. Bloomsbury. Thomas Carlyle (nochtans een Schot). Rolling Stones. Beatles (musicerend op het dak). The Fool (Simon & Marijke). The Clash. Guy Stevens. Abbey Road. Carnaby Street. Hampstead. Primrose Hill. Donovan’s ‘Sunny South Kensington’. Terence Stamp. Julie Christie.
Deze opsomming roept weer een andere op: Borges, Foucault, Eco*, Buñuel, Sebald en, niet vergeten, Don Giovanni. Opsommingen, lijsten, classificaties, reeksen liggen vaak aan de basis van kunst, film, literatuur. Aan de hand van lijsten wordt gepoogd de realiteit te vatten, in te delen, begrijpelijk te maken.

Wat geeft je zo’n aangenaam gevoel in plaatsen als Hampstead? Gaat het om een soort van nostalgie, een verlangen naar wat voorbij is… Een verlangen dat niet naar bevrediging vraagt, dat aan zichzelf genoeg heeft? Een romantisch bewustzijn, geheel voorbijgestreefd door de geest van het postmoderne? Vermoedelijk.

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

In Bradley’s Spanish Bar (juni 2013)

Kunstwerken ontstaan niet toevallig en zeker niet vanzelf. Er is altijd eerst voorbereiding, oefening, geduld, talent, openheid, invloeden, keuze, selectie, verlangen… Is het dat wat ons zo’n ontzag inboezemt, is het daarom dat we op bedevaart gaan naar musea, is het daarom dat we literatuur als heilige tekst beschouwen en muziek als iets goddelijks, een doorlopende boodschap van de engelen?

Vrij vaak heb ik de indruk dat ik in musea en kunstgalerijen heel wat meer vrouwen zie dan mannen. Klopt die vaststelling, of gaat mijn aandacht gewoonweg veel meer naar vrouwen dan naar mannen uit? Zie ik de mannen niet staan? Bovendien ontwaar ik veel meer beelden van vrouwen, portretten van vrouwen – en ik denk aan de vrouwen van Henry James, Dante, Flaubert (hoewel er in de literatuur natuurlijk veel onvergetelijke mannelijke helden voorkomen, de man zonder eigenschappen voorop)… Zijn er nog steeds minder vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars? Dat geloof ik niet. Sinds het midden van de vorige eeuw is er wat dat betreft gelukkig veel veranderd. Toch denk ik soms dat vrouwen meer tevreden zijn met zichzelf, dat ze graag behagen en het bijgevolg niet nodig vinden iets naast zichzelf, iets buiten zichzelf te ontwerpen. Een voorbijgestreefde, romantische gedachte natuurlijk, maar het zij zo. Soms denk ik dat mannen meer van zichzelf vinden dat ze tekortschieten, dat een man iets aan zichzelf moet toevoegen om te kunnen behagen, om het gevoel te krijgen dat er naar hem verlangd kan worden.  Wat een romantische gedachten houden mij toch bezig!

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

*At first, we think that a list is primitive and typical of very early cultures, which had no exact concept of the universe and were therefore limited to listing the characteristics they could name. But, in cultural history, the list has prevailed over and over again. It is by no means merely an expression of primitive cultures. A very clear image of the universe existed in the Middle Ages, and there were lists. A new worldview based on astronomy predominated in the Renaissance and the Baroque era. And there were lists. And the list is certainly prevalent in the postmodern age. It has an irresistible magic.

Umberto Eco, Spiegel International, November 11, 2009

Foto’s: Martin Pulaski, uitgezonderd Viva, Tonite Let’s All Make Love in London, Julie Christie

 

 

 

PRIMROSE HILL

williamblake.jpg
William Blake

Op Primrose Hill zag William Blake een spirituele zon*. Wat is een spirituele zon? Alleen dichters zoals William Blake zelf, zoals Gérard de Nerval, Gerard Manley Hopkins en Lautréamont kunnen daar op antwoorden. Wat zeker is: een spirituele zon kan je verblinden maar kan je ook vanwege haar zwarte stralen in een diepe afgrond storten. Van William Blake is geweten dat hij zowel met engelen als met duivels converseerde. Dat deed hij thuis als hij even niet zat te schrijven, of als hij in zijn blootje in zijn tuin wat zat te dromen. Maar hij deed het op nog andere plaatsen in Londen – zoals op Primrose Hill.

Op 25 mei wandelde ik op mijn beurt naar Primrose Hill. Het was precies een jaar geleden dat ik in de spoedafdeling van het UZ Brussel was opgenomen en in allerijl werd geopereerd, waarna ik in een coma was terechtgekomen die veertien dagen heeft geduurd. Drie keer heeft de dood mij in die dagen in de ogen gekeken.

Op Bob Dylans eenenzeventigste verjaardag slenterde ik over Highgate Cemtery, vooral om er het graf van Karl Marx te bezoeken. Het leek of de man in het hokje waar de kaartjes (drie pond kosten die) werden verkocht op me had zitten wachten. Hoewel hij van Londen afkomstig was sprak hij perfect Nederlands. De meeste Vlamingen zouden het hem niet nadoen (ik heb sommige van hen in Paddington en elders bezig gehoord, ze lijken hun woorden uit te spuwen, zo’n minachting hebben ze voor onze mooie taal). “Geniet nog van de zonnige dag hier op ons mooie kerkhof”, zei de kaartjesverkoper.

’s Nachts had ik gedroomd dat er schorpioenen uit de parketvloer van ons appartement kwamen gekropen. Kleine, grote, reusachtige schorpioenen. Een beet van zo’n beest en je was dood. Degenen die ik het verhaal vertelde geloofden me niet. Of minimaliseerden het. Je hebt toch al heel lang schorpioenen bij ons, zeiden ze, zelfs in Limburg komen ze voor.

In de metro op weg naar Highgate Cemetery zag ik een gifgroen insect over de grijze vloer op me afkomen. Toen ik in Willesden Junction uitstapte zat het akelige beestje al ter hoogte van mijn knie op mijn jeans.

In de Whitechapel Art Gallery kocht ik een Engelse vertaling van ‘Panégyrique’, de merkwaardige autobiografie van Guy Debord.  De radicale denker weet dat zijn Frans zo klassiek, dus helder en duidelijk, is dat het perfect in andere talen vertaald kan worden. Al helemaal in het begin verwijst hij naar Li Po, de Chinese dichter die leefde en werkte tijdens de Tang-dynastie: “’Deceitful time hides its traces from us, but it goes swiftly by,’ writes the poet Li Po, who adds: ‘Perhaps you still retain youth’s light heart / but your hair is already white; and what use is complaining?’” En Debord voegt eraan toe: “I don’t intend to complain about anything, and certainly not about the way I have been able to live.”

Alles is vergankelijk. Die vergankelijkheid zit vol contradicties. Op Primrose Hill zat ik op een bank even uit te rusten (ik had de avond tevoren nogal veel bier gedronken in pubs). Een meisje kwam op me af en vroeg me uiterst beleefd of ze naast me mocht komen zitten op de brede bank. Iets dergelijks heb ik nooit meegemaakt. Als ik hier in Brussel op een bank zit, moet ik bijna naar de wapens grijpen om niet van mijn plaats te worden weggejaagd. Niet dat ik wapens bezit, maar ik denk er wel aan om me toch een keer naar de zwarte markt te begeven, waar ik me dan zo’n mooie Smith & Wesson zal aanschaffen. Want genoeg is genoeg, denk ik soms. Wat denk jij?
Wat later bovenop de heuvel, vanwaar je heel Londen kunt zien, joeg een arbeider met norse stem mij weg van de plek waar ik stond, net voor de inscriptie ‘William Blake’. Van die inscriptie wilde ik gewoonweg een foto maken. De arbeider was woest: ik had zo’n plastic rood en wit lint niet gezien en stond nu op verboden terrein, er lagen wat kiezelsteentjes die nog moesten bijeengeveegd worden. Ik verontschuldigde me, hij bleef me aankijken met bijna moordlustige blik.

Weer naar beneden wandelend, richting Chalk Fam, begreep ik wat William Blake bedoelde toen hij schreef dat hij zowel met engelen als duivels converseerde. Daar had ik Primrose Hill voor nodig, en de felle spirituele zon van 25 mei 2012.

*”Here Blake had the vision which he recounted to Crabb Robinson: “‘You never saw the spiritual Sun. I have. I saw him on Primrose Hill.’ He said, ‘Do you take me for the Greek Apollo?’ ‘No!’ I said. ‘That (pointing to the sky), that is the Greek Apollo. He is Satan.”” S. Foster Damon, A Blake Dictionary, Thames and Hudson, London, 1965.