HERINNERINGEN AAN SIR DOUGLAS QUINTET EN ‘MENDOCINO’

Hoe begin ik dit verhaal over Doug Sahm, een man die ik al meer dan een halve eeuw bewonder en vereer, als muzikant, als songschrijver, als zanger, als levende jukebox en muziekarcheoloog, als mens?
Zijn warme stem hoorde ik voor het eerst omstreeks mijn vijftiende op de kermissen in de Maasvallei, in Rekem, Neerharen en Lanaken. Foorkramers in de jaren zestig draaiden altijd geweldige pop, sexy, opwindend, roekeloos en luider dan het geronk van zeven Harley Davidsons. Het zal in de zomer van 1965 geweest zijn dat ik bij de botsauto’s voor het eerst ‘She’s About A Mover’ van Sir Douglas Quintet hoorde. Opwindender had ik pop, of noem het maar rock-‘n-roll, slechts zelden meegemaakt. Voorgangers waren ‘Hound Dog’ van Elvis, ‘Twist and Shout’ in de versie van the Beatles en ‘It’s All Over Now’ in de versie van the Rolling Stones. Die schallende stem, dat opzwepende orgeltje, die afgemeten slaggitaar. “Well she was walking down the street, looking fine as she could be…” Je zag het meisje van je dromen zo voor je uit lopen, haar fijne, lange haren wapperend in de zomerbries. Beter nog: je zag haar in een van die veelkleurige botsauto’s zachtaardig agressief maneuvreren en je ging meteen achter haar aan. Heel even werd je een kleine veroveraar. Hoewel dat heel even best lang duurde, herinner ik me nu. Het waren van de mooiste twee minuten en drieëntwintig seconden die een jongen in die tijd en in dat milieu kon meemaken. Wow yeah, what I say…

Natuurlijk wist ik helemaal niet wie die Sir Douglas Quintet was. Het bleek een groepje uit Texas te zijn dat zich, op bevel van Amerikaanse dollarmensen, voordeed als een stelletje Britse popmuzikanten, een radertje in de geldmachine die British Invasion werd genoemd. Wat niet zo’n perfect plan was en bijgevolg gedoemd te mislukken: de groep zag er vooral Mexicaans uit en de muziek klonk al evenmin Brits. Het was eerder een mix van rhythm-and-blues en Tex-mex. Maar gelukkig voor de magnaten, voor de jongens van het Quintet en voor de fans was ‘She’s About A Mover’ een hit: nummer 13 op de Amerikaanse hitparade.

cof

Pas vier jaar later, in de zomer van 1969, toen uit alle radio’s en jukeboxen in dit land het heerlijke, opgewekte ‘Mendocino’ kwam geschald, zou ik meer te weten komen over Sir Douglas Quintet en wie die Sir Douglas nou precies was. Doug Sahm, zo bleek de zanger en bandleader te heten, was afkomstig uit San Antonio, in Texas, een van de fijnste Amerikaanse steden. De schrijver Milan Ryzl, van wie ik werk vertaald en bewerkt heb, drukte me ooit op het hart die stad zeker met een bezoek te vereren. Ze lijkt wat op Brugge, voegde hij eraan toe. Maar daar leek San Antonio net zo min op als de leden van the Sir Douglas Quintet op Angelsaksische jongens. Ik heb er wel de allerbeste margarita ’s ooit gedronken. En er zijn grachten. Doug Sahm zong al voor de radio op zijn vijfde. Op zijn twaalfde stond hij samen met de grote Hank Williams op een podium in Austin, Texas. Al gauw raakte Doug vertrouwd met country, blues, polka en nog veel meer genres (die nu grotendeels onder de noemer ‘Americana’ worden ondergebracht). San Antonio en omgeving was een smeltkroes van Mexicaanse, Boheemse, Poolse, Tsjecho-Slovaakse, Duitse en Afro-Amerikaanse culturen. Als je goed luistert, kun je al die invloeden horen in de muziek van Sir Douglas Quintet. De band werd in 1964 opgericht en bestond uit Doug Sahm (zang, gitaar, viool), Augie Meyers (orgel), Jack Barber (basgitaar), Frank Morin (saxofoon, trompet en keyboards) en Johnny Perez (drums). In 1969 nam Harvey Kagan de plaats van Jack Barber in op bas. Na de eerste successen in Texas verhuisde de band naar San Francisco, op dat ogenblik het centrum van de hippiebeweging en de undergroundmuziek. Hoewel de hartelijke, heel open rock-‘n-roll sound van Doug Sahm en zijn amigos de musica helemaal niet zo paste in die psychedelische scene, met de typische zweverige jams van the Grateful Dead, Jefferson Airplane en Quicksilver Messenger Service.
De elpee ‘Mendocino’ [1] verscheen in april 1969 op het Smash label. Wat een heerlijke verzameling songs is dat toch nog altijd, met zoveel muzikale rijkdom: warme pop (‘Mendocino’), trage folkrock (‘I Don’t Want’), Texaanse, hartverscheurende soul (‘At the Crossroads’), Tex-mex met een Beatles-touch (‘If You Really Want Me To I’ll Go…’), pure country (‘Texas Me’) en hardere blues rock (‘It Just Don’t Matter’).

Het is zeker niet de enige langspeelplaat van Sir Douglas Quintet / Doug Sahm die grotendeels buiten de tijd staat en nog steeds een plezier is om te beluisteren en om op te dansen. ‘1+1+1=4’ (1970), ‘Together After Five’ (1970) en ‘The Return of Doug Saldaña’ (1971) zijn minstens even goed. En dan zijn er ook nog de legendarische opnames voor het Atlantic label en andere voortreffelijke soloalbums, waaronder het meesterwerk ‘Doug Sahm & Band’ (1972) met gastmuzikanten als Bob Dylan, Dr. John, David “Fathead” Newman, Flaco Jimenez, David Bromberg en Kenny Kosek. Maar dat is een ander verhaal.

Weer een ander en buitengewoon mooi maar ook bizar verhaal is dat van een concert van Sir Douglas Quintet, met zowat alle originele leden opnieuw samen, dat ik bijwoonde op 29 mei 1983 in Hof Ter Lo in Antwerpen [2]. Ik was er met mijn beste vrienden en ik was uitzinnig van geluk, hoewel ik mij de dagen voordien en zelfs enkele uren voor ik me naar de concertzaal begaf nog diep bedroefd en zelfs wanhopig voelde. Het zou me te ver voeren om die herinneringen nu op te rakelen. Alleen dit: Doug Sahm bewees een hele avond lang, heel lang, dat hij een levende jukebox was, een jukebox met een ziel en een warme menselijke stem. En een groot hart. Datzelfde hart begaf het in de nacht van 18 november 1999 in een motel in Taos, New Mexico.

burst

[1] Dit is het vijfde deel in een reeks gewijd aan elpees die een blijvende invloed op mijn leven hebben gehad. Het gaat hier helemaal niet om wat ik de beste of meest baanbrekende albums vind, of iets dergelijks. (Maar ik sluit niets uit, zelfs geen ‘meesterwerken’.)

[2] Ik heb de setlist van dat concert op 29 mei 1983 in Hof Ter Lo teruggevonden.

It Was Fun While It Lasted
I Keep Wishing for You
Sheila Tequila
Born on the Bayou
Suzie Q
Folsom Prison Blues
Down in the Heart of Mexico
Who Were You Thinking Of
Nuevo Laredo
I Love You a Thousand Ways
Papa Ain’t Salty
Kansas City
(Is Anybody Going To) San Antone
Wasted Days and Wasted Nights
She’s A Dynamite Woman
At the Crossroads
She’s About a Mover
Texas Tornado
Little Georgie Baker
I Know You Know
Deep in the Heart of Texas
96 Tears
You’re Gonna Miss Me
Mendocino
Adios Mexico

Encore:

Stagger Lee
Wooly Bully
Green River
The Last Time

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (2)

kinderdorprekem9.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (vroege ochtend)

In mijn dromen heb ik geen leeftijd, hoewel ik me vermoedelijk als jong ervaar. Ik ben niet aanwezig in mijn dromen. Maar wie ben ik daar dan eigenlijk? Misschien is het zogenaamde echte ‘ik’ en is het echte leven alleen maar schaduw van wat zich in de droom voordoet? Telkens als ik ‘ The Dark Is Rising’ hoor, dat liedje van Mercury Rev, krijg ik de tranen in de ogen als Jonathan Donahue ‘In my dreams I’m always strong’ zingt. Maar laat ik niet al te platonisch worden. Het is zo al erg genoeg met de liefde gesteld.

kinderdorprekem3.jpg

Ik zal het maar een mooie droom noemen. De tijd bestond niet. Nee, er bestonden meerdere tijden, die zich met elkaar vermengden als nog goudgele maar toch al rottende bladeren met zwarte modder. Ik liep hand in hand met een jong blond meisje, zeventien ongeveer en naar het me nu voorkomt uit Nederland afkomstig. Ze sprak met dat mooie Hollandse accent uit de jaren zestig. Ik was zielsgelukkig in haar nabijheid. Haar hand, die ik stevig vasthield, was een talisman, een bron van onbenoembare vreugde. Ze leek wat op mijn jeugdvriendinnetje Henriëtte P., maar als ik nu een blik werp op de enige foto die ik van Henriëtte heb zie ik dat ze slechts een schaduw is van het blonde meisje uit Nederland. Terwijl ik droomde voelde ik passie, sensualiteit, maar zonder de seksuele component. Je zou kunnen zeggen dat het om een emotie ging die het zinnelijke en het geestelijke oversteeg. Zoals de tijden versmolten ook die hoedanigheden met elkaar. Met het volwassen worden verliezen we zulke emoties uit het oog, of misschien herinneren we ze ons nog wel maar we hebben er geen toegang meer toe. Toch niet als we denken wakker te zijn en onze dagelijkse dingen doen.

DANTE BEATRICE.jpg

Het dicht bij elkaar zijn en mijn lichte kussen op haar lichte, roze lippen. We liepen over een bospad op weg naar het Kinderdorp Molenberg. Hoewel ik haar gids was zal ik haar voor het gemak Beatrice noemen. Zo hebben we een cultureel referentiepunt dat niet eens op toeval berust. Het meisje heette echt Beatrice, net zoals de koningin van haar land van herkomst. In het Kinderdorp was in al die jaren niets veranderd. Zelf waren we ook niet noemenswaardig veranderd. Al die tijd hadden we daar hand in hand in de klas van juffrouw B. gezeten en kort voor zonsondergang door de bossen gedoold (zonder ooit te verdwalen). Soms had ik haar Veronica genoemd. Want het gebeurde meer dan eens dat ze me vroeg: hoe heet ik nou eigenlijk, lieveling? Alleen in de kapel waar ik elke dag naar de mis ging en van mijn latere leven als priester zat te dromen was het kleine maar rijkversierde koorgestoelte verdwenen. Op de trap naar het vliegtuig een laatste zachte kus, een laatste zoete glimlach. En nu vliegt datzelfde vliegtuig hier hoog boven me voorbij. Westwaarts. Door mijn raam kan ik het zien glinsteren in de zon, een kleine, zilveren talisman, voor lange tijd onderweg naar een andere, nog onbekende tijd.

right stuff.png

 

DE VERLOREN KUNST VAN HET BRIEVEN SCHRIJVEN

helen1 001 (3).jpg

My house ain’t done, but it’s alright
Floors ain’t level, but I ain’t some suburban
Who cares about bathroom tiles
Straight lines and building codes and Chinese wind chimes
Mark Kozelek, ‘Gustavo’

Mijn leven is altijd een droom geweest en soms een droom in een droom. Als ik hier was verlangde ik ernaar daar te zijn en was ik daar dan wilde ik weer terugkeren naar hier. Meestal kwam het erop neer dat ik niet in deze wereld wilde zijn, maar in een andere, een betere, in een utopia. Of op Mars, mocht er daar leven zijn. De tijd maakt je echter moe, het leven wordt zwaarder om te dragen; daarom blijf je liever thuis en ga je in je herinneringen op zoek naar daar. Van sommige zulke reizen keer je met volle koffers terug. Maar vergis je niet: soms heb je zelfs geen schoenen meer aan je voeten.

Een tijdje geleden vertelde ik mijn vriend Neil over mijn teruggevonden notities uit de jaren zeventig aangaande Antonin Artaud. Het was een volkomen verrassing geweest: ik was vergeten dat ik ooit zoveel over de vervloekte schrijver had genoteerd; mijn handschrift leek dat van een vreemde snoeshaan, hoewel het tegelijk toch ook iets vertrouwds had behouden. Al gauw zetten we aan ons gezellig tafeltje, genietend van een glas Saison Dupont, de stap naar de snelle communicatie van tegenwoordig. Bijvoorbeeld hoe vlug familieleden en vrienden tegenwoordig ongerust zijn als je een poosje niets van je laat horen. Om de vijf minuten ongeveer moet je een signaal geven dat je nog bestaat. Je zou wel eens van de aardbol verdwenen kunnen zijn. Dood of misschien wel door aliens  naar Mars ontvoerd. De mensen vandaag de dag denken aan alles en nog wat maar kennelijk toch vooral aan rampen en catastrofes. “Er is veel rampspoed in de wereld,” schreef Hermann Harry Schmitz omstreeks 1916, “maar je moet er oog voor hebben”. Nu lijkt het er sterk op dat iedereen daar oog voor heeft.

Dat was veertig jaar geleden wel anders. Niet eens zo lang. In de jaren negentig kreeg Neil nog fanmail, vertelde hij me. Dat waren echte papieren brieven die in een postbus moesten worden afgehaald. Daarna werden het e-mails, en dat is nu ook gedaan. De e-mails, die toch nog iets persoonlijks hadden, zijn door internetfora vervangen. De ‘fans’ hebben genoeg aan elkaar, de liedkunstenaar is haast overbodig geworden. Ja, de kunstenaar wordt geheel overbodig, tenzij als komiek of panellid op televisie. Zijn werk bekijken we op leuke plaatjes op daarin gespecialiseerde websites. Sommige van mijn tijdgenoten kennen op die manier de hele kunstgeschiedenis beter dan Jakob Burkchardt de Italiaanse renaissance.

De kunst van het brieven schrijven dreigt verloren te gaan. Een verarming van de alledaagse communicatie omdat snelheid zo goed als altijd kwaliteitsverlies betekent en tevens een verarming van de wereldliteratuur. Denk aan de correspondentie van Kafka, Van Gogh, Pessoa, Strindberg, Flaubert. Zulke brieven zullen waarschijnlijk nooit meer worden geschreven.

Ik vertelde Neil over mijn correspondentie die duurde van omstreeks 1968 tot september 1969 met mijn pen pal in Istanbul. Het meisje heette Elena Chrisopoulou maar ik noemde haar Helen (zijzelf noemde zich ook zo). Helen was geen Turkse, zelfs geen Trojaanse maar een Griekse. Haar ouders waren rijke handelaars, zij daarentegen een hippiemeisje, opstandig, erg gekant tegen het autoritaire gezin en het materialisme van haar omgeving. Ze wilde uit dat burgerlijke milieu ontsnappen, net zoals ik het kleurloze, verstikkende internaatsleven in de provinciestad Tongeren voor goed achter me wilde laten. In mijn verbeelding was Istanbul de hoofdstad van het beloofde land: alles daar was betoverend en exotisch. Later besefte ik dat dat een romantische verblinding was geweest, het oriëntalisme, waar de jonge Flaubert ook al aan had geleden.

Een aantal van Helens brieven bezit ik nog; het leeuwendeel heb ik verbrand. Dat komt ervan als je verliefd wordt op een jaloers meisje. Niet dat ik niet aan die kwaal onderhevig was en nog steeds ben: ik was nog een graad erger, maar ik heb mijn liefje nooit gevraagd wat dan ook te verbranden. Misschien was er ook helemaal niets om te verbranden, dat zal ik wel nooit weten. Ik geloof dat ik gewoon niet jaloers was op het vroegere liefdesleven van mijn geliefde, alleen was ik het in overdreven mate op wat in het heden gebeurde. Maar psychologie laat ik, zeker in dit geval, liever aan anderen over.

Helen en ik schreven elkaar naast brieven ook liefdesgedichten, maar die heb ik tot mijn grote spijt niet meer. Ongetwijfeld ook in rook opgegaan, alsof ik er opeens in het licht van de nieuwe liefde bewijzen in zag van wangedrag, van ontrouw. Ik geloof echter niet dat er ooit onschuldiger woorden op papier zijn gezet. Hoewel: waar zouden de talloze brieven en gedichten die ik Helen stuurde nu zijn? In schoendozen ergens in Istanbul, of ook ten prooi gevallen aan het vuur – of het water, want water is er veel in en rondom die stad?

De brieven en gedichten waren op lichtblauw luchtpostpapier geschreven, zo licht dat je moest oppassen of een briesje ging ermee aan de haal. Zeker op zomerzondagen, als ik op het schip voor het open raam op mijn Olivetti – in een eerdere tekst maakte ik er een Remington van, maar het was in werkelijkheid een Olivetti – zat te schrijven, tien bladzijden was de afspraak, als mijn moeder naar de mis was en mijn vader op snoek zat te vissen of, heel af en toe, zijn roes lag uit te slapen. De blauwe briefjes vormden na een tweetal uren een kwetsbaar stapeltje. Maar de wind deed er niets mee; hij wachtte op de wreedheid van het vuur.

bio6 001.jpg

In die brieven – begonnen in de tijd van flower power, liever lief zijn, utopische dromen van een betere wereld – ontstond een zacht en veelkleurig wereldbeeld, een ideale ruimte waarin alleen Helen, ikzelf en enkele verwante zielen pasten. In dat Utopia zouden wij leven van zon, aarde, zee, liefde, de elementen in perfecte harmonie. Veel van onze inspiratie kwam uit liedjes van Donovan (zijn ‘Sunshine Superman’ was hét voorbeeld), the Doors, Jefferson Airplane, Love (meer ‘Da Capo’ dan ‘Forever Changes’) en the Rolling Stones, vooral die van ‘Their Satanic Majesties Request’. We zouden elkaar in Istanbul ontmoeten en vandaar verder reizen, in grotten wonen en leven van visvangst. Later hoorde ik dat er echt hippies waren geweest die zo hadden geleefd. Best mogelijk dat ze er nog zijn. Ik heb op Kreta ooit zo’n Duitse grotbewoner ontmoet. Dat was in de zomer van 1990. Alles was daar nu verknoeid, zei hij, we hadden twintig jaar eerder moeten komen. Nog een geluk dat dat niet is gebeurd. Waarom zou ik twintig jaar terugreizen in de tijd om de omgeving, de plaatselijke cultuur op dat ooit schitterende en rijke eiland te verwoesten?

donovan sunshine superman.jpg

Toch waren onze plannen op dat blauwe luchtpostpapier behoorlijk concreet. Een ding was zeker: ik moest mijn middelbare school afmaken. Daar maakte Helen zich veel zorgen over, omdat ik in mijn brieven zo vaak mijn beklag deed over de school, de mentaliteit van het onderwijzend personeel en van de prefect. Ook dat ik zo’n afkeer had van wiskunde baarde haar zorgen. Ik was toch altijd een goede leerling geweest? En nu wilde ik al die onzin de rug toekeren. Dat en veel andere dingen die ik vergeten was heb ik de voorbije dagen in haar brieven teruggevonden.

We waren ongeduldig als tieners maar hadden het geduld van wijze volwassenen. Over mijn liefde voor Helen praatte ik met mijn moeder. Ik had de indruk dat ze die liefdegeschiedenis ontroerend, avontuurlijk vond. Het waren dingen waar ze in haar jeugd wellicht zelf naar had verlangd. De lokroep van een avontuurlijk bestaan. Dat was in haar tijd Parijs. Bij ons was het het psychedelische en bewustzijnsverruimende Oosten, Turkije, Afghanistan, Nepal. Ook mijn broer, zes jaar ouder dan ik, vertelde ik verhalen over mijn Helen, over wat we zouden doen. Hij zou met me naar Istanbul rijden. Maar van wat zouden we leven? Dat zouden we wel zien, zei ik.

In die brieven leefde ik een ander leven, een dromend bestaan. Maar in Tongeren, in Hasselt, in Maastricht en in Neerharen had ik ook echte vrienden en vriendinnen – van vlees en bloed. Met hen maakte ik veel concretere plannen. Ik ontmoette meisjes, kende momenten van geluk en extase. Buiten de schoolmuren was het leven niet eens zo slecht. Meer en meer keerden de jongeren zich af van de vermolmde regels en wetten die hen sinds mensenheugenis hadden belet om vrij en gelukkig te zijn. Ik raakte geïnteresseerd in film, theater, filosofie. Wat nabij was kwam nog dichterbij, de verre dromen werden abstracter, minder tastbaar; Helen werd nu meer een Moonchild, een personage uit een sprookje, dan ooit tevoren. Rondom liet het echte leven van zich horen. Ik zette mijn eerste stappen in wat ik voor de echte wereld aanzag.

Zo werd de kunst van het brieven schrijven, zoals ik die in die tijd beoefende, opgeofferd aan de liefde. Het ideaal en de droom aan het echte leven. Abrupt zette ik een punt achter de correspondentie.  Helen was radeloos. Ze schreef mijn moeder aan in een rudimentair Frans, waarop zij in een nog kaler Frans, beweerde ze, antwoordde dat ik een meisje had gevonden, de liefde van mijn leven. Ze vroeg Helen om begrip. Istanbul is zo ver voor Martin, schreef ze op hetzelfde blauwe luchtpostpapier als dat van mij, en Brussel zo dichtbij.

IMG_0954.JPG

 

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was, en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen – ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis en net als de personages die de liedjes die ik zo graag hoorde bevolkten geen echt vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Ik ben geen zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt, ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten ‘Vrouwe van Neerharen’. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren zeer vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen – bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af en kreeg ik vrienden. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van mijn vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.

1968m 001

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Mijn beste vrienden wonen er, maar ik kon er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, veel meer dan in New York, Londen of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland. Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Maar waarom lig ik dan zo vaak wakker?

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken


DE LACHENDE JONGEN

mitzietc.jpg

“‘Zie je nu wel, dat ik niet weet waar ik thuis hoor. Daarom ben ik maar weggegaan.”
‘Blijf bij ons, meneer d’Arrast, ik van jou houden.’
‘Ik zou wel willen, Socrates, maar ik kan niet dansen.'”
Albert Camus, De steen, in: Koninkrijk en ballingschap, 1957.

Ergens in Limburg tijdens een lange hete zomer op het einde van de jaren vijftig. Wie heeft de foto gemaakt? Mijn vader wellicht. Het zal in de periode geweest zijn toen hij pas zijn eerste auto had gekocht, een Ford Consul. We zullen een van die schaarse uitstapjes hebben gemaakt. Schaars, want mijn vader verafschuwde uitstapjes. Maar dit was er een. Hoewel ik het mij niet meer kan herinneren weet ik dat ik op die dag bijzonder gelukkig was. Ik geloof dat er niet een foto van mij bestaat, als kind, jongere, of volwassene, waar ik zo stralend lach. Een geluk heeft zich helemaal meester van me gemaakt.

Op de foto ben ik in het gezelschap van wat ik in die periode als mijn tweede moeder beschouwde: Mitzi, die uit Hongarije kwam en mij door haar verhalen en haar kookkunst veel liefde voor dat zo mysterieuze land heeft bijgebracht. Naast Mitzi knielt haar dochter Brigitta neer, misschien om bloemen te plukken voor mijn broer, hoewel bloemen plukken niet echt iets was voor iemand die zo door en door rock & roll was. En dan, de reden van mijn geluk, de appel van mijn toenmalige ogen, Henriette, de jongste, beeldschone dochter van Mitzi. Voor ‘echte’ liefde waren we nog te jong, en toch was ik smoorverliefd op haar. Zij heeft me niet alleen leren beminnen (op een deugdzame manier, hoewel mijn fantasieën wellicht al niet meer zo deugdzaam waren) maar door haar heb ik ook geleerd wat liefdesverdriet is. Dat was op de dag dat zij samen met haar ouders verhuisde naar een dorp ver weg, ergens aan het einde van de wereld; alleszins buiten de provincie Limburg.

Hoe mooi een dag ook is: er zit altijd melancholie in opgeborgen.

Ruim vijftig jaar later nu, en de wereld op die foto is al onherkenbaar, zelfs voor degenen zoals ik die daar geleefd, liefgehad en getreurd hebben. Maar zijn we niet blij en tevreden dan dat we nog hebben mogen vertoeven in dat koninkrijk, ook al wonen we nu al zo lang in ballingschap?

TERUG NAAR DE NATUUR v

roken3.jpg
Martin Pulaski rookt, 1971. Foto: Vivian S.

Het idyllische leven, het ‘terug naar de natuur’, het geloof in de fundamentele goedheid van de mens en de mogelijkheid de wereld beter te maken, wat de basis van de ‘tegencultuur’ was, kent – zoals iedereen die wat geleefd heeft weet – een donkere, en gewelddadige keerzijde. Net zoals Altamont niet de hel op aarde was, was Woodstock niet het paradijs. Het is altijd belangrijk dat je voldoende nuanceert. Toch is de grens tussen liefde en haat, tussen oorlog en vrede, tussen altruïsme en egoïsme, tussen natuur en cultuur, bijna net zo onzichtbaar als ‘echte’ grenzen dat zijn.

De foto’s in ‘Voyeur’ en ‘Terug naar de natuur i, ii, iii en iv’ vond ik een paar dagen geleden terug. We studeerden in die wonderlijke dagen, zo lang geleden, het lijkt wel een andere wereld, fotografie en filosofie en lieten ons sterk beïnvloeden door de utopische films die toen populair waren, het theater van Julian Beck & Judith Malina, de boeken van Norman O. Brown, Theodore Roszak, Alexandra Kollontai, Angela Davis en Henry David Thoreau. We dompelden ons onder in muziek van Incredible String Band, Quicksilver Messenger Service, Moby Grape en the Byrds en Dylans ‘Nashville Skyline’, ‘Selfportrait’ en ‘New Morning’. We sloten onze deuren niet. Ander ‘langharig werkschuw tuig’ was welkom. Maar tegelijk lazen we gefascineerd in Ed Sanders’ boek over Charles Manson, in Truman Capote’s ‘In Cold Blood’, luisterden we naar ‘White Light/White Heat’ en ‘Positively 4th Street’, en kregen we een kick van Clint Eastwood in Don Siegel’s ‘Dirty Harry’ en van Dustin Hoffman en Susan George in Sam Peckinpahs ‘Straw Dogs’.

Deze beelden tonen hoe op een idyllische dag in een pastorale omgeving een gefrustreerde man onze innigheid kwam verstoren. Voor hem zal zijn voyeurisme de normaalste zaak van de wereld geweest zijn, voor ons ging het om brutaal en schokkend gedrag.  Nadat we ontdekt hadden hoe hij ons had staan begluren nam hij rustig zijn fiets bij de hand en verdween in de schaduw van de dennenbomen.

EMANATIES VAN EEN NAAM

contes_immoraux_1974_portrait_.jpg

Veronica Satory was het eerste meisje waar ik van hield. Ik was elf of twaalf en zij ongeveer even jong. Ik zat vanwege gezondheidsproblemen opgesloten in een kolonie in de dennenbossen van Limburg. ‘In the pines where the sun never shines’, maar zonder moord en doodslag. Vier lange jaren heb ik daar in god geloofd, ik ben er zelfs misdienaar geweest, dacht dat ik een roeping had. Misschien zou ik zelfs priester worden. Ik kende grote stukken uit de Evangeliën uit het hoofd. Ik leerde er van de natuur houden, van al het niet-menselijke dat mij omringde.  De meeste jongens en meisjes verbleven maar drie maanden in het Kinderdorp; ik werd na die vier jaar weggestuurd vanwege zondigheid, vooral onkuise gedachten. Op mijn dertiende was het gedaan met god, alleen de duivel bleef over. En iedereen weet dat de duivel in die dagen rock & roll danste. De mensen noemden hem Elvis en soms zelfs Little Richard.

Maar ik wilde het over mijn eerste prille liefde hebben, Veronica. Zoals bijna al mijn andere vriendjes daar heb ik ook Veronica maar drie maanden gekend. Drie intense maanden. Wat een troost bracht zij in dat eenzame bestaan, ver weg van vader, moeder en broer. Meer troost dan god en al zijn engelen, hoe gelovig ik ook was. Of was Veronica zelf een engel, misschien? Mijn herinneringen aan haar zijn vaag. Altijd al een slecht geheugen gehad, tenzij voor namen en woorden. Als ik aan haar denk zie ik haar zoals ze op de foto staat, maar dan in kleuren, met een blauwe pull en rok aan. Ik herinner me de zachtheid van haar hand, en dat ik wegsmolt, even snel als flinterdun ijs zodra de dooi inzet, als ik die even aan mocht raken. Mijn eerste meisje heeft mij voor altijd betoverd, heeft mij, ondanks mijn verlegenheid, altijd toenadering doen zoeken tot meisjes, tot vrouwen. En altijd heb ik het gezelschap van vrouwen boven dat van mannen verkozen, wat me vaak heeft doen lijden, omdat de gevoelens, de aantrekkingskracht lang niet altijd wederzijds waren.

Het is mogelijk dat ik verliefd was op haar naam: Veronica Satory. Wat zit daar niet allemaal in… Alleen al die klankrijke opeenvolging van klinkers; de u uitgezonderd komen ze er allemaal in voor, in een perfecte volgorde, mooier zelfs dan in de gedichten van Guido Gezelle en Gerard Manley Hopkins, toevallig of niet beiden priesters. De naam die ik voor mezelf heb gekozen, Martin Pulaski, is zelfs niet zo rijk aan klanken. Er komt e noch o in voor: o de mooiste letter, en e de elegantste en de lekkerste. Zo lekker dat ze zelf alles graag op wil eten. Wat een slechte keuze heb ik gemaakt. In Veronica Satory’s naam is – hoe kan het anders – o de mooiste letter. Doch wat houd ik eveneens van de y, waar je limonade of heel fris water uit kunt drinken, water uit de beek daar diep in het bos.

Veronica is Vera Icona, het ware beeld. Vero. Ze is onirisch: daardoor heb ik zo vaak van haar gedroomd, ook in mijn wakend leven. In dromen is ze altijd heel dichtbij, terwijl ze toch vaak zo ver is – zoals haar voornaam al aangeeft. Even ver als de etende e uit mijn kinderjaren en het Konika-fototoestel, eerst op de markt gebracht door apotheker Rokusaburo Sugiura, dat ik mij niet kon veroorloven: ik kon slechts een foto van haar maken met de meest eenvoudige en goedkope boxcamera van Kodak. Veronica brengt harmonie in de wereld en als ze zingt als de engel die ze is begeleidt ze zichzelf op een zilveren mondharmonica.

Satory – een sater zou je zeggen, maar dat is ze niet. Ze is ook geen duivelin, ze heeft niets met rock & roll. Haar gezang lijkt eerder op rembetika, of Ierse volksliederen, of Hongaarse (zoals je ze hoort in de ‘Rode Psalm’ van  Miklós Jancsó). Nee geen sater is Veronica Satory. En ze heeft niets gemeen met Elisabeth Báthory, de adellijke massamoordenaar uit de 17de eeuw – nochtans mooi in beeld gebracht door Walerian Borowczyk in zijn ‘Contes Immoraux’. Bij nader inzien heeft Veronica misschien toch wel iets gemeenschappelijk met de filmische Elisabeth Báthory, het erotische, het perverse, maar dat is in het beste geval alleen maar latent aanwezig.

Veeleer is ze iemand die je satori schenkt, de eerste stap naar verlichting. Dat wist ik natuurlijk niet toen ik elf jaar was. Pas tien jaar later las ik Jack Kerouacs ‘Satori In Paris’ (uit 1966). Kerouac omschrijft ‘satori’ als volgt: “the Japanese word for “sudden illumination”, “sudden awakening” or simply “kick in the eye”.” En zo wil ik het onthouden. Zo wil ik haar onthouden, zo heb ik haar ontmoet: als een plotse verlichting, een licht in mijn donkere gelovige ziel.

Als ik haar naam geschreven zie staan denk ik heel vaak aan nog een ander boek, niet vanwege het verhaal, maar vanwege de fascinatie van de schrijver voor klanken en lettergrepen: ‘Lolita’, van Vladimir Nabokov. Hoe schitterend dat boek begint: “LOLITA, LIGHT OF MY life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three on the teeth. Lo. Lee. Ta.”

Met deze historische woorden, lettergrepen, verlaat ik het pijnboombos, het bos van smarten, neem ik afscheid, misschien voor altijd, van Veronica Satory. Haar beeld is nu gered: voor eeuwig zal het rondzwerven in de cyberwereld.

dooddanstrockenroll.jpg

Uitgeleend aan Guillaume Bijl voor een tentoonstelling in Plan K. Boeken uitlenen is geen goed idee, tenzij je een bibliotheek bent.

Afbeelding boven: Paloma Picasso als Elisabeth Báthory, in ‘Contes Immoraux’ van Walerian Borowczyk.