DE MAN IN DE SCHADUW*

MAN IN SCHADUW.jpg

Vanuit een raam in mijn warme kamer in Sint-Jan, waar gisteren de aders van en naar mijn hart in kaart werden gebracht, zie ik de zonsondergang boven Brussel in de herfst. De lucht en de gebouwen kleuren eerst rood, dan paars: links de Inno, nog steeds een reusachtige graftombe, rechts het dak van City 2 en daarachter het Sheraton. Wat lager recht tegenover deze luxueuze kamer een grote parking die me zomaar opeens de kans biedt om me in een andere man te verplaatsen, een man in de schaduw, die wegrijdt naar een vooralsnog onbekende bestemming.

De man in de schaduw begeeft zich naar de luchthaven van Brussel. Daar neemt hij een vliegtuig naar São Paolo. Na allerlei onnoemelijke avonturen met zakenlui en onberispelijke vrouwen in steden rondom het inkrimpend regenwoud – elke tien seconden een voetbalveld, beweren de media – keert hij naar zijn vertrouwde woning terug. Hij heeft zijn huis ‘Sloop John B’ genoemd, naar het volkslied over de sloep, met aan boord een bende dronken matrozen die zo graag weer naar huis willen. In de brievenbus ligt een pijnlijk bericht op hem te wachten. Wat erin staat weten we niet. Wel aanschouwen we het verkrampte gezicht van de man in de schaduw. Je hebt het al eerder gezien, in een video van Jesper Just. ‘No Man Is An Island’. ‘It Will End In Tears’. We horen hem huilen. Het lijkt of we zijn verdriet kunnen voelen, maar dat is niet zo. We weten nagenoeg niets van elkaar.
De man gaat aan zijn laptop zitten en maakt een lijst van dingen die hij wellicht nooit meer zal doen:

Van de eenzaamheid en de regen genieten.
Op parkeerplaatsen aan ziekenhuizen rondhangen.
Dromen van een beter leven en een betere wereld.
Langer dan een halve dag in Triëst verblijven.
Ongeschonden Tim Buckley’s ‘Blue Afternoon’ beluisteren.
Zonder verdriet in een oude lift stappen. Denk aan de lift naar het Strindbergmuseum in Stockholm.
Zich ‘Sister Ray’ herinneren alsof het een onschuldig lied is.
Kersentaart eten op het terras van Châlet Robinson in het Terkamerenbos.
De regen altijd de regen.
Sigarettenrook inhaleren als was het zuurstof.
Pasfoto’s maken in een automaat in het Zuidstation in Brussel.
Champagne drinken alsof het Saison Dupont is en Saison Dupont alsof het champagne is.
Dronken worden zonder er iets van te voelen.
Als in een romantische droom in Antwerpen op de rechteroever van de Schelde over de kaaien wandelen.
In de richting van de Luizenmolen wandelen.
Met Jan C. gaan praten in de Lange Beeldekensstraat.
In je ogen kijken.
Nuchter ontwaken.
Slapen. Slapen als…

Nee, je ziet het meteen. Verder raakt de man in de schaduw met zijn opsomming niet. Niet langer vinden zijn vingers hun weg naar de toetsen; de woorden die al op het scherm staan vervagen in de mist van zijn ademhaling. “Quelle joie d’avoir…” mompelt hij en vergeet meteen wat hij zou gaan zeggen. Niets om over naar huis te schrijven. Het oude vertrouwde huis.

Dan ontwaak ik uit mijn dagdroom. De man in de schaduw is weg. Er is alleen maar een parking, nu in het donker. Ik keer me af van het raam, kijk op de klok, drink een paar slokken kraantjeswater en ga weer op het ziekenhuisbed liggen. Waarom zijn ziekenhuisbedden altijd zo kort?

Ik sla opnieuw Sandro Veronesi’s ‘Misplaatste Kussen’ open, een angstaanjagend goede verhalenbundel. Misschien bevat hij wel de beste verhalen sinds die van Heinrich Von Kleist en Franz Kafka. Die stijl, die vertelkunst, dat inzicht in wat omgaat in mensen, in intermenselijke verhoudingen, in generatieconflicten, in de ingewikkelde processen die zich tussen mannen en vrouwen voordoen. Ik lees de laatste zinnen van ‘De buik van de auto’:

“Met trouw koopt de overspelige zich vrij. Een goed mens betaalt met zijn eenzame lijden iedere keer dat hij hoopt de enorme verantwoordelijkheid van het voldongen feit niet te overleven, maar hij overleeft het wel, valt stil en gaat verder. De pijn verdwijnt, het berouw vertroebelt, de contouren van de herinnering vervagen, en het mysterie van het leven, dat zoveel groter is dan alle losse stukjes bij elkaar, verdooft en verzoent.”

Ω

Dit is een bewerking van een eerdere tekst, ‘Quelle joie d’avoir…’
Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-10-2012.
Afbeelding: hotelkamer, Triëst. 16 augustus 2007

WAAR KOMEN DE JUISTE IDEEEN VANDAAN?

Ik had het met Laura over een lijst die ik wil maken. In Budapest heb ik een boek gekocht over de zogeheten beste films aller tijden. Bekende wereldburgers geven daarin hun mening over hun favoriete film(s). Eveneens zijn er veel lijstjes in opgenomen. Lijstjes, zowat de uitverkoren ‘lectuur’ van onze tijd. Vroeger waren er de patronen voor de vrouwen en sportpagina’s voor de mannen, nu zijn er lijstjes voor iedereen. Een lijst in dat boek sprong me meteen in het oog. Het oog zag er enigszins blauw van, maar dat is nu over. Nu schittert het een beetje, maar het trekt ook wat scheef, van schaamte, want imiteren doe je niet straffeloos. Met een schitterend en scheef oog vertelde ik Laura dat ik ook aan een dergelijk lijstje zit te denken. Wat is de bedoeling? Ik probeer me uit mijn favoriete films de scènes, dialogen, bijzondere momenten, stukjes muziek, close-ups te herinneren en daar een lijst van te maken. Ik heb het boek en het artikel waar ik me door heb laten inspireren hier niet bij de hand. De naam van de auteur (of ster of wat dan ook) zal ik morgen of overmorgen verklappen. Of als de zon nog eens schijnt. Ik ben al zoveel verschuldigd, een verhaal over Lucca, over Budapest, over ziekte en walging op de Canarische Eilanden, en wat niet nog allemaal, dus kan dit er ook nog wel bij. Zoals een bespreking van de nieuwe cd van Bob Dylan. Op het eerste gehoor lijkt het net dezelfde als de vorige. Maar misschien heb ik niet goed geluisterd. Hij zingt wel beter, misschien heeft hij weer iets genomen, Jack Kerouac indachtig.

Ik zei tegen Laura: Karen Black in Five Easy Pieces, mag ik niet vergeten, maar wat was nu weer haar beste scène? En Wanda, hoe heette de regisseuse ook al weer, die ook de hoofdrol speelde, en jong gestorven is, Barbara Loden? Wat sprak me zo aan in haar enige film? De bankoverval, het kopen van de hamburgers, haar onderdanigheid, niet die van Barbara Loden, maar van het personage dat ze vertolkte, Wanda dus? Toevallig is zij, Barbara Loden, op een Amerikaanse postzegel terechtgekomen, niet omdat zij een briljante film had gemaakt, want dat wist niemand, en niemand ligt wakker van briljante films over slaafse vrouwen, neen, toevallig had iemand een foto van haar gemaakt, en zij was fotogeniek, en zo is zij, zonder dat iemand iets over haar wist, beroemd geworden, als postzegelmeisje. Barbara Lodens Wanda hebben weinig mensen gezien. Maar toen ik aan mijn tekst over uitverkoren filmmomenten bezig was – waarvan het einde nog lang niet in zicht is, wellicht wordt het een neverending story – ontdekte ik dat de film nu in Frankrijk op DVD is uitgebracht en dat Isabelle Huppert er lovende uitspraken over heeft gedaan. Leve Isabelle Huppert! Zij komt in veel van mijn filmherinneringen voor. De eerste is aan een scène in Les Valseuses. In het begin van de film hebben Depardieu en Dewaere in een vakantiehuisje aan zee aan haar slipje staan ruiken (zij is dan nog maar veertien). De gemene, maar sympathieke kerels vinden het wel lekker ruiken. Later, na vele avonturen en boevenstreken, lopen zij de ouders en de dochter, eigenares van het slipje, Isabelle Huppert, tegen het lijf. Bijna meteen beslist de tiener haar ouders de rug toe te keren en met de avonturiers ‘on the road’ te gaan. Wat waren we toen allemaal onschuldig. Als we nu zulke films zouden bewieroken zouden we bijna op pedofielen lijken.

Ik zei tegen Laura hoe moeilijk ik het soms vond om me namen van acteurs en actrices te herinneren. Shots, scènes, flarden dialogen, stukjes muziek, decors, landschappen, komen me wel weer voor de geest, maar hoe heten al die mensen? Zoals de vrouw die de hoer speelt in La mama et la putain? Die een lange, dronken en zeer meeslepende dialoog houdt over alles wat in haar hoofd opkomt (en waar de film over gaat)? En klopt het wel dat Warren Oates een lijk opgraaft in Bring Me The Head Of Alfredo Garcia? Ons geheugen laat ons zo vaak in de steek, of wij herinneren ons dingen die helemaal niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Wij verbeelden ons films die Ben Hur of El Cid heten, maar de films zelf verschillen bijna volkomen van wat we ons verbeelden. Toch herinner ik me perfect hoe een van tequila dronken Warren Oates dat lijkt opgraaft, hoe zijn kleren nat worden van het zweet en zijn gezicht vuil van het stof en de kerkhofgrond.
Overigens doet Working Man’s Blues 2 van Dylan, dat ik nu op de voorgrond hoor, me sterk denken aan Señor, zijn lied over Sam Peckinpah, de man die Warren Oates berucht heeft gemaakt (want beroemd is deze grote acteur nooit geworden).

Gek dat ik al deze dingen niet neerschrijf als jij er niet bent, zei ik tegen Laura. Hier zit ik dat nu allemaal te vertellen en jij valt er bijna in slaap bij. Misschien moet jij bij me zitten slapen als ik schrijf, jouw slapende ziel zal me dan inspireren. Soms als je slaapt wek je toch ook mijn verlangen op. Ja, zei ze, misschien. Maar nu moet ik toch gaan slapen.

Ik rond mijn filmvertelling hier af. Ome Wim ben ik nog steeds niet en evenmin kan ik 1001 nachten doorgaan met mijn verhaal. Of misschien wel, maar ik zou er mijn hoofd niet mee sparen. Think about that girl I left behind, zingt Dylan nu. Ain’t talking, just walking. Erger is dat ik ook geen ander hoofd kan sparen. En nog erger is dat me dat soms onverschillig laat, dat het mededogen dat zo nodig is om de wereld te redden, mij ontbreekt.