HET VERTREK (NAAR DE CAMARGUE)

Les valseuses, Bertrand Blier

[Nachten aan de Kant 43]

Na veel feestgedruis bij Ercola, een vrolijk kunstenaarscollectief in de Wolstraat, en – haast traditiegetrouw – bij Robert en Maryse in Cinderella’s Ballroom en na menig vriendenbezoek zijn we dan toch naar Frankrijk kunnen vertrekken. Naar de Camargue zijn we op weg gegaan. Dat is voor ons dat jaar een soort van bestemming, hoewel onze kennis van de regio schaars is. Alleen maar dat het een uitgestrekt moerasgebied is, weten we met zekerheid, de delta van de Rhône, en dat er wilde paarden en roze flamingo’s in het wild leven. In reisgidsen hadden we meer informatie kunnen vinden maar daar waren we tegen. We wilden ons geen toeristische bezienswaardigheden laten opdringen. Welbeschouwd weten we niet wat de hoedanigheid van ons reisdoel is. Veel meer dan een plaatsnaam, Camargue, is het niet. Hoe we ernaartoe moeten reizen is evenzeer een groot vraagteken. Het is een tijd dat we nog van verrassingen houden. Still love remains in some strong heart, keep your mind open, die woorden uit een song van Kaleidoscope, waren al lang een soort van credo voor mij.

Rond het middaguur vertrekken we uit ons hoofdkwartier in de Dolfijnstraat. Om te liften valt het weer goed mee; warm met een koele bries. Eerst tot Sint-Niklaas met een handelsreiziger, dan naar Gent met een zo te zien wat gestresseerde liefhebber van Ierland en Ierse folkmuziek. Spraakzaam is de man niet, tenzij wat die Ierse folk betreft. De Baai van Galway en Ierse folk, dat is mijn lust en mijn leven, zegt hij. De hele rit lang moeten we dat gefiedel aanhoren en een paar klaagliederen van Johnny Cash er nog bovenop. Ook een Ier? Of toch eerder van Engelse komaf? Zijn betovergrootmoeder een hoer uit Covent Garden? Zijn overgrootvader een unfortunate lad? Ik word er al gauw chagrijnig van.
De volgende halte is Kortrijk, bekend van de Guldensporenslag, al was ik daar op dat moment niet eens zo zeker van. Mogelijk was het hele verhaal over Jacob van Châtillon, Gwijde van Dampierre en Willem van Gulik, heer van de elf heerlijkheden van Sint-Servaas, wel helemaal verzonnen. Sinds ik De leeuw van Vlaanderen had gelezen had ik heel wat echte slagvelden gezien, vooral die van liefde en vriendschap. Hendrik Conscience was alleen nog maar de naam van een Antwerps plein in de nabijheid waarvan onze nachtelijke avonturen zich voltrokken. Toevallig komt daar in Kortrijk Willy Boy in zijn vrachtauto voorbijrijden. We hadden de avond tevoren in onze keuken nog Tripels met hem zitten te drinken. Tijd om wat te praten hebben we niet, hij moet dringend naar Brussel terug; leverde pas nog materiaal bij een bedrijfje ergens aan de Franse grens en liep daar vertraging op.

In Menen, net voor die grens, duurt het wachten lang. Maar altijd stopt er dan toch wel een barmhartige ziel in een deux chevaux of een Renault 4. Dit keer is de verlosser een vriendelijke maar zwijgzame jongeman. In zijn kleine rammelkar van een bestelwagen voert hij ons tot in het centrum van Parijs. De jongen is al even schuchter als wij. Hij lijkt wat op Claude Faraldo in zijn film Les fleurs du miel. Voor wie de film heeft gezien: Paul, de drankleverancier. Omdat het wagentje zo rammelt, staat de muziek erg luid. Bij songs die onze chauffeur leuk vindt draait hij de volumeknop naar rechts. Dat is onder meer het geval bij Satisfaction in de versie van Otis Redding en Venus van Shocking Blue. Well, I’m your Venus, I’m your fire, what’s your desire? Dat is ook een vorm van communicatie, en wel een die me nauw aan het hart ligt. Mijn hart overvol te wantrouwen verlangen.
We passeren Villeneuve, en dat is het ook echt, een volledig nieuwe stad, met een indrukwekkende architectuur, maar wat betekent toch cité scientifique? Hoe kon ik daarover nooit iets hebben gelezen? Als we door Arras rijden heb ik opeens een soort van visioen. Als ik op een keer Arras zal bezoeken en er door de straten slenteren, zal ik daar alles herkennen, niet alleen elk huis en elk gebouw en elke straat maar ook alle inwoners en zelfs hun huisdieren. In Arras zal ik een vrouw ontmoeten die Sarra heet. Ze drijft een theehuis en draait platen van John Coltrane, Miles Davis en Don Cherry en is helemaal weg van Waltz for Debby van Bill Evans. Ze heeft lange rode haren en lijkt sprekend op de vrouw op het schilderij I lock my door upon myself van Fernand Khnopff. Als ik weer bij mijn positieven kom voel ik me wat schuldig. Heb ik Senga in mijn visioen al niet voorgoed verlaten?

Voor de rest zie ik een monotoon landschap: het Noorden van Frankrijk. Op de radio klinkt de nieuwslezer overdreven opgelucht: “Skylab, c’est fini!”. Het ruimtestation was een onbestuurbaar projectiel geworden en verbrandt nu in de atmosfeer. Brokstukken ervan komen in de Indische Oceaan en op Australië terecht. Niemand hoeft zich nu nog zorgen te maken. Het bidden om bescherming kan ophouden, bange mensen in Afghanistan en India mogen hun grotten weer verlaten. De verkoop van de Skylabrestanten kan dra beginnen [1].

Het is nu 18.30 uur en snikheet. We naderen Parijs. De jongen vraagt waar we precies moeten zijn. Ergens in het centrum, zeg ik. En daar brengt hij ons heen, naar het hart van deze wonderlijke stad, naar de Opéra. Van de verkeersdrukte tijdens het spitsuur krijg ik meteen een astma-aanval. Maar die krijg ik klein met enkele inhalaties Berotec.

Hier staan we dan, verloren in de zonovergoten lichtstad. Besluiteloos, zoals zo vaak. Quo vadis, Senga? Naar het Quartier Latin, de enige wijk waarmee we wat vertrouwd zijn? We lopen over de Boulevard Saint-Germain en zoeken in de zijstraten naar een betaalbaar hotel. Alles lijkt te zijn volgeboekt. Het is al na achten. Een zenuwinzinking nabij nemen we een kamer in een luizig en nogal duur tweesterrenhotel: Hôtel de Lisbonne. Hoe komt het dat slechte hotels vaak naar andere steden zijn genoemd? In de kamer krijgt Senga een hevige hoestbui waarbij ze zelfs bloed opgeeft. Zou het tuberculose zijn? Na ons wat opgefrist te hebben gaan we op zoek naar een restaurant. In de Rue Jacob kondigt de schemering de nacht aan, ons vertrouwde element. Ik zou nog door een ellenlange nacht van depressie en jaren aanslepende psychoanalyse moeten gaan om in te zien dat alleen de dag verlossing brengt.

Parijs

 [1] Op 13 juli vond de Australiër Stan Thornton een paar kleine stukjes van het Skylab in Esperance.

EERST HET TOEVAL, DAARNA DE EXTASE?

eze-village,psychoanalyse,flaming lips,toeval,orde,reizen,pop,extase,ontroering,angst,ziekte,muziek,dood,empathie,gevoelens,emoties,nietzsche,2002,nice,1976,controle

Ik zeg tegen iedereen die ik zie, geniet van het leven, maar mij lukt dat niet zo goed. Gisteravond beluisterde ik nog een keer Do You Realize? uit Yoshimi Battles The Pink Robots van the Flaming Lips. Wayne Coyne deelt daarin mee dat we alleen maar nu hebben. Do you realize that everyone you know someday will die, zingt hij. Het was halfdonker in mijn kamer, bovendien had ik mijn ogen toe. Toch zag ik opeens bloemen opengaan en vanuit een middelpunt wegvliegen en zoals vuurwerk uiteenspatten in schoonheid. Ja, een dergelijk effect had de muziek van the Flaming Lips bij mij. Dat was lang geleden. Kan ik dan toch nog iets voelen, ontroerd worden? Blijkbaar wel. Meestal heb ik alleen maar negatieve gevoelens, fysieke pijn en allerlei angsten voor ziekte en dood. Of ik voel helemaal niets. Geen empathie, geen ontroering, niets.

Ik herinner me nu een gesprek van een jaar of vijf geleden. Ik zat bij mijn psychoanalyste en had het over de afwezigheid van – min of meer intense – emoties en gevoelens. Ik vertelde haar van het voorval, als ik het zo al kan noemen, helemaal boven in Eze-Village, in de Jardin Exotique daar. Zesentwintig – nu eenendertig – jaar geleden had ik daar al eens gestaan, in verrukking door de azuren hemel, de Middellandse Zee in de diepte, de geuren van de Provence; wat nu haast banaal en clichématig klinkt was destijds voor mij een nieuwe wereld. Het was die dag mijn verjaardag: ik was zesentwintig geworden. Op onze wandeling naar Eze hadden twee zachtmoedige honden ons vergezeld, de weg gewezen, zei ik ietwat ironisch. Hun gezelschap zag ik als een goed teken. Een ander goed teken was de wetenschap dat Nietzsche een belangrijk deel van zijn Zarathoestra in Eze heeft geschreven.
Nu, in 2002, waren we naar boven gegaan samen met een zwerm, vooral Aziatische, toeristen. Heel het oude Eze was in een toeristisch kitschwinkeltje veranderd. De Jardin Exotique lag er nog netjes bij, met een mooie verzameling cactussen en andere planten. Maar er was niets dat mij van mijn stuk bracht. Ook niet boven op de top, met de zee in de diepte. Ik voelde geen tweede adem, er was niets in mij gaande wat op verrukking leek. Er was eigenlijk alleen maar de bewuste gedachte dat ik het toch wel goed vond om daar op dat ogenblik te zijn. Beter in Eze dan thuis, dacht ik.

Thuis had ik me nog afgevraagd of het wel mogelijk zou zijn om vanuit Nice met het openbaar vervoer Eze te bereiken. Geen enkele verplaatsing is ooit gemakkelijker geweest, zo bleek echter. Het is een aangename en korte rit met de bus vanuit de centraal gelegen Gare Routière. Zo eenvoudig is het leven. Misschien is dat een van de hindernissen op de weg naar ontroering en verrukking? Dat het allemaal zo gemakkelijk gaat. Een andere hindernis is wellicht de planning: alles is van tevoren al uitgestippeld, waardoor een verrassing niet meer mogelijk is. In 1976 kwam ik geheel toevallig in die Jardin Exotique terecht. Onze bestemmingen werden grotendeels bepaald door de auto’s – en hun bestuurders – die ons meenamen als we stonden te liften. Als we maar onderweg waren was het al lang goed, maar wel liefst op weg naar een plaats die zich voldoende ver van Brussel bevond. (Ver was toen uiteraard niet zo ver als nu.) Tegenwoordig is dat niet meer zo: elke reisdoel is het resultaat van lang wikken en wegen en beslissen en uitstippelen. Van reisgidsen kopen, vliegtuigtickets bestellen, hotels reserveren, restaurants selecteren, musea uitkiezen, catalogi verzamelen. Daarna foto’s maken van hotelkamers, van huizen, van elkaar, van objecten die we naar huis mee willen nemen (wat natuurlijk in de meeste gevallen onmogelijk is). Misschien maakt een te geordend leven met teveel controle ontroering en verrukking onmogelijk. Die behoefte aan controle, aan een ordelijke wereld zit diep in mij verscholen en ik kan me eigenlijk niet herinneren dat ze er nooit is geweest. Vreemd, want ik beweer zo vaak dat het toeval mijn leven bepaalt en voeg daar meestal aan toe dat ik dat goed vind.

Foto: Busrit van Nice naar Eze, Agnes Anquinet