DE VRAAG DRINGT ZICH OP (EEN ONTMOETING)…

anais nin1.jpg

Et qu’est que c’est que l’infini? Au juste nous le savons pas.”
Antonin Artaud, Pour en finir avec le jugement de dieu”

Wie ben je?
Wat doe je in mijn kamer, wat wil je van me?
Doe je dat vaak, schrijvers aanschrijven die je bewondert?
In wat voor wereld leef je?
Wat wil je van me weten?
Ik weet niets.
Ik weet niet wie je bent.
Ik ken je naam, maar wat is een naam?
Ik ken je niet.
Ik ken mijn wereld niet.
Misschien ben ik niet eens van deze wereld.
Ik weet niets.
Of toch: achter wat ik zie ligt wat ik niet zien kan.
Maar wat dat is, dat weet ik niet.
Daarin, in wat ik niet zie, dwaal ik soms rond.
Noem het de andere wereld.
Noem het aan gene zijde, zoals Alfred Kubin deed.
Maar het kan net dezelfde wereld zijn als deze, zijn spiegelbeeld.
Als je een stap voorwaarts zet, zet je ook een stap achterwaarts.
Ik heb nooit kunnen denken.*
Ik denk dat daarachter waar ik soms kom hetzelfde gebeurt als hier.
Wat daar gebeurt weet ik evenmin als wat hier gebeurt.
Noem die vreemde wereld de oneindigheid.
Het spiegelbeeld van wat ik in de spiegel zie.
De oneindigheid is een woord dat we spellen om in slaap te vallen.
Die oneindigheid van jou houdt me wakker en wiegt me in slaap.
Wiegt de oneindigheid jou of wiegt ze mij?
Waar begin jij en houd ik op?
Jouw voeten mijn armen onze droom.
Ik spuit mijn aders vol oneindigheid.
Ik ben verslaafd aan het onbekende.
Je hebt het mysterie zelf ook al meegemaakt.
Het is seks, nee het is geen seks, het is iets diepers.
Ik denk dat we het beiden al hebben gevoeld.
Vind je het erg dat ik je arm aanraak?
De zachte haartjes, alleen maar zichtbaar in het zonlicht.
Je trekt hem niet terug.
Je komt dichter bij me zitten, ik voel je haren in mijn hals.
De geur van de sirocco.
Hoe zal ik de geur van je haren, je huid ooit kunnen vergeten?
Nee, ik wil je lichaam niet.
Ik wil je geest niet.
Ik wil je vlees en bloed.
Ik wil je schreeuw om genade horen.
Liefde die je nooit hebt gekend
Ik wil je om ongehoorde woorden horen vragen.
Ik wil van je lettergrepen woorden maken en daarna zinnen.
Zinnen die je kunt ruiken en voelen.
En van je hoofd een hagedissenhoofd.
Met zijn tong in mijn oor.
Een revolutionaire hagedis.
Je gesis tegen de platluis god.
Je gesis tegen de kardinalen van de casino’s.
Je gesis tegen de eigenaars van de vrijheid.
Heb je honger?
Mijn lijf is giftig en smaakloos.
Eet maar, maar eet zonder smaak zoals de velen.
Je weet toch dat er velen zijn die honger hebben zonder appetijt.
Die appels eten voor de dorst en om de doktersrekening uit de weg te gaan.
Eet maar van mijn zure syntaxis.
Maar geloof niet dat mijn lijf brood is en mijn bloed wijn.
Ik ben van vlees en bloed en heb een hagedissenhoofd.
Ik ben mijn lichaam en wat er gebeurt, gebeurt in mijn lichaam.
Minnezang, verspilling, verwoesting van de verbeelding.
Ik geef om niets en ik geef niets om niets.
Ik heb nooit kunnen denken.
Mijn geest is het gehuil van elektriciteit in hoogspanningskabels.
Ik denk dat er geen niets is dat iets is.
Er is alleen maar niets dat niets is.
Een gapende opening is de oneindigheid waaruit gas ontsnapt
dat niets is maar niet niets dat iets is.
Gas dat me doet stikken.
Doe de ramen open!
Heb je dan geen ademende ziel?
En wat doe je met je ogen als je niets ziet?
Ik weet niets.
Het oneindige is een woord voor wat ik niet weet.
Een opening.
Een opening in mijn bewustzijn.
Een mateloze mogelijkheid.
Zodat je je voor kunt stellen dat het niets iets is.
Laat het oneindige dat woord zijn.
Een niets dat iets is.
Niets dat je zin geeft in het zonlicht en de bomen.
Niets waar alles in jou begint.
Dat je hongerig maakt en dorst doet krijgen.
Je eet mijn lichaam met smaak.
Mijn vlees en bloed en hagedissenhoofd.
Hoor je me nog sissen?
Je trekt je kleren uit en duikt in de rivier.
Je bent een niets dat iets is.
Een lichaam dat niet meer afziet.
Een lichaam dat niet aangeraakt wordt.
Dat niemand me aanraakt, zeg ik.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me ooit ooit ooit aanraakt.
Niemand.
Mijn lichaam dat ik ben.

Günther Brus - Ana.jpg
Günther Brus – Ana

Dit is de tweede monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. De inspiratiebron is ‘La question se pose de…’, het vierde luik van ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Het gaat nogmaals om een ontmoeting met Artaud, met de taal, met wat de taal niet vermag te zeggen. De monoloog bevat tevens sporen van een ontmoeting van Artaud met Anais Nin, zoals zo mooi beschreven in het eerste deel van haar dagboeken.

Wellicht is de hevigste strijd die we te strijden hebben die van het lichaam tegen de oneindigheid, of wat we oneindigheid noemen. Liefde en seks zijn rustpunten, ontsnappingsroutes, maar als puntje bij paaltje komt vallen we weer in ons lichaam neer, waarin de geest van zich doet spreken, zolang hij dat nodig acht. De geest is meteen altijd de geest van het lichaam. Het lichaam dat wenst aangeraakt te worden, of net niet.

 

*”De mogelijkheid om in gedachte terug te gaan en ineens uit te varen tegen je gedachte.” Antonin Artaud, ‘De Zenuw-waag’ (vertaling van ‘Le Pèse-Nerfs’, door Hans van Pinxteren).

TRANSFORMATIES UIT DE ONDERGROND

proposition.jpg

Notities augustus-september 2011.

Wat ben ik soms toch een idioot. Ik heb de hele voormiddag tijd zitten verspillen met kijken en luisteren naar clips op youtube. Niets gelezen, niets geschreven. Ik voelde me leeg (hoewel fysiek beter dan ooit, nee beter dan de voorbije weken en maanden). Hoe komt dat? Die leegte? Waarschijnlijk van hier altijd maar binnen te zitten en, vicieuze cirkel, niets te doen.

Gisteravond heb ik naar enkele soulplaten geluisterd, maar ze deden me weinig, waarschijnlijk omdat ik niet in die groove kan komen: ik kan er niet op dansen. Westerns waar de protagonisten elkaar de kop afschieten vind ik wel leuk, zoals The Proposition. Scenario en muziek van Nick Cave. Een Australische western, met aboriginals in plaats van Indianen.

Straks laat ik mij een half uurtje radbraken door de kinesist, dan voel ik me pas echt goed.

Op 8 november ga ik naar Gillian Welch en Dave Rawlings, als ik aan kaartjes geraak (en voldoende hersteld zal zijn).

Nu en dan ben ik radeloos, weet niets meer, kan niet spreken, niet handelen, niet bewegen.Maar ik heb me voorgenomen om nog weinig rekening te houden met alles wat vijandig is aan het leven. Ik moet mezelf beschermen, mijn vrijheid, mijn openheid, mijn vermogen tot liefde.

Nog een maand misschien eer ik weer werkelijk buiten kan, niet alleen die tien minuten tot bij de kinesitherapeut en terug.

Ik denk dat ik nogal wat negatieve gevoelens en gedachten krijg door altijd maar alleen te zijn. Ik mis de aanwezigheid van geliefde vrienden. Ik vind het erg dat ik niet in de stad kan flaneren, naar de boeken en platen kan kijken, in de Pêle-Mêle binnenspringen, enzovoorts. Soms mis ik zelfs kamer 428, daar waren ten minste nog verpleegsters, sommigen van hen zelfs heel menselijk en vriendelijk.

Nu op een terras zitten, met een koffie. En nog een koffie. Is dat niet iets om naar te verlangen?

Achterdocht, paranoia, afgunst. Wat een lelijke karaktertrekken.

Voor de machine van de Grote Vader ben ik bang. Wat zou hij bij mij niet allemaal detecteren! Ik geloof dat er in mijn hele lichaam niets meer behoorlijk werkt, zeker niet sinds 24 mei (al zo lang geleden). Zelfs mijn penis weigert dienst, al begint hij toch weer wat van zich te laten horen. Of misschien beeld ik me dat maar in? Hij zou wel wat meer groeikansen moeten krijgen. Nu doet hij me aan de kleine Oskar denken, het kind dat weigert te groeien. Je weet wel, het jongetje met de blikken trommel. Wat een voorbeeld van een weigeraar. Ik denk nog vaak aan Charles Aznavour in de filmversie van dat boek. En hoe zou het met Volker Schlöndorff gaan?

JEUGD, ZIEL EN MUZIEK

leeftijd,ouderdom,jeugd,vijfenzestig,pensioen,huwelijk,lichaam,ziel,verlangen,reizen,geluk,muziek,filosofie,psychologie,thomas bernhard,thema s,psyche,pop,sixties,beat generation,outsiders,simon vinkenoog,schrijven,spelling,letters

Soms denk je, was ik maar vijfenzestig, van alle miserie verlost, dan kon ik mijn eigen leven leiden, in Portugal of in Peru. Maar dan herinner je je weer meteen hoe het was toen je jong was en danste – je lange haren wapperend – op de beat van the Outsiders, toen je Simon Vinkenoog las en dacht dat hij een belangrijker profeet was dan die uit het Oude Testament. Alles werd met kleine letters geschreven en je gebruikte zoveel mogelijk k’s. Dat was progressief, zo hoorde het, dachten de kinderen van de beat generation. Kommunikaatsie. Wat was dat prachtig naïef! Daar zijn voor jou jeugdige vriendschappen op gevolgd, de vergaring van kennis, een eerste huwelijk, met een mooie en lieve maar koppige vrouw, en een lieve, intelligente en zeer eigenzinnige zoon en een tweede huwelijk, dat er pas kwam nadat jij en je tweede vrouw vierentwintig jaar samen hadden geleefd en meermaals waren gestorven. (Mijn vrouw zegt, om de zeven jaar krijg je een nieuw lichaam).

Daarom, nee, ik wil geen vijfenzestig zijn, wil het zelfs niet worden, ik wil die jeugd terug, die ik niet meer terugkrijgen kan. De enige tijd die de moeite loont om ’s morgens vroeg voor op te staan – ook al vind je later de echte liefde en geniet je van kunst en seks en de juiste combinatie van cijfers en letters en beleef je momenten van geluk in Italië en Duitsland en New Orleans en op vele andere plaatsen. Nee, was ik maar negentien, dat is mijn enige echte wens, negentien om het even wanneer, niet noodzakelijk in de swinging sixties.

Maar het lichaam, het lichaam, dit lichaam – daar moeten wij het mee doen. De ziel is een soort van kreet, een poging tot bezwering, tot stil leggen van tijd en orde. Voorvoelden wij dat al in 1969 toen wij kozen voor muziek, toen we ons geheel en zonder voorbehoud overgaven aan muziek? Want de muzikale thema’s , eenvoudig als de blues of ingewikkeld als Stravinski, zijn de thema’s van onze ziel. Onze ziel is niet definieerbaar, niet door mij, niet door psychologen, niet door filosofen – onze ziel is wat altijd aan ons ontsnapt, en wat wij altijd achternajagen maar waarvan we niet weten wat het is (tenzij af en toe en thema). Misschien is onze ziel heel gewoon de nieuwsgierigheid naar de bron van die muziek. Waar komen we vandaan en vanwaar komt onze muziek? En zal dan niet, noodgedwongen, onze ziel sterven samen met ons lichaam, verstrengeld als geliefden, zonder te hebben gevonden wat ze zocht, wat jij zocht, wat wij met zijn allen zochten toen we vrede sloten of elkaar de oorlog verklaarden, toen we elkaar streelden of elkaar naar het leven stonden?

And the band played Waltzing Matilda.

“Op een dag kom je thuis en weet: van nu af aan moet ik voor alles boeten, en vanaf dat ogenblik ben je oud en dood. Op een dag is alles afgelopen, hoe lang het leven ook nog voortduurt. Eens en voor al ben je dood, en alle schoonheid, dat wat geluk is en geluk kan zijn, de rijkdom en alles heeft zich teruggetrokken, voor altijd.”

Thomas Bernhard, Vorst.

VLEES

3 studies for a crucifixion

Waarom willen wij ons lichaam liefst vergeten? Eraan verzaken in extase, roes, hallucinatie, droom of transcendentie? Zijn wij dan zulke goede katholieken? Ik dacht van niet? Er was wel die opvoeding, die diepe en langdurige onderdompeling in wijwater. De liturgie en de schoonheid van de rituelen. Maar toen ik dertien was zei ik ‘goodbye to all that’.

Waarom kunnen wij dan niet ten volle genieten van alles wat het lichaam ons geeft? Werkelijk zintuiglijk genieten, zonder de afstand die het denken schept? Waarom, ook, hebben wij het zo vaak in negatieve bewoordingen over ons lichaam. Het lichaam dat zich aan ons opdringt, met zijn symptomen, kwalen, honger, dorst, begeertes. Hoezo aan ‘ons’? Zijn wij dan niet ons lichaam? Wie of wat is ‘ons’? Wie zijn wij, waar zijn wij? Waar denken wij? Wie denkt ons? Allemaal vragen. Zoals wij er zo vaak stellen. Soms schijnen wij ‘wij’ te zijn, soms ‘jij’, soms zijn wij zelfs ‘ik’. Altijd zijn wij vreemden voor onszelf en nooit weten wij wat wij doen. Altijd is onze toon wat plechtig, door het hemelse en helse aangetast. Hier wordt weinig gelachen. Een requiem staat ons nader dan een schaterlach. Waarom? Omdat het lachen zo lijfelijk is en een doodslied het lijf te boven gaat, vooral in de echo’s die van overal worden weerkaatst? Het lachen zo vlezig? Zijn wij dan toch alleen maar dit lichaam dat zich onverzettelijk tegen zichzelf keert? Het schijnt ontevreden te zijn met zijn eigen wetten en voorwaarden, het betwist al zijn gegevens, normen en zekerheden. Het sluit zoveel mogelijkheden om gelukkig te zijn uit. Waarom?

In het levende organisme zit een dood lichaam verscholen. Het is een verschrikkelijke macht die zich langzaam – en in sommige gevallen snel – van het leven meester maakt. Misschien is daarom alleen de naam en alles wat met die naam samenzweert van betekenis in de wereld. Het woord is vlees geworden, zo staat geschreven. Het laatste woord (hierover) is nog niet gesproken.

LICHAMELIJK SCHRIJVEN

Artaud-par-Pastier 2

Soms betreur ik het dat ik de mensen niet haat. Ik geloof namelijk dat mensenhaat een zeer geschikt middel is om tot rust te komen. Op dit ogenblik woedt er een vernietigende strijd in mij. Mijn handen beven niet, maar ik voel een soort trillen van mijn zenuwen. Misschien stel ik me dat trillen alleen maar voor… Is het daarom echter minder erg? Ik denk het niet. Ik val samen met mijn lichaam, er is geen afstand meer tussen ik (of het zelf) en mijn lichaam. Dat maakt een activiteit als schrijven haast onmogelijk, aangezien je om te schrijven je lichaam moet vergeten, jet moet het als het ware te slapen leggen (hoewel het nog een gering aantal activiteiten moet kunnen uitvoeren). Of schrijven is wel nog mogelijk, maar alleen nog op biologische wijze: het is het lichaam dat zichzelf uitdrukt. Om iets waardevols te schrijven, iets dat je de anderen kunt schenken, moet je boven de lichamelijkheid kunnen uitstijgen, en dat betekent: vergeten.

Maar hoe zit het dan met Antonin Artaud, een man die me al zo lang fascineert. Was hij dan niet hét prototype van de lichamelijke schrijver? Waarschijnlijk wel. Maar ben jij bereid om zo ver te gaan als hij en zo te lijden?

LIEFDE VOOR DE VER VERWIJDERDEN

sam talylor-wood,filsofie,nietzsche,seventies,citeren,zarathoestra,lichaam,zelf,denken,ik,kleist

Af en toe keren, zonder dat het te voorzien valt, periodes in mijn leven terug tijdens dewelke ik een groot genoegen beleef aan de lectuur van Nietzsche. Waarschijnlijk is er weer zo een aangebroken; maar de bliksemende intensiteit van de jaren ’70 zal ze niet meer hebben. Toen was ik jong, vol van lentekoorts en grootse plannen, nu ben ik ouder en wacht gedwee op het einde van de wereld. In die tijd had ik voortdurend zin om hem te citeren. Alsof ik wilde zeggen, zie je wel. Dat ik heb ik nu toch ook weer een beetje. “De verder verwijderden zijn het, die uw liefde tot de naaste betalen; en reeds wanneer gij met uw vijven bij elkaar zijt, moet er altijd een zesde sterven.” (Zarathoestra, 61). De christelijke naastenliefde was niets voor Nietzsche. Volgens Nietzsche is onze naaste niets anders dan een beeld. Wij zijn zelf ook een beeld. Ons zelf, waarvan wij ons bewust zijn, is dat ook geen beeld? Iets wat buiten ons bestaat? Wij raken niets anders aan dan dat beeld, niet ons zelf. De term ‘zelf’ betekent voor Nietzsche het lichaam zoals het in werkelijkheid is (waarvan het ‘ik’ slechts een aspect is, een product; het lichaam creëert het ‘ik’, als een instrument dat voor de samenhang moet zorgen). De gespletenheid die wij nu kennen zou moeten worden overwonnen: lichaam en denken zouden opnieuw samen moeten vallen.
Die gedachte is ook al bij Heinrich von Kleist terug te vinden, vooral in het zeer moderne essay ‘Uber das Marionettentheater’.

Beschouw dit als een voetnoot bij mijn vorige notitie. En het einde van de wereld mag nog wat uitblijven. Het gras mag nog wat blijven groeien, de tulpen en andere bloemen blijven bloeien.

De foto is een werk van Sam Taylor-Wood.

WIM WENDERS : ALICE IN DEN STÄDTEN

alice in the cities

Als de hemel opklaart en de zon zo fel als nu door het raam naar binnen schijnt, dan ben je een ogenblik verblind, wat zeker omdat het maar kort duurt een prettig gevoel teweegbrengt.
Tijdens een donkere winter de zon je huid voelen strelen, je verrukt voelen door haar warmte, opeens weer blij zijn dat je leeft. De kille dood, die iedereen treft, heeft je nog niet klein gekregen. Zulke vreugde kan niet worden uitgedrukt, tenzij in een lied zonder woorden, een wijsje dat wordt gefloten of geneuried, een mooi voorbeeld is Bob Dylans ‘Wigwam’ op Selfportrait.

In De dood van Artemio Cruz van Carlos Fuentes, een schrijver met wie je vroeger wel enige verwantschap voelde, las je een mooie zin:
“Maar een mens wordt er moe van, van dat denken over zijn lichaam”.
En wat verder:
“Lichaam dat blijft. Lichaam dat weggaat, dat vertrekt, dat oplost in zenuwknopen en schilferende huid en cellen en bloedlichaampjes: mijn lichaam waarop deze dokter zijn vingers legt. Angst. Ik voel de angst die een mens voelt als hij nadenkt over zijn lichaam.”

Flashback naar 1973. In Alice in de Städten van Wim Wenders, van wie je ooit dacht dat hij de filmmaker par exellence van onze generatie was, is net zoals in zijn beste film, Im Lauf der Zeit, de fictie (het verhaal) van ondergeschikt belang. In de Alice wordt dit geïllustreerd door de 31-jarige journalist (Patrick Kreuzer), die voor een Duits tijdschrift een artikel moet schrijven maar daar niet kan (of wil) in slagen, omdat hij overrompeld wordt door beelden. Het is een obsessie voor hem: hij wil elk moment vastleggen in polaroids, die hij dan meteen met de altijd en onvermijdelijk ontsnappende werkelijkheid vergelijkt.
Dat heeft te maken met zijn onzekerheid. Bestaat hij wel? Bestaat de werkelijkheid? Onzekerheid en angst. Angst voor de angst noemt hij het. Hier hebben we het verhaal al verlaten.
Keerpunt in dit stadium van zijn leven is de ontmoeting met Alice van Dam, een tienjarig en zeer onafhankelijk meisje, in New York. Met haar wil hij naar München terugkeren om zijn artikel te beëindigen. Hun reis, waarbij zij eveneens op zoek gaan naar de oma van Alice, voert hen van New York naar Amsterdam en van daar naar Wüppertal, het Roergebied (Duisburg, Oberhausen, Gelsenkirchen) en tenslotte München. Het verhaal van die reis is een eenvoudig raam waarbinnen de invloed van Alice’s persoonlijkheid (haar kinderlijke kijk op de wereld, de cultuur, de natuur, het menselijk gedrag) op het doen en laten (de existentie) van haar oudere vriend-begeleider in kaart wordt gebracht.

Zoals in veel andere films van Wim Wenders is in Alice in den Städten popmuziek een essentieel bestanddeel, onder meer flitsen van een optreden van Chuck Berry (Memphis, Tennessee). In het openingsshot zit Patrick Kreuzer op het strand, maakt een foto van de zee en zingt een stukje uit ‘Under the Boardwalk’:

Under the boardwalk
down by the sea
that’s where I want to be.

Dat was heel sterk, nog meer omdat je die song had voelen aankomen.

Genot van het lichaam, angst voor de dood. Het plezier van voorgevoelens die bewaarheid worden. Namen van kunstenaars. Namen van plaatsen. Verwijzingen naar fotografie. Obsessies. Bezweringen van het verleden. Zo vul jij je dagen. Zo bedwing jij de winter. Maar er zijn nog andere dingen. Sirenes die zingen, katten die willen worden gegeseld. Boodschappers die op nu nog onbekende plaatsen op je wachten. Impulsen, gedachtenkronkels, zinsverbijsteringen. Kleine levens.