NIETS TE DOEN

woodstock-1969.jpg
Woodstock, 1969.

Sinds ik hier aangekomen ben, ben ik al buiten het bereik van het mobiele netwerk. Geen telefoongesprekken, geen sms’en. De internetverbinding is onbetrouwbaar, soms krachtig, soms zwak, vaak onbestaande. Afgesloten van de mij vertrouwde wereld. Misschien is het een goede zaak dat ik zo op mezelf word teruggeworpen? Maar ik mis het weerbericht en ik kan maar sporadisch op hoochiekoochie. Waarom zou ik schrijven als ik het resultaat niet meteen publiek kan maken? Ik heb tientallen jaren zogezegd alleen voor mezelf geschreven, maar die tijd is lang voorbij. Nu schrijf ik voor de anderen, wie dat ook mag zijn. Ik begrijp natuurlijk wel dat ik zelf ook een andere ben. Dat heeft Rimbaud voldoende duidelijk gemaakt. En Freud.

Het ritme van de oceaan wordt nu door dat van djembés overstemd. Op de kleine promenade hier voor de deur spelen hippies op ontstemde gitaren. Toonloos zingen ze Bob Dylans ‘It’s All Over Now Baby Blue’ of iets uit ‘Blood On The Tracks’.  Zo kan ik het ook. Wat verderop, voor een kapelletje, zitten ze joints te roken of wat te keuvelen. Valle Gran Rey lijkt een bedevaartplaats voor jonge en enkele oude hippies. Veel kleine winkels met organisch en biologisch voedsel, dure nep-juwelen en andere snuisterijen, wierook,  Indische kleren, je kent het handeltje wel. Het lijkt hier in menig opzicht op 1969. Another year with nothing to do, zong Iggy Pop. Wat heel goed past bij dit oord: hier is helemaal niets te doen. Heerlijk toch, dag in dag uit lange wandelingen maken, vis eten en wijn drinken… Verder niets.

Na zonsondergang wordt het stil. Waar trekt iedereen naartoe? Niet naar de cafés, niet naar de restaurants: daar zitten de andere, ‘gewone’ toeristen. Niet dezelfde toeristen als op Tenerife: hier hebben ze geen dikke buiken en het gebeurt maar uitzonderlijk dat je iemand met een short, lange witte sokken en sandalen het straatbeeld ziet ontsieren. Ik denk dat deze ‘gewone’ toeristen net als ik ook weer een beetje hippie willen zijn, of het ooit waren, en nu wat nostalgisch zijn geworden. Ze willen nog wel, maar ze kunnen het niet meer. Het moeilijke en chaotische leven heeft zijn sporen getrokken. We hebben wel wat stijl en kennen meerdere talen, maar we zeulen niet met gitaren rond en beluisteren Bob Dylan en Iggy Pop op onze IPod of notebook. Tot ook dat ons moe maakt en we na het lezen van enkele bladzijden Slavoj Zizek slapen gaan.

 

 

ZULLEN DE WESTERSE INTELLECTUELEN DAN TOCH HUN GELD MOETEN DELEN MET ARMOEDZAAIERS EN ARABIEREN?

turning my back to school (1967)

Ik hoor Clarence Carter zingen. Baby your love makes me feel so good.  Amerikaanse soul uit de jaren zestig, nooit geëvenaard. Zwarte muziek uit het diepe Zuiden afkomstig, waar in weerwil van de gekende obstakels zowel zwarten als blanken op dansten – en sommigen doen dat nog altijd. Of op ‘Thriller’, of op ‘Black President’ van Fela Kuti. Om het nog maar niet over Lil’ Kim, Beyoncé en Bobbejaan Schoepen te hebben. En muziek uit Mali, Oekraïne, Las Vegas, Genk, Cuba, Mongolië. Allemaal melodieën en ritmes waar we graag op dansen, om onze zorgen, ons verdriet, onze pijn te vergeten. Om te tonen dat we verliefd zijn, of van iemand houden. Om duidelijk te maken dat we de liefde waard zijn. Dat we mensen zijn, verschillend maar hetzelfde. Vijanden soms, maar heel vaak ook kameraden, vrienden. Lees nog eens ‘Leaves Of Grass’, en de gedichten van Majakovski, Lorca, Kavafis, Pavese. De toekomst moest toen nog beginnen, zou je kunnen zeggen. Maar is het nu anders?

Waarom dan die vijandigheid, die hatelijkheid, die egoïstische waanzin die ik in elke elke krant lees, op de radio hoor, op televisie zie, op internet in de mate van mijn mogelijkheden bestrijd? Zoals vandaag nog – of was het gisteren –  in De Standaard een opiniestuk van Benno Barnard, een zekere Sanctorum, en iemand van wie ik me de naam niet herinner. Nu, dat zal wel wederzijds zijn(gelukkig maar.) ‘Democraten’, schrijvers, filosofen, moralisten. Wijze mensen, die ons graag vertellen wie en wat we zijn en waar we naartoe gaan als we dit doen en dat laten. Mannen. Blanke mannen. Dichters, kinderen van katholieken en protestanten. ‘Atheïsten’, ‘anarchisten’, ‘progressieven’, kerels met een open geest, etcetera. Niettemin blijkt uit hun artikel dat ze zichzelf als übermenschen beschouwen, niet eens in de Nietzscheaanse betekenis, maar in die van het Arische ras, van de ‘Westerse’ beschaving, van de Bijbel en de Renaissance. Kinderen van de Verlichting. Revolutionairen die bijzonder tevreden zijn met hoe het was en hoe het is – maar, denk ik, toch zo bevreesd voor wat komen moet. Straks lopen wij allemaal met een hoofddoek rond! Ondenkbaar! Dat kan toch niet! Verbieden! “Geen enkel teken van individualiteit, overtuiging, geloof, leugens, bedrog, illusie, fanatisme meer toestaan”, schijnen deze geleerde mannen te denken.  Niets. Alleen misschien nog een beeltenis van Plato, Da Vinci, Shakespeare, Elvis, Bach en een of andere Habsburger. En Luther mag ook wel. En Freud wellicht, en Marx. Maar… Maar Maimonides dan? En de grote Arabische dichters? De Sufi? De soulzangers? Martin Luther King? Jesse Ed Davis? Jesse Owens? Sitting Bull? Shirin Neshat? De Noord-Afrikaanse vrouwen die zulke prachtige tapijten weefden,  en tegelijk de abstractie uitvonden? (En alle namen van alle mensen die nu leven en ooit hebben geleefd op deze verdoemde planeet, op deze gelukzalige planeet.)

Ik schaam me diep voor België, voor Vlaanderen, voor Antwerpen. Meisjes worden vernederd aan de schoolpoort. Iets wat voor hen een sterk symbool is moeten ze verwerpen aan de schoolpoort. Het doet me denken aan mijn jeugd, zij het niet aan de schoolpoort. 1968. Ik had lange haren en hippe kleren (een  rooskleurig fluwelen jasje, een gestreepte broek, een hemd met bloemen…) en dat werd me op ‘mijn’ Atheneum niet in dank afgenomen. Geregeld werd ik bij de prefect geroepen, die dan als een mantra herhaalde, mijnheer Pulaski, u moet naar de kapper, zoniet wordt u de toegang tot deze school ontzegd. Ik moest de symbolen van mijn ontluikende persoonlijkheid nog niet afstaan aan de schoolpoort, maar het ging al in die richting. Ik ging dan maar naar Maastricht, waar ik een handige kapper kende, om daar een centimeter van mijn haren te laten knippen en enkele provoblaadjes te kopen. En dan was het weer goed voor een paar maanden.

Het was een soort overgangsritueel, de oudere ‘heren’ moesten wennen aan het nieuwe, het andere, het ongekende, het ‘gevaarlijke’. Ze moesten wennen aan het geleidelijk aan uitwissen van hun grenzen. Er werd veel over liefde gesproken. Wat moest er dan gebeuren met hun tegenstellingen, met hun socialisme, katholicisme, atheïsme? Hoe konden ze de verdeeldheid in stand houden en de bonussen onder elkaar verdelen. Ja, hoe konden ze dat?

En nu voel je hun angstige adem in je nek. Wat zal met onze ‘cultuur’ gebeuren, met onze economie, met ons geld, met onze ‘roem’, met onze subsidies, met ons ‘volk’? Ze vinden de Vlaamse belangen belangrijker, bijna opeens, dan de belangen van de wereld en van elk levend wezen. Ze geven de voorkeur aan ‘dorpspolitiek’ en verwerpen de universele dialoog, de kritische uitwisseling van gedachten. Ze vermijden kennis en inzicht. Ze willen niets meer leren. Ze schrijven er blindelings op los. Ze zijn zo bang, beste vrienden, zo bang zijn ze, dat zich beroepen op Guy Verhofstadt om de Koran een verderfelijk boek te kunnen noemen. Terwijl het gewoonweg een boek is als alle andere, alleen wat populairder dan het egoïstisch gezeur van Barnard, Sanctorum en hun ‘geestesgenoten’. Ik denk dat dit volstaat. Dicteer dit nu maar aan mijn secretaris.

Ω

Afbeelding: Martin Pulaski op het speelplein van het Koninklijk Atheneum in Tongeren, 1967. De haren waren veel te lang, de t-shirt was ongepast. Foto: Luc Verjans (?). Regie: MB.

 

GIN HOUSE BLUES

meisjes in archiduc2

Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds – mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d

Foto’s: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

DE BETROUWBAARHEID VAN WOORDEN

petrarca


Ik lees zo weinig mogelijk, en als ik iets lees liefst in het Engels, omdat ik die taal een beetje begrijp. Er zijn talloos veel Engelstalige schrijvers, zodat degenen die geen bestsellers in elkaar knutselen en toch nog tot ons doordringen alleen maar goed kunnen zijn. Dat is een wetmatigheid. Wat ik dan lees is niet altijd wat ik ervan verwacht, maar meestal valt het mee. Ik lees al jaren geen boekbesprekingen meer. Literaire bijlagen vind ik verachtelijk, beledigend. Iemand leest boeken in jouw plaats. Dat wil ik niet. Ik wil ook niet dat zo iemand boeken in mijn plaats ontdekt. Soms laat ik me wel een boek aanpraten door een vriendin. Ze heeft het mooi gevonden, zegt ze. Hoe kan ik dan twijfelen? In haar heb ik een blind vertrouwen. In een vriendin.

Maar ik wilde schrijven over de betrouwbaarheid van woorden, van  woorden die andere woorden vertalen. Meestal lees ik poëzie, gedichten bedoel ik. Niet alleen Amerikaanse en Engelse, maar ook Spaanse en Italiaanse, enzovoort. Lang al denk ik dat Petrarca een van de belangrijkste dichters is – maar mijn oordeel is gebaseerd op Nederlandse vertalingen van het Italiaans. Ik versta enkele woorden Italiaans en kan de gedichten ook luidop lezen voor het ritme, maar voor de inhoud moet ik toch vertrouwen op de vertaling(en). Bij Petrarca, en vaak bij gedichten, doet zich dan nog eens het probleem voor, niet alleen van ritme, maar ook van metrum en vooral rijmschema’s. Opdat het gedicht toch maar zou rijmen kan de vertaler zijn toevlucht nemen tot vergezochte woorden om min of meer dichtbije te vertalen. Of vice versa. God kan een duivel worden, en de hemel de hel. Je weet het gewoon niet. Wat heeft Petrarca willen zeggen, behalve dat hij van Laura houdt, en zijn liefde voor haar niet in een gedicht, niet in een perfect gedicht kan gieten? Geen idee. Ik moet me overleveren aan de troost van vreemden, van vertalers, van mensen uit Nederland. Mannen en  vrouwen die betrouwbaar zijn in het gebruik van hun woorden. Zal ik Dante, Petrarca, Pessoa ooit kunnen lezen zoals zij geschreven hebben?

En ook dit. Kan ik mezelf wel vertrouwen als ik Lucebert, Gezelle, Pernath lees? Staat er wat er staat en moet ik maar lezen en genieten van het wonder van hun woorden?

LANGZAAM EN KWETSBAAR OP WEG

traagheid,leven,ziekte,vermoeidheid,eels,mark oliver everett,alexander mackendrick,literatuur,roman,middlemarch,george eliot,lezen,muziek,film,geneesmiddelen,vitamines

Ik heb zo’n beetje de indruk dat ik jaren achtereen in hetzelfde boek heb zitten lezen. Gelukkig is George Eliots ‘Middlemarch’ nu uit. Negenhonderdzestien pagina’s heb ik doorgebracht in het gezelschap van Dorothea Brooke, Rosamond Vincy, Will Ladislaw, Fred Vincy, Caleb Garth (die mij altijd weer aan Garth Hudson deed denken), Edward Casaubon, de bankier Bulstrode en de onfortuinlijke dokter Lydgate, in een fictieve regio ergens in Engeland omstreeks 1830. Een geheel andere wereld dan degene waar we nu in leven, en toch maakt veel van wat er in de roman gebeurt een zeer vertrouwde indruk. De meeste personages zouden net zo goed nu kunnen leven; hun emoties, verlangens, dromen, ziektes, tegenslagen, geluksmomenten, liefdes en de tientallen misverstanden zijn helemaal van deze tijd. Daarom heb ik geen spijt van de in Middlemarch geïnvesteerde uren. Het is een onbetwist meesterwerk dat iedereen zou moeten lezen. Het is een van die zeldzame boeken die je verzoenen met de wereld en de mensen.

Al die maanden heeft er in België een politiek crisis gewoed waarmee ik nauwelijks begaan ben geweest. Mijn dagen zijn in een waas gehuld, ’s nachts jaagt de ene nachtmerrie de andere weg en word ik badend in het zweet wakker. Overdag ben ik uitgeput maar zoek ik toch naar een zin. Ik neem geneesmiddelen, massa’s vitamines, en omega-3, om aan de slag te kunnen gaan. Ik heb meerdere opdrachten; de ene, het werk, is een uiterlijke noodzaak, om te overleven en de andere, het schrijven, is een innerlijke noodzaak, om geen zelfmoord te plegen. Ik houd van het leven en wil me niet zomaar van uitputting overgeven aan leegte en uitzichtloosheid. Maar ik weet het niet. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben nog niet wanhopig, maar sta wel op het punt om de strijd op te geven.

Toch blijf ik cd’s en boeken kopen, alsof er niets veranderd is, alsof ik even snel en intens lees als twintig jaar geleden en de muziek mij naar even hoge sferen zal brengen als in 1968 en 1977. Die tijd is lang voorbij. Er zijn geen hogere sferen en ik bewandel mijn pad in traagheid. De warmte verandert mij in een slak, zonder beschermend huisje; neen, ik wandel naakt en kwetsbaar. Het is helemaal niet de trotse naaktheid van Moby Grape en Cat Power in ‘Naked If I Want To’. Het is een beschamende en lachwekkende naaktheid en traagheid. Ik schrijf dit neer, niet als zelfbeklag maar als een stand van zaken. Straks drink ik wijn bij het eten en luister naar the Gutter Twins en Karen Dalton. Straks lees ik  de wederwaardigheden van een andere loser, maar dan wel een loser met succes, ik bedoel de autobiografie van Mark Oliver Everett, ‘Things the Granchildren Should Know’. Straks kijk ik voor de zoveelste keer naar de genadeloze film ‘Sweet Smell Of Success’ van Alexander Mackendrick. Straks val ik in een diepe, droomloze slaap. En volgende week laat ik mijn fiets herstellen. Want wat ik vooral mis is beweging. Leven is niet alleen luisteren en lezen, maar zeker ook bewegen.

“Ver weg in de welvende lucht was het parelmoeren licht en ze voelde de grootheid van de wereld en de menigvuldigheid van het ontwaken van mensen tot arbeid en lijdzaamheid. Ze maakte deel uit van dat onbewuste, kloppende leven en kon er vanuit haar comfortabele onderkomen niet zomaar als toeschouwer naar kijken, noch haar ogen afwenden in zelfbeklag.”
George Eliot, Middlemarch

GOLDEN YEARS: EEN LODEN DECENNIUM?

IMG_2380 (2)

Vreemd vind ik het nu dat de jaren ’80 zo weinig aan bod komen in mijn hoochiekoochie-teksten. In de periode van 1975 tot ongeveer 1985, maar ook de volgende vijf jaar, heb ik nochtans veel meer geleefd, geleden, gelezen en muziek beluisterd dan in de hele rest van mijn leven. Ik had alle tijd van de wereld voor zelfwerkzaamheid, omdat ik in die tijd vaak zonder job zat. Pas in 1987 heb ik uit pure financiële wanhoop aan een examen meegedaan om voor de overheid te gaan werken. Meestal kijk ik met negatieve gevoelens terug op de jaren ’80: ik was arm, soms hadden we niets anders te eten dan aardappelen, wortelen en uien, ik kon geen boeken kopen, om te kunnen lezen moest ik naar die verduivelde bibliotheek, waar ik zelden vond wat ik zocht, er was een economische crisis, Thatcher en Reagan beheersten de wereldpolitiek. Toch heb ik van die jaren ook genoten, ik heb bijvoorbeeld nooit meer en uitzinniger gedanst dan toen. We gingen zowat elk weekend dansen in Cinderella’s Ballroom of in de Tom Tom in Antwerpen.

In 1982 ben ik* begonnen met een eigen radioprogramma, Shangri La heette het, drie uur per week. Ik draaide toen punk en wat new wave werd genoemd, veel rockabilly en rock & roll. Dat ik ook muziek van de vroege Pink Floyd, the Who en the Beach Boys aan bod liet komen, daar werd mee gelachen. Niemand hield van the Beach Boys in die dagen, Brian Wilson, dat was een rechtse kerel met de verkeerde kleren aan en componist van absoluut achterhaalde muziek – en een gek. Een song als Caroline, No werd verafschuwd. Bob Dylan werd om mij onduidelijke redenen nog meer gehaat. Like A Rolling Stone, laat me niet lachen! Nee, nee, om mee te zijn moest je Simple Minds en Human League verafgoden. Dat deed ik niet. Dank zij The Clash, waar ik een grote fan van was, keerde ik terug naar Gene Vincent, Eddie Cochran, Buddy Holly en Little Richard en obscure rockabilly. Ik hield van Robert Gordon en Link Wray. The Jam – en later the Style Council -rechtvaardigde mijn ‘gedweep’ met the Who, the Small Faces, the Kinks, Stax en Tamla-Motown.

Ik beleefde genoegen aan de zachte popmuziek van die tijd, zoals die van The Marine Girls, Tracey Thorn (op haar eerste solo-elpee staat een sprankelend-ingetogen versie van Femme Fatale), the Gist, the The, Weekend, Young Marble Giants en the Blue Orchids. Wat hield ik van de stem van Alison Statton! Een speciale plaats in mijn muzikaal hart had de Amerikaanse band Blue Angel, die ik in 1981 ontdekt had dank zij de koopjes in de Grand Bazar op de Groenplaats. Het zangeresje van Blue Angel heette Cyndi Lauper. Ze zong een fantastische versie van Gene Pitneys I’m Gonna Be Strong. Cyndi Lauper werd zoals iedereen weet beroemd onder haar eigen naam. Ze was een voorloopster van Madonna, maar kon veel beter zingen. Nog liever hoorde ik de elpee ‘From Gardens Where We Feel Secure’ van Virginia Astley.

Elke week las ik New Musical Express. Dat was een goedkoop Brits poptijdschrift. De beste popmuziek kwam toen vreemd genoeg uit Groot-Brittannië. Heaven Seventeen en British Electric Foundation bijvoorbeeld. Die laatste ‘supergroep’ heeft Tina Turner uit de vergeetput gehaald. Een van de beste bands uit de eerste helft van jaren ’80 was the Associates, die twee perfecte singles maakte, Party Fears Two en Club Country. (Vergeef me als ik een titel niet helemaal juist spel. Ik schrijf dit in mijn werkkamer, waar ik geen elpees en maxi-singles bij de hand heb. Het komt allemaal uit het hoofd.) Billy Mackenzie, die helaas zoals zoveel andere van mijn ‘helden’ al een poosje dood is, was de betere David Bowie. Hoezeer hij Bowie ook imiteerde, hij zong veel beter, veel meer met hart en ziel. De allerbeste band was Joy Division, maar die hoorde eigenlijk nog bij de jaren ’70. New Order kon mij minder bekoren. De zanger kon absoluut niet zingen en er was iets mis met hun sound. Maar er waren zoveel andere goeie zangers, zangeressen en bands in die periode. Ik had het ook wel voor dwarsliggers als The Slits, This Heat en Pere Ubu. Natuurlijk.

In die jaren las ik vooral de klassieken, daar moest ik niet te lang naar zoeken in de bibliotheek. Maar mijn voorkeur ging uit naar Vladimir Nabokov, Peter Handke, Jorge Luis Borges, Hölderlin, William Blake, Eugenio Montale, Lucebert, Louis Paul Boon en Herman Gorter. In dat opzicht is er niet veel veranderd. Ik heb waarschijnlijk eveneens een heel aantal boeken gelezen van schrijvers die ik nu al vergeten ben. Ja, nu herinner ik me weer dat ik heel veel misdaadromans las, van onder meer Patricia Highsmith, James Cain, Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Die las ik als ik een kater had. Ik had toen immers nog geen televisie. De jaren ’80? Een bijzonder mooie tijd, ondanks al de armoede en de lelijkheid.

IMG_2353

Foto’s: Martin Pulaski (Contortions, Au Pairs)

*de eerste drie maanden samen met Max Borka, later met Patje, nog later met Sofie Sap.