IN HET VERLEDEN VERDWALEN

goethe 2

“Slechts weinig mensen zijn in staat zich met het naaste verleden bezig te houden. Of het heden houdt ons met geweld vast, of we verdwalen in het verleden en proberen met alle middelen het geheel verloren gegane weer op te roepen en te reconstrueren. Zelfs in aanzienlijke en erg rijke families, die hun voorvaderen veel verschuldigd zijn, pleegt het zo te gaan dat men meer aan zijn grootvader dan aan zijn vader terugdenkt.” Goethe, Natuurlijke Verwantschappen

Wat Goethe hier zegt gaat bijna helemaal op voor mij, ook voor de notities die ik hier publiek maak. Niet zozeer doordat het heden mij vasthoudt, maar doordat ik inderdaad in het verleden, in mijn autobiografie verdwaal. Ik verdiep er mij in, probeer er vat op te krijgen, er structuur in te brengen. ik probeer te verhelderen waar ik vandaan kom en hoe ik geworden ben wie ik geworden ben. Maar hoe meer ik mij daar mee bezig houd, hoe meer het geheel een onoverzichtelijk kluwen wordt. Ik heb mij op drijfzand begeven en haast me dan maar terug naar de vaste grond en de vertrouwde omgeving. Maar er is geen echte vertrouwde wereld. “It’s a strange world we live in.” Wat ik dan doe is mij overgeven aan oppervlakkigheden. Daar leuter ik dan wat over, een beejte zoals Herman Brusselmans misschien doet, dat weet ik niet zeker want ik lees zijn werk niet, omdat de man mij niet ligt, vanwege zijn mediageilheid en zijn gebrek aan stijl en historiciteit. Of ik klamp me vast aan culturele iconen en referentiepunten, zoals in dit geval Goethe.

ZOMER IN BRUSSEL, GEFLUISTERD

cardanus

De zomer. Hier staan de twee woorden. Wat kun je daar nog aan toevoegen? Leegte, niets. Het is allemaal al gezegd. We vallen, staan weer op en vallen in herhaling. Vervelen elkaar met gezwans en gezanik. What’s new pussycat? Wow. Ook dat staat er. Je moet toch iets gezegd krijgen op een dag. Je hebt grote verwachtingen gewekt. Zwijgen kan niet meer. Dus de zomer. De zomer. Meer gefluisterd, nu, een beetje zoals Jane Birkin, maar dan mannelijker, vrees ik. Wat je natuurlijk niet kunt horen. Hoe meer ik je wil toespreken en zeggen wie ik ben en wat ik doe, hoe minder je me hoort. Hoe meer ik toenadering zoek tot de wereld hoe verder ik mij ervan verwijder. De mensen. Wat zijn jullie ver allemaal. En het verbetert er niet op, moet ik zeggen. Ja, ik moet alweer. Ik heb het beloofd en als ik iets beloof dan doe ik het ook. Ik kom ook altijd op tijd. Dat mag je gerust van me aannemen. Als ik te laat kom, is er iets aan de hand.

Er zijn zo van die dagen dat zelfs muziek me maar matig kan boeien. Sinds vorige zondag heb ik eigenlijk niet echt meer naar iets geluisterd, ook al loop ik halve dagen met de oortjes van mijn ipod in mijn oren. Ik probeer naar Aimée Mann te luisteren, omdat ik volgende zaterdag naar haar concert ga, maar ik hoor niets. Misschien wil ik te veel? Ben ik te gulzig? Want terwijl Aimée Mann mijn oren binnendringt, zonder dat ik haar stem hoor, glijden mijn ogen over de woorden van Italo Calvino. Italo Calvino tracht me ervan te overtuigen de klassieken te lezen. Vanmorgen in de metro raadde hij me nog aan om in navolging van Hamlet eens een boek van Hieronymus Cardanus te lezen. Dat zou zeer de moeite waard zijn. Wie is Hieronymus Cardanus? Ik moet nu naar de Delhaize, mosselen gaan kopen, groenten, een paar flessen witte wijn. Een kleine fles voor in de mosselen, een grote om uit te drinken. Daarna worden de mosselen schoongemaakt, evenals de groenten, en bereid zoals het hoort. Vervolgens gaan we aan tafel en eten we en praten we wat over de plantjes. De bladluizen, de rupsen. Dat het er niet goed mee gaat. Etcetera. Na het eten zijn we moe. Of wat dacht je? Misschien heb ik nog een beetje energie over om wat foto’s te scannen en op flickr.com te zetten? Voor mijn autobiografie. Leegte, niets? Mijn leven is er overvol van deze zomer. Wat me helemaal moedeloos maakt is het besef dat ik de zaterdag van mijn leven beleef. Dat las ik gisteren in een interview met Ian McEwan. Na zaterdag komt met een beetje geluk nog zondag. Dan eten we kip en zwijgen we erover. Nu hoor ik toch een liedje, zij het in mijn hoofd: Summer’s Almost Gone, van the Doors. De zomer. De lange hete zomer.