VERZINSELS OMTRENT VERONICA

veronique

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn aanbid ik nog liefst een denkbeeld, een verzinsel. Laat het maar beginnen met een verrukkelijke sopraan die niet echt bestaat. Alleen al de tong die trilt in haar open mond wijst op de onwezenlijkheid van haar wezen.

Als zij zingt, verwijder ik me van een donker meer waar weduwen zich komen verdrinken. Als zij zingt, vlieg ik enigszins gelaten, wat mij achteraf verbaast, over de hoge toppen van een pijnboomwoud, ergens in Centraal-Europa. Slavonië? Ik ben niet zeker.

Dat aanbidden van verzinsels en zinnebeelden – en het verzinnen en verzinnebeelden van de aanbidding – gebeurt meestal in het donker. Zonder omzien, genadeloos haast, stel ik me nu voor dat Veronica zich uitkleedt voor het diepgelovige koor, dat haar losbandigheid prijst. Wat klinkt hun polyfonie opeens koortsachtig, vermetel!

Misschien leeft zij in een droom die telkens terugkeert, een beetje zoals die van Adolfo Bioy Casares? Een droom gedroomd door haar langdurig evenbeeld. Ik bedoel dat het evenbeeld langer duurt dan zijzelf. Hoewel je natuurlijk vaak zelfs niet weet wie de ‘echte’ is en wie de ‘dubbelganger’.

Van het donkere meer ben ik naar een rivier gelopen. Het is – tegen heel wat verwachtingen in – volop lente geworden. In het klaterende water was ik de slaap uit mijn meestal verbaasde ogen. Aan een baadster, die wat op Veronica lijkt, vraag ik over het woud. Nee, zegt de vrouw, in Slavonië is er geen pijnboomwoud. Ik had het moeten weten, zeg ik: ooit stond ik in Osijek op een nagenoeg verlaten landweg te liften, zonder resultaat, waarna ik me genoodzaakt zag mijn laatste geld uit te geven aan een treinkaartje naar Boedapest. Arme man, zegt ze. Helemaal niet zeg ik, ik was zelden gelukkiger.

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn, duurt wat zich in het halfdonker aanbiedt liefst niet te lang. Er is nog zoveel schijnbaars en oppervlakkigs binnen handbereik, zoveel zenuwslopende beelden, zoveel voedingsstof voor de verbeelding.

Ω
Foto: La double vie de Véronique (1991), van Krzystof Kieslowski, met Irène Jacob.

 

DE RODE DRAAD: EERSTE VERSIE

ozedf

“Nu besef ik pas hoe ijdel dat was; want had ik in hun situatie zelf soms niet kunnen moorden of stelen?” Jean-Louis Trintignant (Le juge), in ‘Trois couleurs: rouge’ van Krzysztof Kieslowski.

Het bloed van een lam. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed.

Terneergeslagen bloed.

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Een verfoeid verkleinwoord, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vol van licht boven de warme golven van de Schelde.

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld.In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken.

Het onweer is rood en donker.  Als we fietsen, op de vlucht voor de dood. Zoveel rode en blauwe fietsers, zoveel van hen al vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsen naar het verleden, pijlsnel naar een luguber feest van Edgar Allan Poe. Op rode muziek danst het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang.

Het rood in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. Le rouge et le noir en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Je rode lippen. Les lèvres rouges –  made in Belgium. Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gekust. Tot de lippen bloeden van schaamte. Maar niemand schaamt zich om rood.

Terwijl vampieren zich vermaken op zo’n bal stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis.

Het bloed van Sharon Tate moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’, is het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes.

Michael Madsen snijdt iemands oor af, met genoegen, en met hetzelfde genoegen beluisteren we zijn vergane stem. Elk woord is een gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gesnuif. Waardoor we vluchten. Vluchten in elkaar.  Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars. (Later de gebroken ribben.) (Later de lotgevallen.)

Hoest je bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen warme kat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij de moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam?


(Ontwerp.)

IN NAVOLGING VAN VIGO EN KIESLOWSKI

De tekst in poëtisch proza ‘Veronica’, die ik hier gisteren te lezen aanbood, is geschreven na het zien van de film ‘La double vie de Véronique’ van de betreurde Krzysztof Kieslowski. Het gedicht ‘L’Atalante’ is gebaseerd op het gelijknamige meesterwerk van de nog dieper betreurde Jean Vigo, met de fantastische Dita Parlo in de hoofdrol. Ik heb misschien al vijftig versies geschreven van ‘L’Atalante’, maar nooit slaag ik erin de beelden van de meester te evenaren. Beschouw me echter niet als een sadist, want dat zou ik zijn als ik het gedicht als een volkomen mislukking beschouwde (en het hier dan zou laten lezen).

Iets helemaal anders, maar misschien toch ook niet, zijn deze woorden van Frederik Van Eeden, uit ‘De nachtbruid’:
“Wie leeft om te eten, te drinken, wat te werken en uit te rusten, zijn plichtje te doen en zijn zorgjes te vergeten, en verder den nacht zoo dof en bot en wezenloos mogelijk door te brengen, – wien er vooral aan gelegen is zijn maag en zijn brandkast te vullen en zijn slaap leeg te laten – zoo iemand noem ik niet een gezond en gelukkig maar een beklagenswaardig mensch.”