PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is – niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 2013

VLAAMSE SCHRIJVERS OVER DE BLOEDIGE AANSLAGEN IN PARIJS

im lauf der zeit.jpg

In De Morgen van 14 januari vroeg Dirk Leyman zich af waar de Vlaamse schrijvers bleven met hun reacties op de bloedige aanslagen in Parijs. Kennelijk ben je in Vlaanderen alleen maar een schrijver als je ook een BV bent, de slimste mens van de wereld of een geregelde gast in Ter Zake, Reyers Laat, en andere door de NVA gesponsorde spektakelshows.
Normaal gezien wind ik me over dergelijke vormen van miskenning en verzwijgen niet op. Ik leef in een andere wereld. Roem en bijval zijn nooit mijn deel geweest: ik heb er niet naar gezocht, ik ben er niet handig genoeg voor.

Wellicht omdat uitsluiting een niet te onderschatten aspect is van de tragische gebeurtenissen in Parijs en ook aangeroerd werd in de vele discussies en opiniestukken achteraf heb ik dit keer wel last met een vraag als die van Dirk Leyman. Op 13 januari publiceerde ik op mijn blog mijn bedenkingen bij de aanslag op Charlie Hebdo. Het was niet mijn bedoeling aan al de meningen die al geformuleerd waren nog een mening toe te voegen. Ik had en heb geen mening. Aanvankelijk wilde ik zwijgen, dat leek me het best. Maar uiteindelijk koos ik ervoor om mijn ervaring van die dagen te beschrijven. Op die manier wilde ik laten zien welke impact terreur en de gevolgen ervan kunnen hebben op een individu. Een individu dat toevallig ook een schrijver is, zij het een schrijver die in de Vlaamse Letteren niet bestaat en bijgevolg geen recht van spreken heeft.

NIETSDOEN VERGT EEN SPONSOR

de goede rechters ensor.gif
De goede rechters, James Ensor, 1891

Ik ben vooringenomen. Mijn bestaan is gebaseerd op versies van de waarheid, op verhalen, mythen, leugens, verzinsels, vooroordelen. Denk nu niet dat ik niet goed wil leven. Ik wil goed en matig leven. Ik wil mijn soortgenoten niet lichtvaardig beoordelen. Maar er zijn grenzen. Een van die grenzen heet Serge Simonart. Eigenlijk zou ik deze elektronische pagina’s niet mogen bevuilen met zijn naam. Dat wordt elders al voldoende gedaan. Ik zou de man moeten verdedigen, want ik vermoed dat hij veel vijanden heeft. Maar dat is in dit geval te veel gevraagd. Een vijand van me is hij zeker niet, hij heeft mij niets in de weg gelegd. Maar ik lust de kerel niet. Alles aan hem irriteert me.

Via Facebook en mijn kameraad Jan Van den Eynden werd ik nog maar eens een keer met de Vlaamse popkenner par excellence geconfronteerd. De man die ontwaakt en slapen gaat met de groten der aarde: David Bowie, Lou Reed en David Sylvian.

Ik las over dit heerschap – pervers en masochistisch als ik ben – een artikel dat gisteren in De Morgen online verscheen.  “De uitzending van Radio 1-programma ‘Hautekiet’ over luiheid is uitgemond op een vilein moddergevecht tussen rockjournalist Serge Simonart en komiek en acteur Iwein Segers”, stond daar vetgedrukt.
En wat minder vet: “ “Nu ga ik zoals gewoonlijk heel wat mensen tegen mij in het harnas jagen. Maar het is nu eenmaal zo: nietsdoen vergt een sponsor”, stelde Simonart. “Dat is bij heel veel mannen zo, zeker in de pseudo-artistieke wereld. Daarstraks sprak u met Iwein Segers. Wel, ik gok erop dat Iwein Segers ofwel jarenlang aan den dop heeft gestaan, ofwel vriendinnen had die zorgden dat het huishouden functioneerde of hem sponsorden. Er zijn in Vlaanderen heel veel schrijvers en dichters wiens zogenaamde kunstenaarschap de facto financieel en praktisch gesponsord wordt door hun werkende vrouw.””

Een man moet durven. Een popkenner die met de groten der aarde slaapt en droomt is het aan zichzelf verplicht sterke uitspraken te doen. Niet dat hij, zoals Louis Paul Boon, de mensen een geweten moet schoppen. Neen, hij moet hun geweten – eenmaal ze dat hebben – harde schoppen geven. De mensen moeten weer gewetenloos worden, rancuneus, afgunstig, zuur en nijdig.

In zijn boek ‘Nadja’ schreef André Breton dat je niets aan je leven hebt als je werkt. Hoe vaak heb ik dat al niet geciteerd… Het zal een vorm van luiheid van me zijn. De surrealist wilde hoegenaamd niet beweren dat mensen niet moeten werken, maar wel beschouwde hij arbeid als een noodzakelijk kwaad. De bewering dat ‘zogenaamde kunstenaars’ profiteurs en parasieten zijn is achterlijke onzin. De facto, zegt hij. In Vlaanderen, zegt hij. Zulke uitspraken dus. Dat is gedurfd. Daar is moed voor nodig. Daarvoor moet je op hetzelfde niveau staan als de groten der aarde.

Niet alle kunstenaars werken even hard, maar ik ken er nogal wat die zich doodgewerkt hebben. Met of zonder mecenas. Ik geef maar een voorbeeld: Rainer Werner Fassbinder. O, maar dat was geen Vlaming. Daniel Robberechts dan? Roger van de Velde?

Interviews afnemen zoals Simonart doet is niet werken. Interviews zijn veeleer – voor hem dan toch – gezellige onderonsjes. Het probleem is dat hij ze niet eens in behoorlijk Nederlands kan vertalen. In het artikel in DM las ik dat hij nooit van iemand een cent heeft gekregen, ook niet van zijn ouders. Daar is hij trots op, zegt hij. Maar misschien zouden zijn ouders hem kunnen helpen om zijn ‘interviews’ wat bij te schaven. Misschien kunnen ze hem meteen ook duidelijk maken dat Ornette Coleman een man is en bijgevolg geen vrouw (tenzij hij dat inmiddels al op Wikipedia heeft gevonden). Ik heb in mijn leven maar enkele interviews afgenomen (onder meer van Kevin Ayers, Buddy Guy, Junior Wells, John Hammond Jr.): het waren van de plezierigste en meest ontspannende momenten in mijn leven. Over je werk geïnterviewd worden (is me ook al eens overkomen): dat is pas werken.

Overigens vind ik dat elke mens recht op luiheid heeft.  Ook Serge Simonart. Dat hij een lui schepsel is, te lui om even over enkele essentiële zaken na te denken, is hem dus vergeven.

MARCO FERRERI’S EL COCHECITO

El cochecito Ferreri1.jpg

El cochecito Ferreri2.jpg

Marco Ferreri, vooral bekend van La grande bouffe en Bye Bye Monkey (Ciao Maschio), is een van mijn favoriete regisseurs. Mijn voorkeur gaat echter naar zijn wat minder bekende films. Zijn meest ontroerende en ‘grappige’ werk is El cochecito, een ‘jeugdzonde’. De Italiaanse regisseur draaide de film in 1960 in Spanje, wat geen sinecure zal geweest zijn: Ferreri’s zwarte humor en anarchistische ingesteldheid waren al helemaal aanwezig in dit kleine meesterwerk. Misschien waren de fascisten van generaal Franco te dom om de radicale kritiek op hun regime te begrijpen? Een aanrader, en beschikbaar op dvd.

HET HYSTERISCH GEWAUWEL VAN MARTIN PULASKI

rambo

Een of andere onbelezen, onbehouwen macho nitwit heeft een aanval, niet op mij, Martin Pulaski, maar op hoochiekoochie ingezet. Het ezelsoor dat ten strijde trekt noemt zich een ‘geschoold militair’ – dat militair zou wel eens kunnen kloppen, aan zijn geschoold zijn heb ik zo mijn twijfels, maar daar kan de jongen niets aan doen – en denkt dat hij tot intelligente ‘fases’ in staat is. Hij noemt niet de schrijver, Martin Pulaski, maar ‘hoochiekoochie’ een ‘supreme (sic) hysterica’, terwijl hij het later in zijn woordenbrij (een groot deel van zijn vocabularium is geen Nederlands) over ‘de pure anale hystericus’ heeft. Het personage ‘hoochiekoochie’ is bijgevolg androgyn. Mooi zo.

De man is kennelijk geobsedeerd door hysterie, hij komt er in zijn korte woordgebraak meermaals op terug; zo heeft hij het ook ergens over ‘pure hysterische kutterij’. Wat uit bijna elk woord duidelijk wordt is dat onze soldaat een extreme vrouwenhater is. Wat hij nog het ergerlijkst schijnt te vinden aan hoochiekoochie is dat sommige ‘vrouwelijke’ vrouwen de blog graag zouden kunnen lezen. Hij gaat meteen van de veronderstelling uit dat de schrijver van hoochiekoochie daar heel bewust op uit is. De vrouwen die de teksten op hoochiekoochie (misschien) graag lezen, noemt hij ‘Misses Bean’ – ik hoop voor die dames dat hij er niets al te ergs mee bedoelt. Zelfs heb ik er geen flauw besef van wat een ‘Miss Bean’ is.

Ik kan natuurlijk niets bewijzen maar ik heb altijd alleen maar geschreven. In de eerste plaats voor mezelf, omdat ik een narcist ben, in de tweede plaats voor iedereen die me wil lezen, mannen, vrouwen, Chinezen, olifanten, samenstellers van encyclopedieën, noem maar op, omdat het me een fijn gevoel geeft als mijn teksten worden gelezen, om welke reden dan ook. Het is dus grappig dat een ‘geschoolde militair’ die mijn teksten als ‘pure hysterische kutterij’ beschouwt enige aandacht geeft aan mijn maar al te zwakke, nutteloze ‘lullerige woorden’. Alsof een generaal champagne schenkt in de groezelige drinkbeker van een naamloos soldaatje. Danke schön, Herr General!
Hoochiekoochie als een bewuste maar enigszins domme en volledig oppervlakkige strategie om de aandacht van vrouwen te krijgen?

Toevallig hoorde ik vandaag een song op de compilatie ‘The Complete Goldwax Singles, Volume 3 1967-1970’: ‘Stay Away From Brenda’. Waarom moet ik van Brenda wegblijven? Omdat zij wel eens mijn zus zou kunnen zijn. Misschien is het wat vergezocht, maar ik ben op mijn hoede. Telkens als een bewonderaarster van hoochiekoochie met mij contact opneemt ga ik alle antecedenten na: het zou wel eens een zus van me kunnen zijn. Mijn vader maakte wel eens slippertjes…

Maar dat is allemaal nog niet zo niet erg. De ‘geschoolde militair’ is van mening dat mijn ‘hysteriesch (sic) gewouwel (sic)’ van hetzelfde kaliber is als dat van Herman Brusselmans. Ik heb het niet over de vijf of zo spelfouten in twee woorden, maar over de vergelijking. Als er nou iemand in de letteren is waar ik me volkomen van distantieer is het wel deze veelschrijver. Ik heb in lang vervlogen tijden een tweetal boeken van Brusselmans gelezen en gedacht: dit is het niet. Maar benijd ik Brusselmans zijn succes, en zijn tienduizenden vrouwen? Verre van. Brusselmans doet waar hij zin in heeft. Maar vergelijk mijn teksten vooral niet met die van die herenboer van de Vlaamsche letteren. Ik heb er geen enkele affiniteit mee. (Vreemd dat ik dat hier nog eens duidelijk maak).

rimbaud

Erger nog is dat de ‘geschoolde militair’ mij het recht ontzegt om de term hoochiekoochie te gebruiken, omdat ik geen ‘echte man ben zoals John Le (sic) Hooker of Muddy Waters’. Ik ben inderdaad geen echte man, maar mag James Joyce, met wie ik me zeker niet wil vergelijken, de naam Ulysses dan ook niet gebruiken, omdat hij niet deelnam aan de Trojaanse oorlog? Overigens luister ik met overgave naar de muziek van Muddy sinds ik zelf als kleine jongen in modderig water zwom. Ik herinner me warme zomers, moerassen, door mijn vader gevangen paling, die nog kronkelde na gevild en in stukken te zijn gesneden. En zoals Muddy Waters heb ik altijd graag vrouwen gezien. Weet je wat: alles wat ik doe, zeg, schrijf is voor de vrouwen. Elk woord dat ik schrijf is voor de vrouwen. Maar de vrouwen zijn mensen zoals jij en ik. Bovendien ken ik heel wat vrouwen die mannen zijn en vice versa. They have a ticket to ride, and I don’t care!

Tenslotte wil ik benadrukken dat ik voor Lola schrijf, en voor Brenda en Brandon, en voor de weerwolven, die onder de volle maan onze straten veilig maken. Voor het gespuis, het crapuul, en de magere heiligen. Degenen die nooit verklaard zijn. Drie procent van wat ik schrijf is gestolen van James Carr, de rest komt uit oorlogsfilms en westerns, de rest komt uit de Bijbel en de taal van vissers, het bargoens van hoeren en soldaten. De rest uit toespraken van koningen en mislukte ministers. De rest fluisteren vetzakken en ‘personages’ in dagdromen en nachtmerries me in het oor. Voldoende?

rimboe

 

BLOGS: EEN GEVAARLIJK FENOMEEN II

lezen,blogs,lichaam,drinken,verlangen,baltasar gracian,naam,emoties,eten,mens,vrienden,orpheus,eerlijk,vijanden,staatsgevaarlijk,marginaal,senaat,geschonden,zuiver,hof,herkenning,kgb,cia,voorzichtigheid,onzuiver,goede naam,dreigende taal,lady godiva,hoveling

John Collier – Lady Godiva.


In verband met de reacties bij mijn vorig stuk over de dreigende taal van minster De Crem. Dreigende taal ten aanzien van bloggers. Ik werd gewaarschuwd voor lezers in de Belgische Senaat. En grote broer zou meelezen als ik schrijf. Kennelijk doet Hij dat bij anderen ook. Het lijkt wel of een soort KGB of CIA ons op de hielen zit, wordt beweerd. Zijn we dan staatsgevaarlijk? Ik zou ook voorzichtig moeten zijn voor mijn buren, degenen die mij niet welgezind zijn. Zij zouden op hun eigen blogs mijn ‘goede naam’ wel eens kunnen bezoedelen.

Wat maakt het uit? Hoe meer lezers hoe liever. Ik ben geen slecht mens en doe niemand kwaad. Wel ben ik af en toe terecht verontwaardigd en stel ik als het nodig is pertinente vragen. Maar veel meer dan een kritische geest ben ik een kind, een dromer, een dichter, een muziekliefhebber. Veel meer dan een kritische geest ben ik een door de tijd en de omstandigheden geschonden mens. Ik schrijf over mijn leven, wat ik zie, hoor, voel – wat ik waarneem. Mijn woorden drukken mijn emoties uit en die zijn eerlijk. Natuurlijk ben ik niet zuiver op de graat. Zuiverheid heeft geen geur, tenzij die van bloed en bodem. Ik ben eerloos. Mijn vaderland is er een van de geest, van broerderschap en zusterschap. Wij herkennen elkaar aan onze liefdes, onze verliefdheden, onze obsessies. Wat wij zeker niet willen is de wereld vernietigen. Ik heb het al eerder gezegd: ik kijk toe vanop de zijlijn. Ik ben een marginale burger. Ik  vermoed dat de halve senaat bevolkt is met marginale burgers. Want wie kent zijn tijd volledig? Wie is met alles mee? Wie schrikt soms niet van monsters ’s nachts. Welke man wil geen Lady Godiva achterna hollen, welke vrouw geen Orpheus horen zingen?

Zoals wellicht iedereen ben ik een lichaam dat eet en drinkt en denkt. Een lichaam dat toenadering zoekt en afkerig is. Lezers zullen zich in mij herkennen, bedienden van de Senaat, masters en bachelors, immigranten, kantoormeisjes, kunstenaars, dichters, praline-eters en aardappelhoofden. Welkom in mijn wereld!

Toch nog dit: ik ben ooit in de leer geweest bij Baltasar Gracian. Van hem heb ik heel veel geleerd over voorzichtigheid, vooral aan het hof. Je zou kunnen beweren dat het hof zich vandaag over het hele land uitstrekt. Velen zijn hovelingen. Ik ben overal voorzichtig. Voorzichtigheid is niet verboden.

MIJN ONVERDRAAGZAAMHEID

Johan Huizinga  archivio Giovannetti/effigie

Een tijdje geleden viel ik de komediantenmaatschappij aan, waar wij met zijn allen deel van uitmaken. Individuen als Johan Huizinga (van Homo Ludens) en André Breton (van L’amour fou) zijn niet meer mogelijk, denk ik. Authentieke mensen, die volledig autonoom denken en handelen. Iedereen gedraagt zich min of meer volgens dezelfde regels en stilzwijgende afspraken. Alleen misdadigers wijken daar nog van af – of bevestigen ze net door ze te ontkennen, door ze te overtreden. Iedereen handelt alsof hij/zij de wereld aangenaam vindt en niet ziet wat voor een schandaal het bestaan in werkelijkheid is. Alsof het doodgewoon is dat de armen razendsnel armer worden, de ellendigen ellendiger, en dat de minderheid die bezit zich zeer ellendig voelt (zonder het te uiten, tenzij tegen de psychiater). Alsof het vanzelfsprekend is dat niets nog iets betekent.

Ging ik te ver met mijn tirade? Ik weet het niet. Ik was in de war. Vandaag ben ik nog meer in de war. Ik heb zo van die dagen. Niets schijnt dan nog steek te houden. Supermarkten, televisietoestellen, hondenhokken, sterrenstelsels. Wat maakt onze samenleving kapot? Moeilijk te zeggen. In de eerste plaats onze verdraagzaamheid, denk ik. Ik heb het nu niet over het omgaan met mensen uit andere landen, over onze houding tegenover onze broeders en zusters, onze gelijken. Ik heb het over de verdraagzaamheid ten aanzien van alles wat ik hierboven al heb genoemd. Wij zwijgen en doen wat van ons wordt verwacht. Uit ons midden staat geen Themroc op, of, zoals in de Pantserkruiser Potemkin, een matroos die weigert nog langer rot vlees te eten.
Is het de teleologie die onze wereld vernietigt? Het kantiaanse doelgerichte denken? Where will it end? De managersmaatschappij? Ik manage jou als jij mij managet. Come on baby, scratch my back!

We lijden aan het onvermogen om werkelijk kritisch te leven, onszelf telkens opnieuw uit te vinden, we zijn slaven van onze gewoonten, van onze dagelijkse routines. Wij zij arrogant in onze zelfgenoegzaamheid. Wij zijn niet brutaal als we brutaal zouden moeten zijn en verbannen de waanzin van de liefde uit ons bestaan. Lef is een lelijk woord, maar ik vind geen ander. Of toch wel… Opstandigheid, rebellie, gelukzalige ontevredenheid, verontwaardiging, woede, razernij, tederheid, ziedend verlangen, niets ontziende liefde, alles ontziend egoïsme, openheid… Zijn die begrippen geen sporen die in de juiste richting wijzen? Die ons opnieuw wortel kunnen laten schieten in een vruchtbare afgrond? Ja, afgrond, want ik huiver van de grond, die met bloed doordrenkt is. Ik ben in de war vandaag. Hoe kunnen wij de wereld zuiveren van al dat bloed? Hoe kunnen wij de eeuwige vrede vinden? Hoe kunnen wij de laatste oorlog luidkeels een halt toeroepen? Hoe? Ik ben in de war vandaag en zeer onverdraagzaam. Hoe kan ik anders zijn?

Noten

“Men kan bijna al het abstracte loochenen: recht, schoonheid, waarheid, goedheid, geest, God. Men kan den ernst loochenen. Het spel niet. Maar met het spel erkent men, of men wil of niet, den geest. Want het spel is, wat ook zijn wezen zij, niet stof. Het doorbreekt, reeds in de dierenwereld, de grenzen van het physisch bestaande. Het is ten opzichte van een gedetermineerd gedachte wereld van louter krachtwerkingen in den volsten zin des woords een superabundans, een overtolligheid. Eerst door het instroomen van den geest, die de volstrekte gedetermineerdheid opheft, wordt de aanwezigheid van het spel mogelijk, denkbaar, begrijpelijk. Het bestaan van het spel bevestigt voortdurend, en in den hoogsten zin, het supralogisch karakter van onze situatie in den kosmos. De dieren kunnen spelen, dus zij zijn reeds meer dan mechanismen. Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.”
Johan Huizinga, Homo Ludens

“De eenvoudigste surrealistische daad is met een revolver in de hand de straat op te gaan en lukraak, zoveel als mogelijk, op iedereen te schieten. En wie heeft nooit in zijn leven de neiging gevoeld op die manier af te rekenen met het heersende systeem van getrapt en geslagen worden; zijn buik zit ter hoogte van de loop. De rechtvaardiging van een dergelijke daad valt volgens mij goed te rijmen met het geloof in het schijnsel dat het surrealisme diep in ons tracht op te sporen. Mijn bedoeling is alleen hier de wanhoop van de mens te berde te brengen; niets anders kan dit geloof rechtvaardigen.”
André Breton, Manifestes du surréalisme

In een voetnoot waarschuwt Breton voor een simplistische interpretatie van deze uitspraak. Breton hechtte heel veel waarde aan de droom en aan onbewuste verlangens. Heeft een tekst niet altijd een subtekst, en is letterlijk lezen niet wat simplistisch, zoals hier beneden al werd opgemerkt.

Foto: Johan Huizinga