ARCHIPEL VAN HET VERDRIET

La-Comtesse-perverse-1974.jpg

Ik lag in bed, ernstig ziek. In een kleiner en lager bed naast het mijne mijn moeder, om over me te waken. Soms, in mijn koorts, verbeeldde ik me dat ze een agent was die me in de gaten hield. Dan voelde ik me meer een gevangene dan een zieke. Alleszins had ze altijd ten minste een oog wijd open, voortdurend op mij gericht, op mijn gezicht, mijn magere handen.

Je bracht me een bezoek. Het viel me op dat je anders was dan anders, afstandelijker, ziellozer, je huid kleurlozer; je ogen hadden weinig van hun gebruikelijke schittering. Ik lag in bed met alleen een T-shirt en onderbroek aan en schaamde me daar voor, want zeker voor jou wilde ik mooi gekleed zijn. Mijn kleren, zelfs mijn pyjama, lagen onder mijn matras, een vochtige warboel.
Je maakte aanstalten om te vertrekken, wat me, ondanks je teleurstellende verschijning, erg bedroefde. Ik vreesde dat ik gauw zou sterven, of dat je nooit meer zou terugkeren. Van mijn moeder mocht ik niet uit bed komen, je niet omhelzen, geen afscheid van je nemen. Waar vond ik de kracht om zo lang en heftig bij haar aan te dringen? Uiteindelijk stond ze toch een vluchtig afscheid toe, als ik maar niet te dicht bij je kwam. Vliegensvlug haalde ik mijn pyjama onder de matras uit en trok hem aan, zij het met het jasje verkeerd toegeknoopt. Ik was nog niet helemaal aangekleed en schaamde me ook daar weer voor, toen jij al voor de deur stond, met je rug naar me toegekeerd. Je wilde me niet omhelzen, volgens jou omdat het niet mocht. Plotseling zei ik, tegen moeders verbod in (of was het dat van de agent?), met een moed die alleen maar kan voortvloeien uit teugelloze liefde, dat ik met je mee zou gaan tot aan de Oude Bareel. Maar je was al bijna buiten. Wellicht had je mijn woorden, vol verlangen uitgesproken, niet eens gehoord. De droefheid die me daarop overviel was immens. Ik geloof niet dat ik me ooit triester heb gevoeld, niet in een droom en niet in het wakend leven. Toch keek je, net voor je de deur achter je toetrok, nog even om, met tederheid en liefde in je ogen. Die droefheid, omdat je vertrok en omdat je omkeek, was zo ondraaglijk dat ik huilend wakker werd.

Eens wakker besefte ik dat Bob  Dylan het helemaal verkeerd had: “She’s an artist, she don’t look back…” Het is net omgekeerd. Als je een kunstenaar bent, een kunstenaar die liefheeft, kijk je gedurig terug, denk maar aan Orpheus.

Ik viel opnieuw in slaap. Nog dezelfde droefheid  torsend kwam ik op een eiland aan dat deel uitmaakte van een grijze en bloedrode, geërodeerde archipel. Na een half uur op het eerste eiland wilde ik naar het tweede, en zo verder. Maar het was moeilijk om van het ene naar het andere eiland te reizen. Er voer slechts één ferry per dag uit, op een onduidelijk uur. In het huis waar ik voorlopig verbleef, mijn kaartje voor de overtocht steeds binnen handbereik, gebeurden allerlei bizarre dingen. Zo was het op sommige dagen een komen en gaan van bedelaars, goochelaars en beschimmelde figuren. Er werd gehoest, gerocheld, gefloten, maar niemand zei een verstaanbaar woord. Troost kon je van geen levende noch van een dode ziel verwachten. Grote aarden potten waren gevuld met oude suikerklontjes en graan dat een muffe geur had. Elke kamer had op zijn minst zes deuren die met zes verschillende sleutels moesten worden geopend en gesloten.

Ondanks de waanzin wilde ik in die droom niet in slaap vallen, omdat ik bij jou wilde zijn, jij die je nu op een van de andere eilanden van de archipel bevond. Als dat niet ging zou ik wachten tot jij bij mij zou komen. Daarom slikte ik pillen, pillen tegen de slaap. De dagen en nachten vlogen voorbij. Mijn voorraad pillen en water om ze mee in te slikken slonk. Ik hoopte, maar tegelijk voelde ik wanhoop: nooit zou er een ferry voor me komen, nooit zou er een ferry voor jou komen. En als we elkaar dan toch zouden vinden, zou onze ontmoeting maar kortstondig zijn, een oogwenk, niet langer.

Het was een heel eind tot de aanmeerkade en het was donker en alles was grijs, de lucht, de zee, de aarde, de wegen, de kamers. Op een dag belde mijn broer aan, dronken, met een nieuwe voorraad capsules, hun houdbaarheidsdatum lang overschreden. Hij zei dat ik me aanstelde en lachte me uit. Onze liefde bevuilde hij met een resem schunnige uitspraken. Ik bleef ernstig, zal er heel boos hebben uitgezien. Hij begreep niets van onze liefde, zei ik.

Later, op een van de kleinste eilanden, in een vertrek vol grillige schaduwen, zei je me dat je zwanger was. Ik wilde je vragen of het van mij was, maar realiseerde me dan dat we al weken niet meer gevrijd hadden en zei niets. Ik wist meteen dat het van een andere man was. Toch nam ik het je niet kwalijk, omdat ik zo blij was dat we even samen waren. Ik vond je buik zo mooi, mooier nog dan in de dagen van onze warmste liefde. Wat was ik triest! Meest van al nog omdat ik wist dat we maar een poos samen zouden zijn en elkaar nu ook weer niet zouden omhelzen. Moest ik ook niet vechten tegen de slaap en waren de antislaappillen niet op? En was mijn broer niet aan het grinniken en ons in ons gezicht aan het uitlachen? En moesten we ons niet haasten vanwege het nakende vertrek van de ferry? En verbood mijn moeder me niet ten strengste om ook maar één woord met jou te wisselen?

De kamers waarin we elkaar zo vluchtig zagen veranderden gedurig van vorm. Soms waren ze opgetrokken uit bamboe, soms uit drijfhout, soms uit beton. Nooit waren ze weelderig, nooit licht en luchtig. Meermaals werd ik midden in een scène – want hoe kan ik deze situaties anders noemen? – wakker, altijd als een romantische, sentimentele vrouw met tranen in de ogen, moeizaam ademhalend. Vreemd was dat ik toch meteen weer wilde slapen, om verder te kunnen dromen, hoe triest het ook allemaal was. Alleen maar, denk ik, omdat ik dan af en toe toch bij je was. Onze toestand, zoals ik hem beleefde, was ondraaglijk, die wirwar van moeilijk bereikbare eilanden – in het azuur in het wilde weg gespatte donkerbruine verfvlekken, drip drip drip – en hoe jij daar en ik hier was, en dat er dan plotseling op een landkaart toch autosnelwegen zichtbaar werden die de eilanden met elkaar verbonden. Op luchtfoto’s kon je ze duidelijk ontwaren. Lange bruggen, een beetje zoals de Seven Miles Bridge in Florida of de Rio–Niterói Brug in Brazilië. Maar geen van die bruggen bracht ons weer bij elkaar. De pillen die mij geholpen hadden om wakker te blijven en, vooral, om de hoop niet op te geven, waren op. Van de toekomst viel niets meer te verwachten, geen geluk, geen ongeluk, geen pijn, geen verdriet, niets. Er viel niets meer te verwachten in deze archipel van het verdriet.

oude barreel3.jpg

DIVERTIMENTO

divertimento.jpg
Good cop or bad cop?

Maandag was ik in het UZ Brussel voor een niet al te zware operatie (divertikel van Zenker) – er werd me desondanks algemene anesthesie toegediend. Over de chaos en de slechte communicatie in het ziekenhuis schrijf ik later misschien. Dinsdag mocht ik, na een slapeloze nacht vanwege het oorverdovend, zenuwslopend gesnurk en gehoest – elke hoestbui leek op een bombardement – van mijn buurman, alweer naar huis. De man was gehandicapt, hem kon natuurlijk niets kwalijk worden genomen. Bij het verlaten van de ziekenfabriek voelde ik me nog wat zwak en beverig, maar ik was blij dat ik weer in de taxi kon stappen.

Die dinsdagavond kreeg ik spierpijn en hoofdpijn, ’s nachts koorts. Woensdag voelde ik me erg ziek: hoesten, keelpijn, nog hogere koorts – niets wat verband leek te houden met de ingreep. Mijn huisarts vermoedde dat de meeste pijn een gevolg was van de operatie, met daarbij mogelijk een virus. Hij schreef me niet meer voor dan veel rust en pijnstillers. We voerden geen gesprek. De volgende dag – donderdag – kwam mijn tweede huisarts (ze vormen een team). Hij hoorde dat ik een ernstige longinfectie had en geschikte medicatie nodig had. Wat ik prettig vond was dat hij me liet vertellen over mijn ‘avonturen’ in het ziekenhuis. Je zou daar een roman over moeten schrijven, zei hij. Dat zou je heel goed kunnen. Misschien wel, zei ik, maar ik begin er niet aan. En ik wil ook nooit meer naar zo’n huis terug waar de mensen aan de lopende band ziek worden gemaakt. Zelfs als de technische ingrepen, als bij machines, perfect worden uitgevoerd.

Mijn twee huisartsen doen me soms denken aan the good cop en the bad cop in niet al te originele misdaadverhalen.

Ω

Het voorgaande stond al gedeeltelijk op facebook, maar ik vermoed dat ik vrienden en misschien zelfs lezers heb die geen gebruik maken van dat netwerk. Daarom even een herhaling, om de hele wereld in te lichten hoe geweldig ik me voel!

In het ziekenhuis las ik ondanks alles een meeslepende misdaadroman, ‘Tuinier van de nacht’ van George Pelecanos, een auteur met een bijzonder goed inzicht in de menselijke psyche en intermenselijke relaties. Maar wat een gruwelijke vertaling! Gelukkig buig ik me alleen nog over misdaad en geweld in ziekenhuizen.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012

VROEGER IS NU

Twombly_wilder shores of love

Als stro zijn de dagen, ook al zie je geen velden, geen heuvels, geen vuren branden. Je ruikt een korte, felle brand, en daarna, terwijl je een glas bier drinkt, het smeulen. Je zit op een krat te piekeren over de voorbije weken en maanden. Is alles echt gebeurd? Heb je geleefd tijdens die maanden, of was het maar een droom? Was je werkelijk in Umbrië, in Rome, in Berlijn, in Wenen, in Porto, in Lissabon, in Barcelona? Zag je er alles wat je gezien hebt. De heuvels van Spoleto, het drukke verkeer, de oudste kerk van Rome door het raam van je hotelkamer, liep je opnieuw over de Auguststrasse en in Prenzlauerberg? Werd je uitgenodigd voor een Vietnamees etentje ergens in Kreuzberg en werd je zo dronken van de wodka dat je er scheel van zag? ’s Anderendaags op het vliegtuig. Het lijkt op een droom.

Ook in Porto. Je vrienden, de nachten, de kunstgaleries, de sterren van José, het museum waar Cristina jullie de weg wijst, waar A. ten val komt, de lekkere Portugese wijn in café Guarany, en aan de oceaan waar de golven wild te keer gaan. Wat blijft nog over van Wenen? Altijd maar dat MuseumQuartier, een hele week lang, vaak in de regen. Waar je Cy Twombly ontdekt, een kunstenaar van wie je alleen de naam maar kende en die je nu verheerlijkt, op een even hoog niveau plaatst als Anselm Kiefer.

En Ray Johnson, haast vergeten, de wanhoop van Jesper Just, de indrukwekkende tentoonstelling ‘Silences’, bijeengebracht door Marin Karmitz, in Lissabon. De nieuwe kennismaking met het werk van Tadeusz Kantor. Het onzichtbare dansen boven je hoofd in een Berlijnse kunsthal – een installatie van Allora & Calzadilla.

En van al de vrienden die je ontmoette. De geliefden. De omarmingen. De dode broer. De dode helden. De wandelingen door de stad, de terrassen van leven en dood. Waarom kus je elkaar? Heb je elkaar dan niet innig lief? In de zomer of in de koude cafés van de winter, als een profeet met blijde getijden welkom zou zijn, zo net na een vreselijke aardbeving.

Nachten van waanzin en euforie in Antwerpen, in Gent op het huwelijk van je vriendin I., lezingen, concerten van Bob Dylan en the Duke & the King, de cafés in Brussel… Back to the starting point. Gesprekken met arbeiders over hout, centrale verwarming, sleutels… Taxichauffeurs die je behoeden voor het gevaar. Met hun verhalen en hun scherpzinnig ogen.

De stad puilt uit van liefde en haat, maar je zoekt slechts liefde. Omdat zo de wereld opnieuw ontstaat. Je moet puzzels ontwarren, als waren het knopen in lange, weelderige haren. Wat betekent dit allemaal, een nachtmerrie kan het niet zijn, als er trompetgeschal bij weerklinkt en beelden van engelen je gezicht vertroebelen. Je gelooft niet in het bovennatuurlijke, nee. Maar een engel is een mens. Dat weet je van Rilke en van Wim Wenders. Engelen, en jij met je hoofd in de voor een keer niet giftige wolken.

Maar nu heb je hoge koorts en moet je weer gaan rusten. Niet alleen taxichauffeurs beschermen je tegen het gevaar. Niet alleen engelen. Je moet jezelf ook in bescherming nemen. Je moet zien dat je overleeft, het positieve accentueren.

Ω

Afbeelding: Cy Twombly, Wilder Shores Of Love, copyright Cy Twombly.

 

MEXICAANSE GRIEP

MANUEL MANILLA


Die laatste zin, ik zeg geen gebenedijd woord meer, had ik beter niet geschreven. Sindsdien heb ik ook geen woord meer geschreven. Dat voelt vreemd aan, niet schrijven als je weet dat het zou moeten en als je er zelfs alle tijd voor hebt. Zou het lijken op een vogel die niet kan vliegen? Ik kan het aan geen vogel vragen, ik ken de vogeltalen niet.

Ik wil almaar schrijven, maar heel vaak doe ik het niet. Soms beslis ik ertoe omdat ik weet dat het betekenisloze dingen zouden worden, uit verveling ontstaan, andere keren doe ik het niet omdat ik alcohol heb gedronken, onder invloed waarvan je wel mooie woorden en beelden kunt oproepen, maar zonder samenhang noch evenwicht, nog andere keren, zoals nu, omdat ik er de energie niet voor heb.

Voor veel schrijvers lijkt schrijven de eenvoudigste zaak van de wereld. Elk jaar zitten ze op de Boekenbeurs met een nieuw ‘product’, dat er vanzelf lijkt gekomen te zijn. Hoe doen ze het toch? Is het dan allemaal overbodige rotzooi, wat ze schrijven, of zitten er echt parels tussen? Ik zal het wellicht nooit weten, aangezien ik geen werken lees van hedendaagse Nederlandse schrijvers. Alleen voor Geerten Meijsing, Arnon Grunberg en Remco Campert maak ik een uitzondering. Die laatste kun je natuurlijk moeilijk hedendaags noemen – maar voor mij is hij het desondanks. Ik maak tevens een uitzondering voor dichters en dichteressen, degenen die woorden opnieuw uitvinden of een nieuwe kleur / geur geven.

De avond waarop ik mijn vorige tekst schreef zal ik ongetwijfeld al wat koorts hebben gehad. Het stukje heeft inderdaad een koortsachtig toon. Maar ik wist nog niet dat ik ten prooi was gevallen aan de Mexicaanse griep. Hoewel het niet veel uitmaakt waar de griep vandaan komt: ik ben er bijzonder gevoelig voor, zoals alle mensen met zwakke longen. In normale omstandigheden ben ik gevaccineerd, maar door het vroege opduiken van het virus was dat nu niet het geval. Ik ben er gevoelig voor, en meestal zijn er, zoals nu, verwikkelingen. Sinds zondag heb ik een pijnlijke hoest, symptoom van bronchitis, en slik ik antibiotica. Het zal nog wel een week duren eer ik helemaal genezen ben. Ondertussen zie ik door het raam de nazomer voorbijtrekken, de herfstdagen, zie ik de eerste sporen van de winter. Ik heb altijd van de winter gehouden, tot voor enige jaren – opeens kreeg ik het koud, en kon ik geen warmte meer vinden. Doordat die koude zo storend was – en duur – kreeg ik een fysieke afkeer van dat seizoen. Zo erg, dat ik nu alweer naar de zomer snak. Maar ik mag niet altijd maar snakken, want op die manier is mijn leven voorbij voor ik het weet. En dan heb ik de mooiste jaren ervan niets anders gedaan dan gesnakt. Hoe mooi en onvergetelijk de zomer van 2009 ook mag geweest zijn, toch ga ik me, zodra ik genezen ben, onderdompelen in de late herfst en vooral in het zinderende licht van de winter. En wat er dan met mij, met jou gebeurt, daarover ga ik schrijven. Maar eerst nog enkele dagen rusten, slapen, wat lezen en veel nadenken en me herinneren. Er is nog zoveel dat ik me niet herinner.

Ω

Afbeelding: Skeletten, door Manuel Manilla. Ik heb een reproductie van dit werk ingelijst op mijn werkkamer hangen. Het is een memento mori. Voor mij heeft die prent niets lugubers, eerder iets feestelijks. De tekening is overigens gemaakt voor het Mexicaanse feest van de doden.

 

TELEVISIE / TELEVISION

tv fashion

Omstreeks 1980. Het kleine, witte televisietoestel was van mijn vriend Jos D. De zaterdagnachten duurden lang. ’s Zondags keken we naar ‘De collega’s’. We luisterden naar Television; dit is geen grap. Tom Verlaine was een van mijn grote helden toen. Mijn geliefde A. knipte mijn haren. Ze nam de foto op de hoes van de eerste solo-lp van Tom Verlaine als model. Dat was mijn wens: niet te kort en niet te lang. Met de voeten in de sixties en het hoofd in Marquee Moon.

Ik denk nu terug aan Anne-Mie van Kerckhoven, met wie we in die tijd goed bevriend waren. Later zag ik haar elke week heel even in de studio van Radio Centraal in Antwerpen. Zij maakte er het programma ‘Als u niet naar ons komt, komen wij wel naar u.’ Vanavond zou ik naar een tentoonstelling van haar werk gaan in Wiels, het Centrum voor hedendaagse kunst in Vorst. Nothing More Natural. Dat is de titel van de tentoonstelling. Helaas heb ik koorts en moet ik thuis blijven. Ik vrees dat zij nu niet naar mij zal komen.

Ω

Foto: Martin Pulaski.