RIJKE MAANDEN

 

edetc

De voorbije maanden zou ik rijke maanden durven noemen, zoals de velden en boomgaarden waar ik met de trein voorbijreed en de door volle maan verlichte straten van de steden waar ik verbleef. Wij slingerden elkaar geen verwijten naar het hoofd. Zelf sliep ik weinig, imsonia, maar bleef er toch rustig bij. Op een vreedzame manier bekogelden wij elkaar met rijke lijstjes – ze gingen de halve wereld rond. Deels wilden we elkaar tonen wie we waren, deels wilden we dat de anderen zouden worden zoals wij, en wij zoals hen. Ook wilden we bewijzen dat we niet de eersten de besten waren, dat we niet zomaar konden worden vervangen, in weerwil van het adagium dat iedereen vervangbaar is.

Dat is gewoonweg niet waar. Je bent onvervangbaar. Niet omdat je Marcel Proust, Virginia Woolf, Herodotus, Céline of Thomas Hardy hebt gelezen; Bob Dylan, Bach, Joy Divison, Bessie Smith, Bill Evans of Ornette Coleman hebt beluisterd. Niet omdat je de hele nacht extatisch rock & roll heb gedanst (terwijl dat muziekgenre al lang niet meer bestaat). Niet omdat je van Wong Kar Wai, Wim Wenders, Nicholas Ray, Ingmar Bergman of Antonioni houdt. Niet omdat je in Waterloo was, aan de Grand Canyon of in Timboektoe. Niet omdat je whisky, tequila, porto, absint of Orval hebt gedronken. Nee, daarom niet, maar om al deze redenen samen – en vele andere – die je tot een uitzonderlijke enkeling maken. Iemand die een eigen project heeft en iets aanvangt met wat hij op zijn weg ontmoet, met wat hem in de schoot wordt geworpen. En jou, en jou.

Zonder in details te willen treden waren de voorbije maanden voor mezelf rijke maanden. Ik heb nauwelijks iets geschreven, wat nochtans het essentiële is van wat mij onvervangbaar zou moeten maken. Of dat werkelijk zo is laat ik in het midden. Hierboven heb ik het over de kunst van het combineren gehad, en eerder deze maand schreef ik over het schervenbestaan. Ook als je niet schrijft, als je niets doet, draag je bij aan de wereld.

Ik heb door Italië gereisd, vooral Umbrië en het altijd zinderende Rome. Musea heb ik er nauwelijks bezocht; ik heb er gewandeld, gegeten, gedronken, het leven gevierd. In Brussel zag ik een mooie tentoonstelling van het werk van Sophie Calle (waar ik al eerder over schreef). Ik had bovendien het genoegen kennis te maken met nieuwe vrienden, ongetwijfeld voor wat mij nog rest van mijn leven. Vriendinnen eigenlijk, uitzonderlijke vrouwen. Waarom vrouwen? Wellicht omdat ik zelf nogal vrouwelijk ben. Ik ben geen macho, niet competitief, spreek niet luid, streef niet naar een belangrijke positie in de maatschappij (dat laatste is niet echt vrouwelijk meer; bestaan het echt vrouwelijke en het echt mannelijke wel? Is het ook wat dat betreft niet een combinatie?). Ik zie graag vrouwen, letterlijk en figuurlijk, ben graag in hun gezelschap, vind het fijn met hen, met jullie, te converseren – bijna een van jullie te zijn. Ook al ben ik tevreden met mijn huwelijk ben ik toch ook altijd verliefd. Sommigen schrikken daar voor terug, wellicht omdat dan plots de man in mij naar boven komt. Dat spijt me, maar zonder die verliefdheid, zonder die eros zou ik niet lang leven. Eros is wat mij, als ik uiteengevallen ben, weer in elkaar steekt, zoals een mechanieker een oude Bugatti. Eros vuurt mij aan en helpt mij, soms, de woorden vinden die ik niet zoek. Degene die ik zoek zijn de bekende, versleten, degene die ik niet nodig heb. Eros probeert mijn scherven weer aan elkaar te lijmen. Wat niet lukt, maar het is wel – tijdelijk – een groot genoegen.

P1000993 (2)

Toch heb ik niet alleen twee fijne vrouwen beter leren kennen: in Berlijn maakte ik kennis met een andere zielsverwant, een Duitse Texaan. Tijdens warme Berlijnse nachten praatten we over reizen, soulmuziek, vrouwen, Hongaren, tequila, mezcal en andere geneugten des levens. Dronken werden we van Tsjechisch bier en wodka. Berlijn drong bij mij langs elke porie naar binnen (dat doet het altijd – het is de stad waar ik het liefst verblijf). In mijn hotel maakte ik kennis met een zwarte familie die alle kleuren van de regenboog had en over heel de wereld verspreid leefde: nu waren ze bij elkaar voor een huwelijk van een ‘ver’ familielid. Ik was welkom aan hun tafel en samen dronken we wijn tot net voor de zon opging. Deze mensen zal ik nooit meer ontmoeten, ze zijn met te veel, te verspreid, te rhizomatisch. De Texaan – hij lijkt op Harry Dean Stanton -zal ik zeker nog weerzien. Alleen al om hem te horen vertellen over zijn oude vrienden Nick Cave en Blixa Bargeld. Nick Cave woonde bij hem in ten tijde van The Birthday Party. Hij schreef er, onder invloed van alle mogelijk drugs, ‘And the Ass Saw the Angel’.

1 (2)

En zo ging ik de afgelopen maanden op en neer, ging ik weg en keerde ik weer. Zat ik de gek uit te hangen in de Daringman of een ander Brussels café en treurde ik om de dood van Willy Deville, Michael Jackson en de anderen die nu voorgoed begraven liggen in de zomer van 2009. Ook wat de dood aangaat was het een rijke tijd. Maar de dood is niet het einde, het is het begin, niet in de wederopstanding, daar geloof ik allemaal niet in, maar in dit leven zelf. De verwezenlijkingen van de doden, hun nu stille woorden, hun versteende daden, komen in een nieuw daglicht en inspireren zo nieuwe, jonge mensen, degenen die deze planeet zullen koesteren en in stand houden. Ik hoop dat ze niet vergeten dat ze veel redenen hebben om boos te zijn en te blijven. Ik hoop dat ze de tegenstellingen waaruit de wereld en waaruit wij bestaan nooit uit het oog verliezen.

Maar ook als mijn hoop nergens op slaat waren het rijke maanden.

Ω

Foto’s: Martin Pulaski, Berlijn, juli 2009, Jelena, Mari & Ed; Katja Stonewood in Brussel, Renée Verheyen in Brussel.

A LA RECHERCHE DE SOPHIE CALLE

SOPHIECALLE 035b confessional

Sophie Calle houdt van verhalen. Haar hele leven en haar kunstwerk, een echt werk, is een doorlopend verhaal. Elk detail van haar werk is een verhaal. Val haar niet lastig als je geen verhaal kent. Zij richtte bovenop de Eiffeltoren een slaapkamer in en iedereen die een verhaal van minstens vijf minuten in zijn of haar lijf had dat enigszins boeiend was, mocht net zo lang bij haar blijven. Als het vreselijk boeiend was mocht de uitverkorene zelfs zeven minuten blijven. Iemand die niets had te vertellen en alleen maar een nieuwsgierig kijkje wilde nemen mocht niet bij haar binnen in haar Eiffeltorenslaapkamer.

In New York liep ik haar net niet tegen het lijf, maar het had gekund, ik was op zoek naar een bed, en zij had een telefooncel (en een bed, ze had veel bedden, denk ik).

Sophie Calle maakt ‘gebruik’ van een biechtstoel. Tot mijn dertiende was ik gelovig, katholiek, ging ik te  biechten en ontving ik uw bloed en uw lichaam in een stukje heel erg wit brood.

Nadien zat ik met mijn vriendjes landsschapsverdeling te spelen. Wij  dertienjarigen hadden om een of andere reden allemaal gevaarlijke messen op zak. Je moest op het kerkhof achter de kerk een stuk grond zien te bemachtigen in een vierkant van ongeveer twintig vierkante centimeter (ik ben geen goede landmeter).

Katja Stonewood heeft plaats genomen in de biechtstoel van Sophie Calle en nadien, buiten in het zonovergoten Warandepark, heeft ze gedaan alsof ze mij haar zonden opbiechtte, maar niet echt. Het was alsof. Van Sophie Calle’s wereld kun je je afvragen of hij eveneens alsof is.

Sophie Calle is geobsedeerd door de dood, door kerkhoven, door begrafenisrituelen. Na de dood van haar moeder bracht ze sommige van haar juwelen en een foto (van haar moeder) naar de Noordpool. Sophie’s moeder was er nooit naartoe kunnen gaan, maar nu zorgde de dochter ervoor dat dierbare bijna-relikwieën daar ceremonieel werden weggeborgen, als in een hokje op een moderne begrafenisplaats, maar dan wel helemaal tegenovergesteld aan dat soort instituties. Gehoopt wordt dat de kostbare diamant nooit wordt gevonden. Meteen werd ook duidelijk hoe weinig nog overblijft van die Noordpool. Hoe weinig nog overblijft van de toekomst van de aarde (of van mensen zoals Sophie Calle en jij en ik).

Ik heb Sophie Calle altijd een aantrekkelijke, mysterieuze vrouw gevonden. Ze mag honderd, tweehonderd worden, of ouder…

Ik was eens in New York met vier vriendinnen, en daar hebben we met zijn vijven – voor het eerst vol verbazing en verwondering – staan kijken naar een agenda, naar foto’s in hotelkamers, naar spionage, naar ongehoorde dingen die een zekere Sophie Calle deed. Zo schandalig dat ik mij er niet meer kon van loskoppelen, als je dat zo mag noemen als het over psychische en estethische processen gaat.

Sophie Calle heeft me meer doen lachen dan om het even wie (met uitzondering van Jorge Luis Borges en the Marx Brothers).

Sophie Calle is een fictief personage van Paul Auster.

Later vraagt ze aan Auster om een echt personage te mogen worden en opdrachten uit te voeren. Auster schrikt terug voor de verstrekkende gevolgen van die vraag. Hij draagt haar niets op. Maar zou zij van New York een aangenamere stad kunnen maken? Sophie doet het. Je kunt het lezen in het ‘Gotham Handbook’.

De dochter van Paul Auster heet Sophie, maakt platen en speelt in (zijn) films.

Een van Sophie Calle’s mooiste verhalen vind ik haar relaas over haar treinreis van Moskou naar Vladivostok, met een zekere Anatoli. Acht koffers, waarvan zes met voedingswaren en vodka gevuld. Anatoli noemde haar, dank zij een mistverstand, Saphir.

Ik houd van Sophie Calle om deze en andere, toevallige redenen. Ik zou graag hebben dat zij me zou zeggen wat ik moet doen. Dat zij mijn meesteres zou worden, in zekere zin. Maar iemand die even fijngevoelig is als zij, mag ook mijn meesteres zijn. Ik kan niet tegen pijn en ik wil door niemand in de steek worden gelaten. Bovendien wil ik mezelf blijven en iedereen die ik liefheb blijven liefhebben.

sophie-calle

Afbeeldingen:
Katja Stonewood in de biechtstoel van Sophie Calle (foto: Martin Pulaski)
Sophie Calle, catalogus Centre Pompidou, M’as tu vue. (foto copyright Sophie Calle).