WAAROM IK NOOIT EEN HIPPIE BEN GEWEEST

mods in tongeren

Nu ik terug ben uit Berlijn wil ik, voor ik wat vertel over de indrukken die ik daar opdeed, even verduidelijken waarom ik nooit een hippie ben geweest, wat verwanten, vrienden en kennissen – die het kunnen weten – nochtans beweren; een authentieke hippie zelfs, zeggen sommigen. Dat zijn degenen die me op televisie hebben gezien in een documentaire over Jazz Bilzen 1967. Ik was in hun ogen een hippie omdat ik toen kennelijk de uitspraak heb gedaan “ik houd van bloemen”. Er zaten ook bloemen in mijn haar. Die kwamen uit de tuin van mijn tante Berb in Neerharen. De interviewer, Louis Neefs, vroeg me waar ik van hield en waar ik tegen was. Ik was destijds tegen de oorlog in Vietnam. Ik heb die reportage zelf ook gezien, toch al weer een tijdje geleden, bij een derde herhaling. Ik had er bij mijn vriend Jos in Leuven al een fragment van gezien op video. Toen de documentaire een tweede keer werd uitgezonden heeft Jos dat fragment zeer toevallig en spontaan opgenomen, verrast zo opeens zijn vriend op televisie te zien. Hij heeft toen ik bij hem op bezoek was een foto gemaakt van me, zoals ik op dat ogenblik was, al enigszins verwelkt, met op de achtergrond het stilstaande beeld van mezelf in 1967 met die bloemen op mijn jas en in mijn haar. Het was duidelijk dat ik van bloemen hield. Ja, ik herinner me nu heel goed dat ik ook tegen die oorlog in Vietnam was en voor de vrede. De mensen moesten maar eens wat liever gaan worden voor elkaar. Er was al meer van voldoende haat in de wereld. Ik was helemaal weg van flower power en love-ins. Maar het spijtige was dat ik in Limburg nogal alleen was met zulke standpunten en gevoelens – en met lang haar. Was ik op mijn zeventiende dan toch een hippie? Ik heb altijd gevonden dat ik een mod was, zeker in 1967. Ik hield van modieuze kleren. Roze, turkooizen of gele fluwelen jassen, gestreepte broeken, hemden met bloemenmotieven… Mijn haar was geknipt – bij een kapper in Maastricht – zoals dat van Steve Marriott van The Small Faces, mijn favoriete Britse beatgroep in die dagen en een van de weinige die ik in die periode ook live heb gezien, in Diepenbeek. Een meisje dat ik die avond ontmoet had – veel gestreel en gekus – heeft mijn zonnebril als aandenken bewaard. Ik weet niet meer hoe ze heette. Wat zou er met haar zijn gebeurd? Ach, beter dat ik het niet weet. (En zo spring ik maar van de hak op de tak…)

Mijn muzikale helden waren dus die Engelse beatgroepen: Small Faces, Kinks, Who. Ik hield ook van The Rolling Stones. Between The Buttons vond ik een schitterende elpee. Je moet eens naar de foto op de hoes kijken: zijn dat hippies? Natuurlijk niet. En van Bob Dylan, heel zeker. Bob Dylan, dat is toch nooit een hippie geweest, hij was veeleer een anti-hippie.

Later, in 1970, na het debacle van Altamont en het bijna profetische lied Gimme Shelter, had ik als barman in de Dolle Mol in Brussel een afkeer van de hippies die er kwamen, vooral omdat ze stuk voor stuk aan bewustzijnsvernauwing leden. Ze waren nergens in geïnteresseerd als het niets met drugs, volle rijst, namaak-blues (door blanken gespeeld) en vooral Jimi Hendrix te maken had. Domme mensen vond ik hen. In De Dolle Mol weigerde ik platen van Jimi Hendrix te draaien. Maar de countrymuziek waar ik destijds zo van hield mocht niet, die was niet hip genoeg. Wat wel mocht – omdat nogal wat Vlaamsche schrijvers aan de toog hingen – was De Zotte Morgen van Zjef Vannuytsel, maar die haatte ik helemaal. Samen met Max dreef ik de spot met die naïeve hippies. Maar Max vond dat ik toch nog enigszins aan de verkeerde kant stond: ik ging naar films kijken als Jeremiah (een cowboyhippiefilm). En ik had contacten met Robert, een softdrugs-dealer. Robert was geen slechte jongen maar zeker niet mijn vriend. Ik hield vooral niet van de muziek waar hij van hield (Cat Stevens en kierewiete folk). Door mij heeft hij Lou Reed en The Velvet Underground en David Bowie leren kennen en is zijn smaak wat veranderd. Robert was een kennis van Sarah. Via Sarah heb ik eens wat Congolese wiet van hem gekocht. Ik dacht eerst dat hij een oplichter was: volgens mij zat er gewoon thee in het luciferdoosje. Bij nader inzien bleek het toch echte goede Congolese marihuana te zijn. Maar wist ik veel. Ik was een Limburgse mod, die nog nooit wiet had gezien.Ik geef toe dat ik een tijd lang van de roes van hasjiesj en – in mindere mate – van wiet heb gehouden. Het was zo prettig om onder invloed naar sommige muziek te luisteren. Vooral naar die van Jimi Hendrix!

Sinds 1967 was ik een absolute fan van The Velvet Underground. Dat was de volmaakte anti-hippie rock & roll band. White Light White Heat was een van mijn vijf uitverkoren elpees. Als ik die oplegde waren al mijn vrienden na vijf minuten de deur van mijn kamer uit. Niemand hield van die muziek. Letterlijk niemand. Tot in 1972 of 73, in die ellendige periode van de glam, toen Lou Reed met ruggensteun van David Bowie succes kreeg met Transformer. Ik heb ook nooit van The Grateful Dead gehouden (ik maakte wel een uitzondering voor hun countryplaten). Woodstock vond ik vreselijk vervelend. Santana was om te schreien. En dan al die Britse hippiegroepen zoals Third Ear Band, Edgar Broughton Band, weet ik veel wat nog allemaal. Bah! Nadat Syd Barrett Pink Floyd de rug had toegekeerd hield ik die groep ook voor bekeken. Van Syd Barrett hield ik enorm veel omdat hij surrealistische sprookjes schreef, en een heel eigenzinnige gitaarstijl had en zeker ook wel omdat hij zich heel goed kleedde. Ik bewonder Syd Barrett nog steeds. De intellectuele ‘goeroe’ en anti-psychiater Ronald Laing, die ik destijds vereerde, heeft hem niet kunnen genezen van zijn schizofrenie. Ronald Laing is nu dood, Syd Barrett zit waarschijnlijk ergens rustig te genieten van de bloemen in zijn Engelse tuin.

Nadat ik filosofie was gaan studeren kreeg ik een beter inzicht in waar het in feite allemaal om ging. Lang haar of kort haar was niet belangrijk. Er was niets mis met outsiders, met de tegen de stroom invaren, met de beat-generation of met pop art en dergelijke dingen. Er was niets mis met rock & roll. Maar wat heel duidelijk werd was dat de wereld moest veranderen en dat kon je niet door je op te sluiten in een subcultuurtje. De wereld kon je alleen maar veranderen als je deel werd van een gemeenschap. Je kon je leven zin geven door te lezen en te schrijven, of iets anders te doen, maar dat volstond niet als je het in je eentje bleef doen. En nog volstaat dat niet. De paradox waar ik moest uitgeraken was – en is – dat je je oorspronkelijkheid, je eigen-aardigheid, verliest als je deel wordt van de gemeenschap. Hoe moet je dat dan doen? Dat is de vraag.

Foto: Tongeren (het meisje van King & Queen, Luc Verjans, MP, Jan Depooter)

DE GEEST VAN ROCK & ROLL

little richard

Tequila als medicijn tegen nostalgie en afgrijzen. De dagen na 1956, na Hongarije, na de wereldhonger van de twee verbeten broeders. Het groene loof en de dennen lachten hem toe toen hij met zijn jonge bruid de paden plat trad. Maar het sprookje bevatte ook een beproeving: verbanning in een oneindig woud. Lang voor het midden van het leven vond hij al geen uitweg. Mission Impossible. Kuifje in de hel, tussen de vijanden in nonnenkleren, die hem nog het liefst van al dood hadden geknuppeld.Een wildernis, nog zonder beschaving. Tenzij die van de zoetere huid van de jonge vrouwen voor wie hij danste als een bosgod. Je had zijn grimassen moeten zien, zijn rubberen gewrichten. Allemaal voor de witgejurkte bosmeisjes. Zij vonden hun orgasme uit tijdens zijn ontdekking van de rock & roll. Graag hadden ze hem in hun bed genomen. Maar er waren hindernissen, heilige en schijnheilige normen. Was hij niet veel te jong?

Overigens droomde hij zelf van een andere, zuivere liefde voor een meisje even ongeschonden als hij. Zo bestonden er volgens hem twee, de ene een Griekse, de andere half Hongaars. Veronica S en Henriëtte P. Was hij een vriend van de vreemden? Ja. Het kon ook niet anders. Hij was zelf een vreemde.Hij dacht, laten we maar eens écriture automatique proberen. Zoals in de naïeve tijd na 1956. Maar hij denk teveel na. Keer terug in de tijd… De tijd dat hij gekweld en gelukkig was. Een heilige die de wereld van goud zou maken, dacht hij. Hoe? Dat zou hij onderweg wel zien. Mission Impossible. Voorlopig was er toch al het lichaam, zacht en hard als koorts. Vrouwen werden zwanger en bevielen…

Niet dat alles gesmeerd liep. Ze waren geen machines, liepen niet op wieltjes. Voorlopig waren er boeken. Hendrik Conscience, Dostojewski, Tolstoj, Alexandre Dumas. Voorlopig was er rock & roll. Wat hij rock & roll noemde. Elvis Presley. Het verdriet van Connie Francis en het wild genot van Wanda Jackson. Fats Domino met zijn platte kop en New Orleans funk. The Land Of 1000 Dances. Little Richard’s oerschreeuw. De geboorte van de soul en meteen ook van de zwarte country in de stem van Ray Charles. Alles moest nog beginnen: weelderige angsten, tulpensnijdend lachen.

Weet je wat je bent? Een benevelde agrariër. Armand zei dat, en hij had gelijk. En alles wat je zegt ben je zelf. Uit rock & roll geboren. Was dat Nietzsche, die dat zei?