LOVE, CHARLEROI, FRANSE PERSINGEN

arthur-lee-love

Omstreeks 1967 was er in Charleroi een platenwinkeltje dat undergroundgrammofoonplaten verkocht. Zo waren er nog wel meer in België, maar dat in Charleroi was toch wel uniek. The Electric Prunes, The Velvet Underground, Love – dat waren bands die niemand kende en er dus ook de muziek niet van kocht. Zeker niet in Charleroi, waar Jean Vallée en Marc Aryan de scepter zwaaiden. Waarom die undergroundelpees daar werden verkocht is me nog altijd een raadsel. Maar alleszins is het daar dat ik Love’s Da Capo heb aangeschaft. Dat was zoals de titel al aangeeft de tweede langspeelplaat van Love. Ik kende de groep van de single My Little Red Book (terug te vinden op het debuut), maar die eenvoudige folkrock had me niet voorbereid op de magische wereld van Da Capo. En nog minder op het daaropvolgende meesterwerk Forever Changes. Terloops wil ik hier even vermelden dat er sindsdien bijzonder veel veranderd is in de muziekindustrie (een woord dat we destijds zouden hebben vervloekt). Ongeveer alles is nu in handen van enkele Amerikanen. Maar in die tijd was België op cultureel gebied nog een ‘kolonie’ van Frankrijk. De meeste grammofoonplaten, ook de Amerikaanse, kwamen hier in Franse persing uit, iets waar mijn vrienden en ik ons mateloos aan ergerden. De Fransen hadden kennelijk niet veel respect voor pop (dachten wij). De stevige Amerikaanse hoezen vervingen zij door dunne geplastificeerde exemplaren. Het Franse vinyl was veel lichter en sneller gekrast. Soms gingen de Fransen zover dat ze uit te knippen bons op de hoezen afdrukten. Je moest je prachtige psychedelische hoes stuk knippen om die bon te kunnen gebruiken voor een of ander onzinnig voordeel.

De lezer zal denken dat dit gezeur weinig verband houdt met de dood van Arthur Lee. Het verband is dat ik dankzij het Franse vogue-label en dat winkeltje in Charleroi in het bezit kwam van die prachtige plaat (en van een heel aantal andere bizarre juweeltjes, die toen niemand kende en die nu door zowat iedereen als mainstream stuff worden weggewuifd). Zelfs in het midden van de jaren zeventig waren er denk ik maar drie Belgen die genoeg van Love hielden om een concert van de band te willen bijwonen. Op een avond stonden Laura en ik voor de nog gesloten deur van de Beursschouwburg, waar Arthur Lee met zijn opnieuw opgerichte Love zou optreden. Enkele minuten later kwam onze vriend Guy Bleus – met wie we niets hadden afgesproken – ons vervoegen. Met zijn drieën zijn we een uurtje blijven wachten, tot het duidelijk werd dat de deuren nooit zouden opengaan. Zo komt het dat ik Arthur Lee nooit aan het werk heb gezien – en nu zijn alle kansen verkeken.

VOOR EN NA DE REGEN 5

syd barrett by mick rock

Opgedragen aan Syd Barrett, in memoriam.

5.

Henry zit weer achterop mijn gele Garelli, we rijden door Sledderlo om de show te stelen. Niets is gelukzaliger dan de wind in je haren, vooral als je net East West hebt gekocht voor honderd frank, & zo de Chicago blues hebt ontdekt. Met geschaafde ellebogen & handen – want natuurlijk zijn we gevallen met die brommer – moeten we nu naar Bilzen. Als we tenminste geen tetanus krijgen, zegt Henry’s vader, die onze wonden grondig ontsmet. Bilzen, waar flower power, free jazz & orale poëzie de lucht verluchten, zoals in de middeleeuwen monniken met manuscripten deden. We drinken gin & slikken hoesttabletten. De kleine Johannes heeft een lief uit Holland. Ze legt me uit wat een knaak is. Eindelijk een heilig woord, denk ik, maar alleen uit haar mond, weet ik nu. Ook ontdekten we waarvoor scholen dienden. Om er in te breken, te roken, gin te drinken, op de tafels te slapen. & ’s morgens het hoofd te verfrissen onder een kraantje in de toiletten.
Ik heb aan zee een heerlijk meisje leren kennen. Pauline blijft me drie lange dagen kussen. & dan zegt ze opeeens, jij past meer bij hààr, dat kotsende meisje daar, een schoonheid, die luistert naar de naam Claudia Chauchat. Terwijl Zager & Evans hun sentimentele science-fiction spuien neemt ze plaats op mijn schoot en vult mijn mond met haar zure tong tot ik bijna overga tot ontbinding, klaar voor Gods Laatste Oordeel. Daarna vervloekte Claudia mijn ziel, omdat ik ’s avonds, als zij in een tapijtenwinkel moest werken Anny door de zee gezouten verhaaltjes vertelde. Anny’s ouders, een bakker & zijn vrouw, wilden mij in een Brusselse gevangenis zien zitten. Dank je Anny, je hebt me niet verraden. Een altijd boze Claudia Chauchat klom een paar jaar later ’s nachts uit het raam, om te gaan zuipen & zich aan mijn kameraden aan te bieden, maar ze viel, brak haar benen, en verdween uit het beeld. Claudia, alleen met jou sta ik op een foto met een stralend wit Levi’s jasje aan.

Pink Floyd in 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen met Lucas & de kleine Johannes. Belletjes hangen klingelend op onze borst. We hebben veelkleurige zijden sjaaltjes van onze moeders aan & roze & rode fluwelen jassen. Als we slapen eten we margrieten & tulpen en overdag kussen we de zomerregen.

Epiloog.

Overal waar ik kom breng ik de geur van de scheepvaart met mij mee en laat ik een spoor van jullie liefde, waanzin & doodsverachting achter. Om mijn hoofd blijft het klinken van koebellen in Zwitserse weiden & waarom is dat? Omdat niets heiliger & eenzamer kan klinken, een geluid uit de eeuwigheid, dat de eeuwigheid afzweert. Dat eeuwigheidsgeluid – en nog veel meer – hoor ik ook in The Piper At the Gates At Dawn en in de twee echte solo-elpees van Syd Barrett. Hij heeft zijn ‘toren’ nu voorgoed verlaten, op jongere leeftijd dan ‘Scardanelli’.

Foto: Syd Barrett door Mick Rock

VOOR EN NA DE REGEN 4

jean-pierre

4.

Kijk daar op het schip, jij, kleine jongen alleen in de mist boven de Schelde, de Maas & het Albertkanaal. De gevaarlijke Schelde die je neef tot zich nam. Twee maanden later werd hij gevonden, een opgezwollen, rottende ledenpop. Door palingen aangevreten. Die palingen aten wij dan weer op. Als mama ze bakte in de pan bleven ze kronkelen van genot. De voedselketen was gesloten. By and by Lord, by and by.
De Maas, omgeven door groene heuvels, wilde mij dichter, schilder doen worden. Maar de Maas kreeg mij niet klein: ik was een cowboy, een eenzame cowboy, ver weg van mijn huis, hier in Brussel. Toch had je een vriend, trouwe Jimpy. Wat had je toch lange oren. Maar nu niet te sentimenteel worden, jongen. Jimpy was de eerste kankerpatiënt in je leven. Papa heeft hem doodgeschoten in Bocholt. Ik werd al lang ziek van dat beest, met zijn zieke adem & zijn schor geblaf. Goed gedaan papa, wilde jager!

Tintin, Margarita & Melinda’s vader was een rijkswachter, een zwaantje dat al voor zonsondergang te diep in het glas keek. Pierre’s vader was een verpleger in het gesticht in Rekem, een gebouw dat we nu bewonderen vanwege zijn onvolprezen architectuur. Als hij ’s avonds thuis kwam van z’n werk was in zijn blik iets van die gekken blijven haken. Trouwens, hij had zelf de geur van een zwetende zot. Pierre & ik speelden stratego tot we erbij neervielen. Ik was Napoleon XIV, hij was Napoleon Solo. They’re coming to take me away, aha. De vader van Omer werkt in de grintwasserij in Neerharen. Omers moeder heeft een winkel. Vandaar die dozen Jacques chocolade (bananen), die mij een kijk op Claire’s kuiten verbieden. Vaders. Die van de kleine Johannes een juwelier op de Botermarkt in Hasselt. Aan de wanden van de salon hangen foto’s van stierenvechters. De broer van de kleine Johannes heb ik nooit horen spreken.

Conny is al langer dood dan Ricky Nelson. Hello Marylou, Goodbye Heart. Het enige meisje in onze klas, Conny, altijd op de eerste rij. “Meneer Pulaski zit weer te dromen”, zei de Dog. Die man probeerde mij zeven uur per week te vermorzelen met zijn algebra & driehoeksmeting. Conny, ben jij opgegeten door de pieren, of vliegen je stofjes samen met die van Josse hier in het rond? M’n adem begint er van te piepen, van al dat verdomde, motherfucking stof.

Mama zat in Rekem, in een nieuw gesticht, glazen paviljoenen verborgen in het bos. In dat zeer morele concentratiekamp zat zij, lag zij haar laatste stripjes geheugen te verliezen, geen liefde meer op deze wereld. Geen liefde op enige andere wereld die zij had kunnen kennen. Rekem, het dorp van de kermis, de cinema tegenover het huis waar Aster & Lucia slapen en wakker worden. In de rups met Margarita, met Lucia, Hello Jim, luider dan ooit, She’s About A Mover het lied waardoor onbewust in mij Mexico ontstaat. Vijf frank voor een ritje. Vijf frank voor een kus. “Martin, ik kan niet met je gaan. Ik hou van je maar ik heb al een ander. Later misschien.” Dat schrijft me Lucia als ik van iedereen verlaten sta te kotsen in mijn kamer in de Karmelietenstraat. ’s Morgens nog kickend op Gimme Shelter, om middernacht met mijn kop in de nageboorte van mijn euforie. Abstractie op de rode linoleumvloer. De dag erna belt Mijl aan, afgepeigerd van die negerinnen, zegt hij, met Albert Aylers New Grass onder zijn arm.

Foto: Jean-Pierre, Neerharen

VOOR EN NA DE REGEN 3

 1974marcd

3.

In de jaren tachtig voerden muziekgolven mij via omwegen naar het platteland in het Zuiden van de Verenigde Staten. Samen met Teddy Bear maakte ik de lange, imaginaire reis, die nu nog voortduurt. Wij kickten op Carl Perkins, Charlie Rich, Bobby Charles’ Tennessee Blues en altijd opnieuw op Sin City van the Grievous Angel.

Bij Marco hoorde ik voor het eerst I Wonder If I Care As Much. We stapten een platenzaak binnen waar een elpee Van Mott The Hoople in het uitstalraam lag. At the Crossroads, Laugh At Me, alsof Dylan herboren was in onze straten. Wandelen in het Zoniënwoud, altijd zingend: I See A Bad Moon Rising, Syd Barrets The Gnome (“I want to tell you a story bout a little man”.) Vriendschap het hoogste goed.

In Rostock dragen Hoessein & ik een bak bier & glimlachen elkaar toe. Marokkaanse vriend, mag ik je mooie stem nog eens horen? Dans nog een keer met bleke Lena in dat zeemanscafé in Rostock. Ik zal toekijken met buikkrampen, van die Duitse worsten. Bij het slot van Schwerin valt de regen op de zwanen. “Geel rijmt op haar wispelturigheid, zoals anijs op ijskoud water.”

En wat jij, John Fogerty, Amerikaanse zanger, met je door een Indiaanse god gezegende stem? Je weet het wel: het is blijven regenen. En het zal blijven regenen. When It Rains It Really Pours (“I got troubles, troubles, troubles: when it rains, it really pours”). En elke maand zal de maan ons met liefde en onheilspellende dromen verrassen. Ja, Sinister Purpose, maar de vriendschapstrein vertrekt toch ook weer uit zijn klein stationnetje ’s morgens in de vroegte. Neem het bittere maar met het zoete, mister Fogerty, & doe de groeten aan Tom, je dode broer, als je bij hem op visite gaat.

Ook Elvis roep ik op. De ravenzwarte Elvis zingt opnieuw Bill Monroe’s Blue moon of Kentucky. (“Blue moon of Kentucky keep on shining”). Yes, sir! In Bad Nauheim croont hij voor de soldatenmeisjes die zich dan onder hun ganzenveren donsdekens betasten, daar waar het zo zacht is. In dat land waar kort tevoren hakenkruizen aan de dennenbomen groeiden. Mijn oude professor – maar hij niet alleen – had daar de geur van brandend vriendenvlees doorstaan. Elvis is bij me gekomen. “Are you sorry we drifted apart?” vraagt Elvis. “Yes,” zeg ik, “You were my First real hero, you and Yuri Gagarin. We are so alone now…On our own in the deserted rooms.” “I know what you mean,” zegt Elvis. “Yes” zeg ik, “I stood at your grave in Memphis. At your real grave, I mean, the mighty Mississippi.” “Aloha from Hawaii”, mompelt hij nog. Of versta ik hem verkeerd?

Serge Groussard, kom hierheen, of vergat je dat je vier jaar lang de bossen met me deelde, ver van de ouders & pralines bij de koffie? Serge Groussard je zag mijn zweren groeien in de zuivere dennenbomenlucht. Mijn lippen, mijn tong blauw van de bosbessen, die we in het zweet ons aanschijns moesten plukken voor de zusters van onze smarten. Herinner je mijn Veronica Satory, naam van zijde en Demeters ogen. Ik zag dat ze vochtig werden als we elkaar vluchtig aanraakten op de schoolbank – juffrouw Bakkers was even een plasje gaan doen?

Dansen in de Chemin de Fer in Tongeren, Proud Mary (“Rolling, rolling on the river, Proud Mary keep on rolling…”). Elke zaterdag in de King & Queen met Josy, mijn hoofd verloren in haar blonde lokken. Verboden liefde, volgens haar ouders. Een langharige, ongewassen schipperszoon, & jij die apothekeres of laborante moest worden. Alle kleuren die ik kende vonden een weg naar je naam: Josy. Why Am I Treated So Bad, dat was Julie Driscoll, Aretha’s blanke zusje. A Kind Of Love In, Dylan’s This Wheel’s On Fire (“rolling down the road”).

Ja, een aanval van nostalgie als ouder wordende man. Sinds die kerels op de maan wandelden zijn er al veel mensen gestorven, veel ganzen, everzwijnen, mussen & kleinere dieren. Microben die ik met antibiotica om de hoek help, hebben jullie een ziel, het eeuwige leven? De twin towers zijn ook al foetsie. Twee grote kaarsen in rook opgegaan, dank zij de Allergrootste, de Heer die over alles waakt & ieders weg uitstippelt. Zegt president Bush, zegt Osama Bin Laden, zegden de zusters van onze smarten.

Foto: Marc Didden (Marco)

VOOR EN NA DE REGEN 1

sixties,meisjes,vrienden,vriendinnen,scheepvaart,flower power,pop,john fogerty,syd barrett,winkel,fietsen,dorp,jeugd,jeugdherinneringen,popcultuur

Opgedragen aan mijn jeugdvrienden & aan John Fogerty en Syd Barrett

Deze tekst over vriendschap en popcultuur – en het ontstaan van het ene uit het andere – verscheen hier al eerder – op 15 juni 2005 – maar er stonden te veel fouten in en de namen werden niet consequent gehanteerd. Mijn slordig gebruik van het ampersand behoud ik vrijwillig. Het is een speelse verwijzing naar de beat generation en naar de brieven en dagboeken van Virgina Woolf. Deze ‘herneming’ wijst niet op een gebrek aan inspiratie.

Waarin jeugd en volwassenheid aan bod komen en vooral de schakel tussen beide stadia, de vriendschap. Als de onschuld schuld wordt, dan blijft de vriendschap vanop een afstand toekijken, dan zijn vrienden engelbewaarders, zoals in Wim Wenders’ Der Engel über Berlin. Als wij – ook al geloven we niet in god en zijn geboden – onze dagelijkse zonden begaan zorgen wij er gelijkertijd ook voor dat onze vrienden iets heiligs krijgen. Elke vriend is vrij van zonde; zeker is dat zo in de herinnering. Wat klinkt dit allemaal plechtig. Maar dit is een intentieverklaring. De plechtigheid wordt in de uitvoering van het plan vanzelf ondergraven. Wie zonder humor is werpe de eerste steen.

1.

Was dat het hoogtepunt van mijn leven? Hello Mary Lou stroomde uit de mini-transistor. Ik reed achter Marie-Louise aan, uit het dorp weg, op het zadel van mijn glitterende fiets de prijs die mijn vader me waard vond, hij met zijn tedere, beminnende ogen. Over de veldwegen, langs korenbloemen en klaprozen. De blauwe ogen van Marie-Louise, als zij stil blijft staan in de Dorpstraat en ik haar langzaam voorbij rijd, openen mijn ogen voor een nieuwe religie. Geur van vers asfalt hangt om mijn hoofd, scherp en zoet parfum van de toekomst. Wat ik in je zocht was mijn eigen rosebud, mijn graal, vera icona achter sluiers verborgen.

Weken later reed ik zij aan zij met Omer, een winkeljongen, en slagersdochter Claire. Nahijgend zaten we daarna op de canapé in de kamer. Achter het établissement, tussen kartonnen dozen vol chocolade van het merk Jacques – bananen vond ik het lekkerst – en unheimische parafernalia door Louise’s broer meegebracht uit Belgisch Congo. De fijne haartjes op Claire’s rechterarm deden de haartjes op mijn linkerarm rechtkomen. Maar ook haar geheim bleef onbereikbaar. Ik vond er slechts sporen van in het zingen in haar stem, in de manier waarop ze in haar reep chocolade beet.

Omer, Pierre, Tintin: de bende van James Bond. De bende van Illya Kuryakin, man van Uncle. Ik roep jullie, oudere kerels, op in mijn geteisterd en getreiterd hoofd. Ik wil jullie terstond zien. Ik wil jullie nog een allerlaatste keer voor de eerste keer laten horen: Jefferson Airplane’s Share a little joke with the world outside.
De oude geest van middernacht maakt zijn entree. Jullie staan stil, alles bevriest, er is weer oeverloos tijd, zoals toen wij liftend door Duitsland in Stuttgart stil stonden, auto’s, uren, minuten tellend. En zongen, altijd zongen:
Sweet hitchhiker.
Hitch hike baby.
Wish I was back on the bayou.
Wish I was a catfish swimmin’ in the deep blue sea.
Gonna find me a cajun queen, down on the bayou in New Orleans.
Elkaar gerimpeld, met zweethandjes, begroeten. Schrikken van die met grijs bespatte hoofden, die nog met moeite glanzende spiegels van de ziel, die mondenvol berusting: Pierre, Omer, Tintin.

Ja, Marie-Louise, Claire. Ja, Margarita. Salut les Copains! Ja, Brigitte met het kapsel van Françoise Hardy. Margarita’s zus Melinda is een lerares op wie ik echt verliefd ben. Zij ook op mij, zegt ze, maar ze is al verloofd, groot ongeluk is dat.
Op een zomermiddag in het zwembad in Rekem had Sylvia niets anders meer aan dan een bikini. Die avond in het clubhuis moest ik haar wel kussen en schreef ik een gedicht in assimilengels: Sylvia in the wood. Asters zus heet Lucia. Ze woont tegenover cinema Eden in Rekem. Kijk, daar lig ik met haar te dromen in het gras op de ‘kip’ tussen de zachte paarden die er zo gelukkig uitzien, wellicht omdat zij de hele wereld kunnen vergeten. Het echte leven, voor de langgerekte doodsstrijd.

Vissers vond ik vreemde mensen. Waar bijvoorbeeld haalden ze hun übermenschengeduld vandaan? Mijn eigen vader ging vissen in de kiezelputten. ’s Avonds kwam hij thuis met snoek & karper die naar modder, naar petroleum smaakte. Marcel Maris woonde aan de rand van het Bos. In de tuin van z’n ouders stond dat clubhuis waar Sylvia werd gekust en in verzen gegoten. Van die visser werd gezegd dat hij dom was. Een boerenzoon, met goede ogen, dat was hij zeker.

Ook mijn liefste vriend Josse was een visser. Josse, jij klootzak, in rook opgegaan, zonder nog een woord tegen mij te zeggen. Ik liep met Laura op het strand van Cadiz en jij stortte je op de Leuvense straatstenen. Mika’s ritueel in de Cinderella: “Heb jij Josse nog gezien?” “Nee, ik heb hem niet gezien.” “Waar zou hij zijn?” “Ik weet het niet, misschien in zijn stamcafé.”

IN MEMORIAM BUCK OWENS

buck owens 2

“It’s crying time again, you’re gonna leave me.” Dit waren waarschijnlijk de eerste woorden uit een country & western song die ik ooit hoorde, of die een bewuste indruk achterlieten. Een grote droefheid sprak uit dat eindoordeel, maar het werd gezongen met een bepaalde vrolijkheid, en de melodie van het lied deed ook niet voor honderd procent naar euthanasie verlangen. Het waren overigens geen tijden van euthanasie, het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. Als je er een punt achter wilde zetten moest je je opknopen aan de hoogste boom in het meest nabije bos of een fles Javel La Croix leegdrinken (wat waarschijnlijk geen kans op slagen had, wel veel nare gevolgen). Ik hoorde die woorden van Buck Owens, die manier van zingen (op de manier van Bakersfield in Californië, waar veel ‘immigranten’ uit Oklahoma woonden), die eenvoudige levenswijsheid, die melodie meteen zeer graag.

Mijn vader bracht toen ik nog een kleine jongen was van zijn vrij zeldzame maar toch geregeld terugkerende nachtelijke escapades ‘afgedankte’ 45-toerenplaatjes mee, ‘singles’ noemden wij ze, het leken wel archeologische vondsten, sporen van een andere wereld. Sommige exemplaren, zoals ‘Diana’ van Paul Anka waren grijsgedraaid, andere zoals ‘The Boppin’ Rock Boogie’ van The Sparkletones waren nog zo goed als nieuw.
Ik wil eerlijk zijn in het oog van andermans dood. Ik weet niet meer of bij er die singles die mijn vader meebracht van de Rekemse nachtcafés, bijvoorbeeld van bij Leontine, of van de Congo Bar, een bij was van Buck Owens, maar ik denk het wel. Door Buck Owens en Ray Charles heb ik de buitengewone schoonheid en het sterke realisme van de countrymuziek ontdekt. De zogenaamde tranerigheid was het leven zoals het was. Toen, zonder dat het al een commercieel ‘format’ was, op maat van voyeurs gemaakt. Het leven was gewoon zoals in het lied. ‘Listen to what the blues are saying’, in de woorden van Willie Nelson.

Buck Owens was niet meteen een held van me. Wel hoorde ik het genre meteen graag. In zijn vaderland had Buck Owens veel succes, en veel epigonen. Veel fans ook, die in bars hun verdriet met hun vrolijkheid probeerden te combineren. In Groot-Brittannië had Buck Owens, en zijn begeleidingsgroep the Buckaroos, bijzonder veel bijval. In die periode verloor dat machtige imperium zijn macht; koloniën glipten als zand door zijn vingers. Het Verenigd Koninkrijk werd zelf een kolonie, van de Verenigde Staten, zeker op cultureel gebied. En wij luisterden naar Britse zenders, Amerika was te ver. WDIA zouden we pas veel later in bluesgeschiedenisboeken ontdekken, en bij bezoeken aan Memphis en New Orleans. Op die Britse zenders, en vooral op Radio Luxembourg, leerden we the Beatles kennen. Twist and Shout, een cover, natuurlijk. De Britten hadden zichzelf nog niet heruitgevonden. (De Belgen ook niet, overigens.) Buck Owens was een held van the Beatles, vooral van Ringo Starr (die altijd een zwak had gehad voor het erfgoed van de ‘rednecks’ en ‘the appalachians’). Buck Owens’ ‘Act Naturally’ maakte deel uit van de doorsnee merseybeatgroep, ook van the Beatles. Op die manier was de stap snel gezet.

Ik leerde Buck Owens echt kennen via een zwarte rhyhtm & blueszanger, Ray Charles. Hij was wel een van mijn eerste muzikale helden, wat ik hier al heb verteld. De eerste single die ik ooit kocht was zijn ‘I Can’t Stop Loving You’, op ABC-Paramount. Ik bezit hem nog altijd, maar waar? Niet veel later had de blinde zanger (en junkie) een hit met Buck Owens’ Crying Time.

Ik herinner me nu ook een feestje in het Atheneum van Tongeren. Er trad een Nederlandse zangeres op, misschien was het Conny Vandenbos (van ‘Ik ben gelukkig zonder jou’ en ‘Paleis met gouden muren’), maar ik ben niet zeker, ik zou het moeten opzoeken, maar een mens is moe, en zijn energie is uitputtelijk. Misschien was het iemand anders, dat kan ook. In ieder geval zong ze dat overrompelende lied, Crying Time, en wij internen zongen allemaal mee, zij het niet met tranen in de ogen. Want wilden wij niet zelf op dat podium staan zingen, of liever nog, gitaar spelen of drummen? Zoals Mick Jagger, Keith Richards, Keith Moon, En hoe kun je dan om die kleine mislukkingen van het leven huilen? Je kent dat nog niet. Je hebt nog niet geleefd.

Korte tijd later werd ik een part time countrymuziekliefhebber (ongeveer vijftig procent, ik hield ook wel van Soft Machine, Albert Ayler, Led Zeppelin en the United States Of America, en vanzelfsprekend van the Velvet Underground). The Byrds en the Flying Burrito Brothers hadden mij de weg gewezen naar de ‘echte country’. Alleen vond ik nergens platen. Niet één elpee. Ooit heb ik een Duitse plaat gekocht, vol vreselijke covers van allerlei bekende bluegrass- en countryliedjes, om toch met iets te kunnen meezingen. Er was niets anders te vinden. Uit pure ellende heb ik me aangesloten bij een boeken- en platenclub en zo ben ik in het bezit gekomen van een verzamelelpee, de titel ben ik vergeten, met één of twee liedjes van een aantal countryzangers en –zangeressen op, waaronder Merle Haggard en Buck Owens (en vooral mindere goden). Van Buck Owens was het Sweet Rosie Jones. Inmiddels was ik in Brussel gaan wonen om er naar de filmschool te gaan. De studenten daar hadden, zoals je wel kunt raden, nooit van Buck Owens maar evenmin van The Velvet Underground gehoord. Ze hielden vooral van kleinkunst., genre Zjef Vannuytsel. De progressieven onder hen hadden een voorkeur voor Yes, Pink Floyd, Deep Purple. Die jongens waren de toekomst van Vlaamse cinema en televisie. Lang ben ik er niet gebleven. Ik vond het prettiger joints te roken met mijn vriend O. en onder invloed naar al die heerlijke landelijke muziek te luisteren, ondertussen boekend lezend van Henry Miller, Dylan Thomas en Remco Campert.

Kort nadien ben ik getrouwd. Ik had kennis gemaakt met de groep Pendulum, de eerste en enige echte countryrockgroep in België. Erik Vaneigen is korte tijd een goede vriend van me geweest. We hadden elkaar ontmoet in een Brussels café en ontdekt dat we allebei fans waren van the Byrds en heel veel van countrymuziek hielden, vooral van Buck Owens. Erik heeft dan met een paar leden van Pendulum op ons trouwfeeest gespeeld, onder meer Sweet Rosie Jones. Zij zaten gewoon op ons bed, en wij zaten op de grond te luisteren en goedkopen Chianti te drinken. (We hadden maar twee kamers.) De benedenverdieping was een zwarte club, Les Anges Noirs. De tegenstelling kon niet groter geweest zijn: boven de rednecks, beneden de negers. Maar hoe zat dat dan met Ray Charles, en Buck Owens zelf die rock & roll speelde van Chuck Berry? Dat is een ander verhaal. Het was een alleszins gedenkwaardig trouwfeest, waar ik Erik Vaneigen nog altijd dankbaar voor ben. En de politie die plotseling binnenviel om allerlei dingen te controleren!Want eigenlijk leefden we in die dagen in een politiestaat. Als je nog maar aan marihuana dacht werd je voor een tweetal maanden in Leuven, Gent of Antwerpen opgesloten. Ik overdrijf niet. Maar ik ben de jongens in uniform toch dankbaar, want zij maakten de avond nog spannender.

Ik sla tenminste tien jaar over.

Later, na punk en new wave, kwam ik weer op het spoor van Buck Owens door de betere epigoon Dwight Yoakam (die tevens een stukje kan acteren). Dwight Yoakam maakte duidelijk waar het allemaal vandaan komt. De Bakersfield Sound, Buck Owens, The Buckaroos. Ik heb enkele weken een radioprogramma gemaakt dat Buckaroo heette. Nu is de de echte Buckaroo dood. Laten we toch nog maar eens naar dat liedje luisteren, en naar Crying Time, en naar The Streets Of Bakersfield. Laten we vooral deze minzame
pionier nooit vergeten.

 

TEENBEAT EN DE GEUR VAN DE UNDERGROUND

tiq 4 februari '67

De voorbije nacht lag ik te denken aan mijn oude muziek- en undergroundtijdschriften uit de jaren ’60 en begin jaren ‘70, voor het merendeel verwoest door waterschade, toen ik in een vochtig appartement woonde in Antwerpen in de glamoureuze jaren ‘80. Hoe belangrijk die tijdschriften voor me waren! Ik geloofde zo ongeveer alles wat er in stond, alsof het de uitspraken van profeten of evangelisten waren. Mijn ouders, mijn leraars wisten niets. De waarheid was in die flitsende artikels te vinden over carnaby street, Italiaanse brommers, revolutionaire cassetterecorders, de pil, mellow yellow, masturberen, de schoonheid van een bloot meisje, muziek van cowboys en easy riders, de veelkleurige droomwerelden van lsd-trips en de bizarre symboliek van underground films.

Hoe blij alleen al de geur van zo’n blad mij kon maken als ik het net gekocht had op een zonnige zaterdagmiddag in ‘mijn’ krantenwinkel in Maastricht, en later in de Free Press Book Shop in de Brusselse Spoormakerstraat. In mijn tienerjaren was ik verslaafd aan Juke Box, Muziek Express, Pop Foto, Muziek Parade. Dat waren eigenlijk vrij vulgaire fanblaadjes, zonder veel inhoud, tenzij je wilde weten welke de favoriete kleur van Brian Jones was. Daarna, vanaf 1966 veranderde de situatie grondig. Eerst met Teen Beat, Tiq, Taboe en Twen en daarna met Hitweek en vooral met Witheek, Aloha, It, Zig Zag, Crawdaddy, Rolling Stone. Het ging toen niet alleen meer over popsterren en hun voorkeuren, maar over onderwerpen zoals ik hierboven al opsomde, maar ook over utopieën, nieuwe manieren van leven en communiceren. Over de revolutie, die zeker zou komen. Er verschenen ook heel wat gestencilde provotijdschriftjes, zoals Lynx, en ik gaf er zelf ook een uit dat eerst Testament heette en later Subterranean. Rolling Stone ben ik vrij lang blijven lezen, niet alleen voor de muziekbijdragen maar ook voor de uitstekende artikels over Amerikaanse politiek, van gerenommeerde auteurs als Hunter S. Thompson, Tom Wolfe en Greil Marcus. Voor een groot deel bepaalde wat daar geschreven stond mijn wereld, ik twijfelde zelden aan de mening van deze en andere publicisten, zoals Jan Donkers in Nederland, die mij tot Gram Parsons en Hank Williams heeft ‘bekeerd’, waar ik hem nog altijd zeer dankbaar voor ben. Er blijven nog wel wat sporen over van die tijdschriften, in bepaalde opzichten ben ik er blijvend door beïnvloed, maar veel is het niet. De tijdschriften zijn tot pulp vergaan, de ideeën die erin werden verkondigd zijn achtergebleven in de gouden dagen. Rolling Stone lees ik niet meer sinds de jaren ’80, toen hoofdredacteur Jann Wenner er een yuppietijdschrift van heeft gemaakt. De Britse bladen zoals New Musical Express en Melody Maker hebben me nooit echt kunnen bekoren, vooral vanwege hun afzichtelijke lay-out. Om op de hoogte te blijven van wat er zoal gebeurt in de populaire muziekwereld lees ik nu toch weer Britse magazines, zoals Mojo en Uncut, maar helaas zien ze er nog altijd even onaantrekkelijk uit. Waarschijnlijk gaan de uitgevers er nog altijd van uit dat populaire muziek voor de ‘lagere klassen’ is en dat je die alleen kunt verleiden met wansmaak. Terwijl het net de intellectuelen zijn die meestal zulke slechte smaak hebben. Of heb jij al ooit eens een goed geklede intellectueel gezien misschien?