MARKIESGEBOUW

“Un arbre pour moi ça sera toujours ‘een boom’”.
Jacques Brel.

Vier verdiepingen.
Iemand uit een ander tijdperk begroet je in de lift.
Hoe oud ben jij nu eigenlijk?
Zo herkent hij je: je wordt ouder jongen.
Voor hij uitstapt klopt hij op je buikje.
In een lift in het centrum van de stad.
Op een steenworp van het Centraal Station.
Een Limburgs accent na al die jaren nog.
Zie je: het is allemaal zo erg niet.
Iedereen is alleen en allen krijgen een buikje.
Als je maar lang genoeg leeft.
En bier drinkt met mosselen en garnalen.
Iedereen woont in een vergeten straat.
Schimmel op de muren.
Een lekkend dak.
Iedereen ligt iedere nacht wakker
En vervoegt werkwoorden, telt op.
Het is genoteerd, mijnheer Bourgeois.
Overal schilderijen (licht uit het Noorden).
Begroet leugens en verwen ze.
Om ze vroeg in de morgen te kunnen verwerpen.
Verwen ook de levensgenieter.
Om hem het leven zuur te maken met het leven.
Zoals het leven is.
En dan daalt de lift tot zij muziek wordt.
En de muziek ben jij, je voetstappen, je hart.
Jij die me van de verdoemenis redt.
Jij die me van verbrokkeling redt.
Uit de lift, uit de hal, zie je de meisjes.
Bloemen in bloei, zei de ene.
Bloemen des verderfs, de andere.
Sha la la la la, zingt de gekwetste.
Dit gebeurt in tweeduizend acht.
Zingt om niets te voelen van de nacht.
Om niets te voelen.
Sta op!
Ga eens eten met een vriend!
Drink met een vriendin een koffie, een martini dry.
De Bruges à Gand.
Zie dat het goed is op straat.
Omhels het sociaal contact.
Vergeet het gevaar, de stedelijke legendes.
Sta op!
Nu de zon je heeft gezien en jij de kleuren.
Sta op markies en droog haar tranen.