VERGETEN DROMEN, GRENZEN VAN HET HART

Het is altijd moeilijk om een droom die je had na te vertellen. Niemand leest graag dromen van onbekenden, zelfs niet van bekenden. Ik heb een droomboek van Jack Kerouac waar ik alleen wat in heb gebladerd, ik geloof in 1972, toen ik bij Leopold Flam filosofie studeerde. De man wees ons bijna dagelijks op het immense belang van dromen en sprookjes voor het leven. Nu lees ik helemaal geen dromen meer, geloof ik. Lange tijd heb ik me geoefend in het noteren ervan, en in ze analyseren. Dat was in de dagen dat ik de luxe had om ’s nachts op te staan om wat dingen te noteren; ik kon mijn tijdsgebruik zelf bepalen. Nu noteer ik bijna nooit meer een droom. En zeker kom ik er niet voor uit bed. Als ik een gedicht schrijf is het nooit, in tegenstelling tot bij iemand als Coleridge, op een droom gebaseerd.  Dromen interesseren me nog, maar alleen zijdelings. Het lijkt wel of ik van de nachtbruid ben gescheiden.
Dream_Vision_1525-Dürer

Op een nacht heb ik van je gedroomd. Door de ruis van de dagen is hij weliswaar al wat uitgewist, zo gaat dat met dromen. Ik vraag me af waar die uitgewiste dromen naartoe gaan? Is die informatie definitief weg, of zit ze ergens voor wie weet welk eventueel gebruik in de toekomst opgeslagen?

We bevonden ons in een soort vakantiekolonie. Een heel groot gebouw, met een zestal verdiepingen, een immense keuken, allerlei zaaltjes bestemd voor vergaderingen en vreemde, wellicht perverse zaken. Overdag hadden we met elkaar gepraat. Een intens, diep, beklijvend gesprek. Woorden als sterrenstof, zinnen als vallende sterren. Daarna verloor ik je, zoals Orpheus Eurydike. Mijn verlangen om bij je te zijn was groot. We waren als kinderen onschuldig, zoals de mensen zeggen. Ik ging je zoeken, door lange gangen, een labyrint: de vakantiekolonie.

Na ‘uren’ vond ik jouw kamer, waarvan de deur op een kier stond. Ik was niet helemaal zeker of het wel jouw kamer was – en zelfs al was het jouw kamer: ik liet de kier een kier en liet je slapen, als je al sliep. Ik verwijderde me, met veel spijt in mijn hart. Want ik had je graag in mijn armen gehouden en gekust. Maar die kamer was vreemd, de deur als een grens waar je niet door mag.

Ω

Afbeelding: droom van Albrecht Dürer, 1525 (Antwerpen).

JACK KEROUAC EN DE OUDE DUIVEL

san francisco,mexico,jack kerouac,malcolm lowry,poetisch proza
Doodshoofd van Jose Guadalupe Posada

De oude jonge man met de pet is op weg naar de regenboog in het Westen. Zijn huid is de huid van Adam in de eerste hagel, storm en sneeuw. God, vraagt hij, hoeveel kleuren zijn er onder uw zon, hoeveel mazen in uw net? Terwijl toestellen flitsen om zijn aftakeling voor eeuwig aan banden te leggen.

De jonge oude man met de pet is op weg naar de begrafenis van een junkiemeisje in Mexico Stad. Doodskoppen van suiker lachen hem vanuit etalages volmondig toe. Hij zucht als iemand in doodsstrijd als hij marmeren trappen beklimt en terugdenkt aan de dagen van dwaze misverstanden, kalverliefdes en andere vormen van onzalig nietsnutten.

De jonge oude man met de pet is op weg naar een bijeenkomst van ongeschoeide karmelietessen die zijn Boek willen horen. Aan de voet van Twin Peaks in de mist zit een oude onbekende meester met een ratelslang. Kom, zegt hij, ik heb op je gewacht, je bent moe, laten we ons Lazarus drinken. Je reis is ten einde. Je speeksel is op.

 

[Trouwe bezoekers van hoochiekoochie herinneren zich dit fragment – oorspronkelijk gepost op 28/8/2006 – misschien nog. Vanwege de spam heb ik dit, jammer genoeg samen met het commentaar, moeten wissen. Ik wilde dit poëtisch proza echter niet verloren laten gaan, en daarom plaats ik het hier opnieuw. Nu kan ik er ook even bij vermelden dat ik mijn inspiratie gehaald heb bij Jack Kerouac (Mexico City Blues, met het ongeëvenaarde “The wheel of the quivering meat conception / Turns in the void expelling human beings…” en dan volgt een opsomming van een hele resem andere wezens), en Malcolm Lowry (Under The Vulcano). Voorts zijn er in dit stukje indrukken van een verblijf in San Francisco verwerkt. Twin Peaks verwijst niet naar de tv-serie van David Lynch maar naar een wijk in de stad aan de Stille Oceaan, waar beats en hippies zich zo thuis voelden.]

NATALIE MERCHANT: BLOEMENMEISJE

natalie merchant

Omdat ik zo’n beetje met de beat generation bezig was, als gevolg van de aanschaf van een cd met songs van Allen Ginsberg, luisterde ik nog eens naar ‘In My Tribe’ van de popgroep 10.000 Maniacs, met als zangeres het bloemenmeisje Natalie Merchant. ‘In My Tribe’ werd geproduceerd door Peter Asher (in de jaren ’60 de helft van het duo Peter And Gordon, en nog steeds broer van Jane Asher, destijds het liefje van Paul McCartney, if my memory serves me well). De plaat klinkt als pure pop, met veel folk-invloeden.
De stem van Natalie Merchant heeft iets bijzonders, iets wat je naar de muziek toelokt, zoals een sirene naar de klippen, iets wat je aanvankelijke weerstand tegen dat popperige geluid doet afnemen. En toch is het geen geschoolde stem. Heel vaak versta je Natalie Merchant niet, ze slikt haar woorden in, slaat er een aantal over, versmelt ze met elkaar, fraseert nogal eigenzinnig, ze maakt rare klanken die helemaal niet overeenstemmen met wat er op het tekstvel staat.

“You chose your words from mouth of babes got lost in the wood. Cool junk booting madman, street minded girls in Harlem howling at night. What a tear stained shock of the world, you’ve gone away without saying goodbye.”
Meer verwijzingen naar Ginsberg dan naar Kerouac, in het lied dat nochtans ‘Hey Jack Kerouac’ heet.

De beste tekst vind ik die van ‘A Campfire Song’:
“A lie to say ‘O my garden is growing taller by the day’. He only eats the best and tosses the rest away. Never will he believe that his greed is a blinding ray.”

Foto: Natalie Merchant, fotograaf onbekend