OM NIET UIT DE GEHOORGANGEN TE VERDWIJNEN: SCOTT WALKER

scott walker 20

Vorige zaterdag brachten we  in Zéro de conduite een hommage aan Scott Walker (pseudoniem van Noel Scott Engel). Hij was in mijn tienerjaren samen met de andere Walker Brothers een van mijn prille pophelden; in mijn latere leven werd hij, en is hij nu meer dan ooit,  iemand om een voorbeeld aan te nemen, als integere kunstenaar en woordjuwelier. Als musicus en componist was hij dan weer exemplarisch voor een aantal van zijn muzikanten-tijdgenoten en voor jongere songschrijvers met een open geest en een luisterend oor.

Wat hier volgt zijn wat voorbereidende notities van die aflevering van Zéro de conduite. De playlist is aangevuld met wat meer details en een discografie. Voor een korte biografie en een in memoriam van Scott Walker vind je onder deze tekst enkele links.

“As a vocalist, at the height of his popularity, he was unsurpassable and influenced multiple generations as a result. His later work impacted many of the same artists whilst reaching newly receptive listeners who’d not hold him to the same standards of his earlier work. It was a real rebirthing of the artist that only a few manage to achieve in the world of popular music. The work Scott produced as a young man, and particularly that of his later years, will endure, as it is authentic, heartfelt, and visionary, produced in an environment, a genre of the arts, where such qualities are rarely encouraged or embraced.”
David Sylvian

Hoofdrolspelers

Scott Walker (of Noel Scott Engel): Walker Brothers
John Maus: Walker Brothers
Gary Leeds: Walker Brothers
Johnny Franz: producer (o.m. Walker Brothers, Dusty Springfield, Scott Walker)
Reg Guest: orkestleider en arrangeur
Ivor Raymonde: orkestleider / arrangeur (vader van Simon Raymonde: lid van Cocteau Twins en baas van platenlabel Bella Union)
Wally Stott (Angela Morley): arrangeur
Peter Knight: arrangeur
Peter Walsh: producer
The Quotations: backing band van the Walker Brothers
En enkele figuranten.

Walker Brothers discografie

Take It Easy with the Walker Brothers: November 1965
Producers: John Franz en Nick Venet
Met orkest onder leiding van Ivor Raymonde
Phil Spector-pop, blue eyed soul, barokpop

Portrait: Augustus 1966
Producer: John Franz
Met orkest onder leiding van Reg Guest en Ivor Raymonde
Phil Spector-pop, blue eyed soul, barokpop

Images: Maart 1967
Producer: John Franz
Orkest begeleid door Reg Guest
Phil Spector-pop, blue eyed soul, barokpop, drama

No Regrets: oktober 1975
Producers: Scott Walker, Geoff Calver
Covers, country
Geen composities van Scott Walker

Lines: oktober 1976
Producers: Scott Walker, Geoff Calver
Covers, country
Geen composities van Scott Walker

Nite Flights: juli 1978
Producers: Scott Walker en Dave MacRae
Vier nieuwe nummers van Scott Walker, de eerste sinds 1970
Laatste album van the Walker Brothers
Rock, synthpop

Scott Walker discografie

Scott: September 1967
Producer: John Franz
Met arrangementen van Wally Stott, Reg Guest, Peter Knight
Existentialistische pop en chanson
Philips records

Scott 2: Maart 1968
Producer: John Franz
Met arrangementen van Wally Stott, Reg Guest, Peter Knight
Existentialistische pop en chanson
Philips records

Scott 3: maart 1969
Producer: John Franz
Met arrangementen van Wally Stott, Peter Knight
Existentialistische pop en chanson noir
Philips records

Scott: Scott Walker Sings Songs from his T.V. Series: Juli 1969
Producer: John Franz
Ballads, big band standards
Geen songs van Scott Walker
Philips records

Scott 4: November 1969
Producer: John Franz
Alle songs van Scott Walker
Existentialistische pop en chanson noir
Scott Walkers meesterwerk
Invloed op Bowie, Radiohead, Julian Cope, etc

Till the Band Comes In: December 1970
Producer: John Franz
Met arrangementen van Wally Stott, Peter Knight
Pop, MOR, concept-elpee
Philips records

The Moviegoer: Oktober 1972
Producer: John Franz
Liedjes uit films: easy listening uit wat Scott Walker zijn wildernisjaren noemde
Philips records

Any Day Now: mei 1973
Producer: John Franz
Easy listening uit zijn wildernisjaren
Philips records

Stretch: November 1973
Producer: Del Newman
Covers-elpee, voornamelijk country
CBS records

We Had It All: Augustus 1974
Producer: Del Newman
Country, covers
Vier songs van Billy Joe Shaver
CBS records

Climate Of Hunter: Maart 1984
Producers: Scott Walker en Peter Walsh
Een soort van comeback van Scott Walker op het toen coole Virgin label.
Met “Blanket Roll Blues” van Tennessee Williams (uit de soundtrack van de film The Fugitive Kind)
Op kant 2: cijfers in plaats van songtitels
Virgin records

Tilt: Mei 1995
Producers: Scott Walker en Peter Walsh
Songs in een donkere, begrafenisachtige sfeer
Industriële en avant-garde muziek, geluidsblokken, repetitief
Fontana, Drag City Records

The Drift: Mei 2006
Producers: Scott Walker, Peter Walsh
Industriële en avant-garde muziek, geluidsblokken, repetitief
4AD

Bish Bosch: December 2012
Producers: Scott Walker, Peter Walsh
Industriële en avant-garde muziek, geluidsblokken, repetitief
4AD

Soused (with Sunn O))) ): 2014
Producers: Scott Walker, Peter Walsh
Samenwerking van Scott Walker met de experimentele metal band Sunn O)))
Avant-garde, experimentele rock, art rock, dreunrock
4AD

Scott Walker soundtracks / dansvoorstellingen

Pola X: Mei 1999
Soundtrack van de gelijknamige film van Leos Carax
Producer: Scott Walker
Avant-garde, experimenteel, filmmuziek
Barclay

And Who Shall Go to the Ball? And What Shall Go to the Ball?: oktober 2007
Producers: Scott Walker, Peter Walsh
Muziek voor het dansgezelschap CandoCo
4AD

The Childhood of a Leader (Original Soundtrack): Augustus 2016
Soundtrack van de gelijknamige film van Brady Corbet
Producers: Scott Walker, Peter Walsh
Klassiek, avant-garde, experimenteel
4AD

Vox Lux: December 2018
Producer: Scott Walker (gedeeltelijk)
Soundtrack van de gelijknamige film van Brady Corbet
CBS records

Box set

Five Easy Pieces: 2003
CD 1: In My Room
CD 2: Where’s The Girl?
CD 3: An American In Europe
CD 4: This Is How You Disappear
CD 5: Scott On Screen
Mercury records

Programma 6/4/2019

Death Rides A Horse – Ennio Morricone – Da uomo a uomo (Death Rides A Horse) – Ennio Morricone – 3:22
De dood rijdt op een paard. Dat wisten Lee Van Cleef en Ennio Morricone al lang. Dit deuntje ‘komt’uit een Italiaanse western die uitkwam in 1967.  Het beeld van de dood als een wrekende ruiter was Scott Walker net zo genegen als het hele repertoire van de Italiaanse meester. Filmmuziek was van groot belang voor Scott, al denken we bij zijn songs meestal niet aan westerns.

Saturday’s Child – The Walker Brothers – Portrait – Scott Engel – 2:08
Een toepasselijke titel voor een zaterdagavond. Muziek voor een existentialistische swinging London-party.

Genevieve – The Walker Brothers – Images – Scott Walker – 2:52
In de reeks die Scott ‘ladies, love and loss’ noemde.

I Don’t Want To Hear It Anymore – Jerry Butler – In The Naked City – Randy Newman – 3:04
De eerste versie van deze vroege Randy Newman-compositie (1964). Gecoverd door the Walker Brothers op Take It Easy.

Windmills Of Your Mind – Barbara Lewis – The Many Grooves Of Barbara Lewis – Bergman/Legrand – 3:58
Muziek van Michel Legrand. De eerste versie is van Noel Harrison en komt voor in de film The Thomas Crown Affair van Norman Jewison, met Steve McQueen en Faye Dunaway. Gecoverd door onder meer Dusty Springfield. Hoewel the Walker Brothers het nummer niet opnamen zou het zeker in hun repertoire hebben gepast. Ook gedraaid vanwege het overlijden van Michel Legrand en van Agnès Varda (Michel Legrand speelt een kleine rol in Varda’s Cléo de 5 à 7).

Young Man Cried – The Walker Brothers – Take It Easy With The Walker Brothers – John Franz/Scott Walker – 2:34
Werd gesampled door Alex Callier / Hooverphonic op Sometimes (openingsnummer van de cd Jackie Cane, 2002).

The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore) – The Walker Brothers – Portrait –  Bob Crewe/Bob Gaudio – 3:17 –
De eerste versie was van Frankie Valli (1965). The Walker Brothers  nemen je mee naar hoogten – en diepten – waar Frankie Valli nooit een stap zou durven te zetten. Een mijlpaal in de geschiedenis van de popmuziek.

Walking In The Rain – The Ronettes – Phil Spector – Back To Mono (1958-1969) – P. Spector-B. Mann-C. Weil – 3:16.
De muziekstijl van the Walker Brothers is duidelijk schatplichtig aan de wall of sound van Phil Spector en fantastische sessiemuzikanten van the Wrecking Crew. Een matige cover van Walking In The Rain verscheen op single in 1967.

Ebb Tide – The Righteous Brothers – Phil Spector – Back To Mono (1958-1969) – Carl Sigman/Robert Maxwell – 2:50
Een van de mooiste voorbeelden van de wall of sound. Stonden the Righteous Brothers model voor de Walkers? Deze single op Philles was een hit in 1965.

All Strung Out – Nino Tempo & April Stevens – Phil’s Spectre I: A Wall Of Soundalikes – Nino Tempo/Jerry Riopelle – 3:01
Dit nummer uit 1966 was bedoeld voor the Righteous Brothers, maar die hadden geen zin om het op te nemen, dus deden Nino Tempo en April Stevens (Nino’s zus) het maar zelf. Phil Spector was niet de producer, wel Bones Howe, die ook met the Monkees en Tom Waits samenwerkte. Het strijkersarrangement is van Nick DeCaro.

Baby Make It The Last Time – The Walker Brothers – Images – Scott Walker/Kirk A. Duncan/Michael Nicholls – 3:07
B-kant van de single Walking In The Rain, 1967. Een dansnummer.

Mrs. Murphy – The Walker Brothers – Solo Scott, Solo John EP – Scott Walker – 3:20
Uit een Philips EP uit 1966 waaruit blijkt dat het toen al niet zo boterde tussen John en Scott.

I Need You – Chuck Jackson – Honey And Wine: Another Gerry Goffin & Carole King Song Collection – Carole King/Gerry Goffin – 3:10
Op het Wand label uitgebracht in 1965 – Gecoverd door the Walker Brothers op een EP in 1966. Chuck Jackson is vooral bekend van de singles Any Day Now en I Keep Forgettin’ (gecoverd door David Bowie).

Summertime – Al Green – Green Is Blues – George Gershwin/DuBose Hewayrd – 3:02
The Walker Brothers-versie van deze classic uit Porgy and Bess is terug te vinden op de elpee Portrait. Summertime and the living is easy, fish are jumping and the cotton is high…

People Get Ready – Curtis Mayfield & The Impressions – The Anthology 1961 – 1977 – Curtis Mayfield – 2:39
De bijzonder geslaagde versie van the Walker Brothers staat op Portrait. Ik heb het nummer in die versie leren kennen en waarderen. Maar niets gaat boven het origineel.

How Can I Be Sure – Dusty Springfield – Dusty In London –  Felix Cavaliere/Eddie Brigati – 2:48
Tijdgenote, stijlgenote. Oorspronkelijke versie op Groovin’ van the Young Rascals, 1967. The Walker Brothers namen deze classic helaas niet op. Had gekund.

Orpheus – The Walker Brothers – Images – Scott Walker – 3:27
Scott klasseert dit nummer in zijn reeks ‘bedsit dramas, including the kitchen sink’.

Archangel – The Walker Brothers – Single B Side – Archangel – 3:45
Met de klank van een oud orgel opgenomen in een bioscoop op Leicester Square. Invloed van Bach.  Inspiratie voor Procol Harum?

Salad Days (Are Here Again) – Procol Harum – A Whiter Shade Of Pale – Keith Reid/Gary Brooker – 3:41
Uit de eerste elpee van Procol Harum, die aanvankelijk geen titel had. Je hoort hier wel meer invloed van Bob Dylan / Highway 61 Revisited dan van the Walker Brothers.

Never Say Never Again – Bee Gees – Odessa – Bee Gees – 3:28
Tijdgenoten en geestverwanten. Odessa was een concept-box die vijftig jaar geleden werd uitgebracht.

When Joanna Loved Me – Scott Walker – Scott – Robert Wells/Jack Segal – 3:08
1ste solo-elpee, 1967
In de reeks ‘ladies, love and loss’. Het nummer was voordien al een hit voor Tony Bennett.

Montague Terrace (In Blue) – Scott Walker – Scott – Scott Walker – 3:31
Een hoogtepunt uit de eerste solo-elpee:
The girl across the hall makes love
Her thoughts lay cold like shattered stone
Her thighs are full of tales to tell
Of all the nights she’s known
Your eyes ignite like cold blue fire
The scent of secrets everywhere
A fist filled with illusions
Clutches all our cares

Wait Until Dark – Scott Walker – Scott 2 – Henry Mancini – 3:00
Uit de tweede solo-elpee, 1968. Wait Until Dark is een film van Terence Young uit 1967. Met Audrey Hepburn als een jonge, blinde vrouw.

Black Sheep Boy – Tim Hardin – Tim Hardin 2 – Tim Hardin – 1:56
Iets helemaal anders maar wel gecoverd door Scott Walker op Scott 2.

Duchess – Neko Case & Her Boyfriends – The Virginian – Scott Engel – 2:56
Een sublieme versie van een Scott Walker-compositie (op Scott 4).

Rhymes Of Goodbye – Scott Walker – Scott 4 – S. Engel – 3:04
Scott 4 is eigenlijk de 5de solo-elpee van Scott Walker, als je Scott: Scott Walker Sings Songs from his T.V. Series meerekent. Scott 4 is Scott Walkers grandioos meesterwerk.

Two Ragged Soldiers – Scott Walker – Scott 3 – S. Engel – 3:07
“Such amazing empathy for the human soul. He saw two men sitting on a park bench and imagined an entire life for them – full of suffering, joy and bitter longing for the lives they could have lived. It’s a miraculous work of art” schrijft Jim Oliver op YouTube. Inderdaad.

La valse des lilas (Once Upon a Summertime) – Toots Thielemans with Shirley Horn – The Real… Toots Thielemans – Eddie Barclay/Michel Legrand – 4:33
Vooral voor de melancholie van Toots, minder voor de stem van Shirley Horn. Een lied voor de eeuwigheid van Michel Legrand en Eddie Barclay.

La chanson de Jacky – Jacques Brel – Ces gens-là – Jacques Brel/Gérard Jouannest – 3:26
Barclay, 1965. Scott Walker nam negen nummers van Jacques Brel op, later verzameld op Scott Walker sings Jacques Brel.

The Seventh Seal – Scott Walker – Scott 4 – S. Engel – 4:58
Scott Walker hield van zoals reeds gezegd van film en filmmuziek en zeker van de films van Ingmar Bergman.

30 Century Man – Scott Walker – Scott 3 – Scott Walker – 1:29
“If anything lyrically Walker brilliantly anticipated the dystopian/supermen visions of his most famous fan David Bowie, touching on ideas of long life through ‘freezing’ – the kicker is the bizarrely audacious claim “Shame you won’t be there to see me shaking hands with Charles de Gaulle.” Musically the gentle acoustic guitar and Walker’s slightly twangy style of singing turns into a fusion of Bob Dylan and Jacques Brel, a dipping into a folk/cabaret style that becomes Walker’s own through and through, topped off with a short fragment from a music box” schrijft Ned Raggett op Allmusic.
Een documentaire uit 2006 over Scott kreeg dezelfde titel. (Ik heb hem nog niet gezien.)

The London Boys – David Bowie – The Deram Anthology 1966 – 1968 – David Bowie – 3:22
Geestverwant, stijlverwant en bewonderaar van Scott Walker.

The Electrician – The Walker Brothers – Nite Flights – Scott Engel – 6:11
Midge Ure  stelde dat “The Electrician” hem inspireerde voor Ultravox’s “Vienna”
De terugkeer van de ware Scott Walker, zou je kunnen zeggen. Nite Flights was de zwanenzang van de broers die geen broers waren.

Tilt – Scott Walker – Tilt – Scott Walker – 5:13
Scott Walker begeeft zich op het pad van de avant-garde en de experimentele muziek. Zijn teksten, die altijd eerst komen, worden hermetische gedichten. Hij maakt gebruik van massieve blokken geluid en stilte.

The Escape – Scott Walker – The Drift – Scott Walker – 5:19
Nog verder op de weg van de avant-garde.
Tilt, The Drift en Bish Bosch (zijn eindspel) vormen een nogal macabere trilogie. Liederen over onder meer de terechtstelling van Clara, de vrouw van Benito Mussolini, de moord op Pasolini, Jesse Garon Presley, de doodgeboren tweelingbroer van Elvis, drugdealers, het proces tegen Eichmann, 9/11, Srebrenica en andere aardedonkere onderwerpen. En dit:
If shit were music
La da da, la da da
You’d be a brass band
Know what?
You should get an agent, oh yeah, yeah
Why sit in the dark handling yourself?
Uit: ‘SDSS1416+13B (Zercon, A Flagpole Sitter)’ op ‘Bish Bosch’

Om maar te zeggen: Scott Walker is niet iemand om zomaar te vergeten. Of is iemand om voor eens en altijd te ontdekken. Hij is geen wrekende ruiter maar een bezeten en vreedzame jager op uitzonderlijke woorden en beelden en op geluiden die een verschil maken. Een verschil met de shit van het dagelijks leven. Zijn composities herinneren ons aan de mogelijkheden die datzelfde dagelijks leven ons biedt.

 

SALUT LES COPAINS

francegall2

Zolang ik me kan herinneren heb ik van muziek gehouden. In elke straat in elke stad waar ik kwam ging ik op zoek naar melodieën. Aan de hand van mijn moeder, met vrienden, en later – liefst van al – alleen. Soms zelfs in het gezelschap van mijn vader, over een paadje wandelend door een veld ergens in Limburg. Het gekwetter van vogels, het zingen van de wind in de bladeren. Ik herinner me nog hoe de klank van dat geruis veranderde in de herfst, alsof er een akkoord bestond tussen kleuren en geluiden.

Nu zijn we in het hart van de winter en France Gall is dood. Zo herinner ik mij opeens een korte maar intense vriendschap omstreeks 1965. Florentin Vleminckx was net als ik een schipperskind en leed bovendien ook aan astma. In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden was hij Franstalig opgevoed. In die dagen voelde ik me aangetrokken tot de Franse popmuziek. Florentin was de enige jongen met wie ik over France Gall, Sylvie Vartan, Claude François en zo meer kon praten. Samen met Florentin luisterde ik naar de Franstalige programma’s op Radio Luxembourg en bladerde ik in het glossy magazine Salut les copains, met de nog altijd onovertroffen foto’s van Jean-Marie Périer. Zijn mooiste model was zonder twijfel Françoise Hardy, maar misschien bekoorde France Gall ons nog meer omdat ze er zo jong en opgewekt uitzag. Bovendien had ze met ‘Poupée de cire, poupée de son’ het Eurovisiesongfestival gewonnen! Een schitterende compositie van Serge Gainsbourg, maar wisten wij toen veel. Hij zou nog meer uitstekende liedjes voor France Gall schrijven, onder meer ‘Baby Pop’, ‘Les sucettes’ en ‘Les petits ballons’.
Mijn fascinatie voor wat yéyé wordt genoemd hield even snel op als ze begonnen was. Aan de vriendschap met Florentin kwam al gauw een einde. Bij schipperskinderen was dat niet ongewoon. Je ontmoette elkaar toevallig en even toevallig zag je elkaar nooit meer terug. Ik herinner me nu dat ik soms nog wel eens naar hem vroeg als ik met mijn moeder over die onschuldige dagen van Salut les Copains zat te keuvelen. Maar wat antwoordde ze toch ook weer? Het is meer dan een halve eeuw geleden dat ik Florentin voor het laatst zag. Nu France Gall dood is zit ik opnieuw met hem op het schip van mijn ouders naar ‘Poupée de cire, poupée de son’ op de transistorradio te luisteren. Zie je ons glimlachen?

***
In de zomer van 1980 liftten A. en ik door Frankrijk. In alle steden waar het toeval ons naartoe bracht weerklonk France Galls ‘Il jouait du piano debout’. In winkels, in bars, in restaurants. Als we een wandeling maakten over een veldweg hoorden we het in de verte door de openstaande ramen van een auto de wereld ingestuurd worden. De hemel tegemoet. Een lied voor de engelen die boven de wolken wonen. Of misschien toch niet.

***
[Il n’y a que pour la musique, qu’il était patriote
Il s’rait mort au champ d’honneur pour quelques notes
Et pour quelles raisons étranges
Les gens qui tiennent à leurs rêves, ça nous dérange

Il jouait du piano debout, Michel Berger
Het nummer is een hommage aan Jerry Lee Lewis.]

 

ADIEU ANNE WIAZEMSKY

cof

Gisteren was het de beurt aan Anne Wiazemsky om ons voor goed te verlaten. Ze was een van mijn geliefkoosde actrices, al zag ik haar maar in een tiental films. Maar wat voor films: ‘Au hasard, Balthazar’ van Robert Bresson, ‘La Chinoise’, ‘One Plus One’ en ‘Week-End’ van Jean-Luc Godard, ’Teorema’ van Pier Paolo Pasolini, ‘La semence de l’homme’ van Marco Ferreri, ‘Le retour d’Afrique’ van Alain Tanner en ‘L’enfant secret’ van Philippe Garrel. Ze schreef het scenario voor de ontroerende televisiefilm ‘US Go Home’ van Claire Denis.
Maar dat was niet alles. Ze was eveneens de auteur van schitterende autobiografische romans als ‘Une année studieuse, ‘Un an après’, ‘Un poignée de gens’, ‘Jeune fille’, ‘Mon enfant de Berlin’ en ‘Un saint homme’.

Anne Wiazemsky was de kleindochter van de katholieke schrijver en Nobelprijswinnaar François Mauriac en haar vader was de Russische prins Yvan Wiazemsky. Van 1967 tot 1970 was ze de echtgenote van Jean-Luc Godard. Dat laatste, “muze van Godard”, schijnt ongeveer het enige te zijn wat de Vlaamse pers over haar te melden heeft.

Adieu Anne!

ZERO DE CONDUITE: BYE BYE CHUCK BERRY

Chuck_Berry_1972

Zéro de conduite is een stemmingsafhankelijke, twee uur durende populaire popcyclus op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor anderhalve man en een paardenstaart. Uniek in het zich steeds verder uitdijende multiversum. Stem af op 106.7 FM.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Wie anders dan Chuck Berry vandaag? Een groot deel van de jongeren opgegroeid in de tijd van de atoombom en de schrik voor een nucleaire apocalyps heeft zich in zijn songs herkend. Chuck Berry heeft met zijn muziek een parallelle wereld gecreëerd, een wereld die even reëel was als die van grijze kantoorbedienden, handelsbalansen, kantoorcommunisten en zwijgende meerderheden allerhande. Velen denken nu dat zijn werk een mythologie is, maar dat is slechts ten dele waar. Tieners in de jaren vijftig en zestig leefden en droomden in die mythologie. Het was allemaal echt: de jukebox, de Thunderbird, zachte zestienjarige meisjes met paardenstaart, haast religieuze verering van chroom, benzine en snelheid. En wat vooral niet mag vergeten worden: seks op de dansvloer. Over de man Chuck Berry valt weinig te zeggen. Hij leek me altijd al een saaie vent. Ook die ene keer dat ik hem live zag – 21 januari 1973 in Vorst – straalde hij niets bovenmenselijks uit. Maar die songs, en die teksten – en het gitaarspel! Degenen die beweren dat Chuck Berry een dichter was overdrijven niet. Hij was tevens een fotograaf en een filmmaker – in woorden. Jammer dat zijn bron zo gauw is opgedroogd. Zou hij daar onder geleden hebben? Was zijn leven veel tragischer dan ik het mij voorstel? Ik weet het niet. Hij is alleszins negentig geworden. En zijn rock & roll zal nog veel langer meegaan dan dat.

Veel luisterplezier!

Back In The U.S.A. – Jonathan Richman & The Modern Lovers – Jonathan Richman & The Modern Lovers

Thirty Days – Chuck Berry – After School Session

Forty Days – Ronnie Hawkins – Ronnie Hawkins

Sweet Little Sixteen – Jerry Lee Lewis – The Essential Jerry Lee Lewis – The Legendary Sun Recordings

Don’t You Lie To Me – Fats Domino – The Legendary Imperial Recordings

Roll Over Beethoven – Margaret Lewis – Lonesome Bluebird

Brown Eyed Handsome Man – Wanda Jackson – Right Or Wrong

Let It Rock – Chuck Berry – Single Version

Memphis – Lonnie Mack – The Wham Of That Memphis Man!

You Can’t Catch Me – The Rolling Stones – The Rolling Stones, Now!

Come On – Chocolate Watchband – No Way Out

Johnny B. Goode – Johnny Winter – Second Winter

Bye Bye Johnny – Chuck Berry – Gold: Chuck Berry

Brown Eyed Handsome Man – Buddy Holly – Rave On: The Very Best Of Buddy Holly

Maybelline – The Everly Brothers – Rock’n Soul

Roll over Beethoven – The Sonics – Here Are the Sonics

Jaguar And Thunderbird – The Troggs – From Nowhere the Troggs

Rock And Roll Music – The Beatles – Beatles For Sale

Surfin’ USA – The Beach Boys – Surfin’ U.S.A.

No Particular Place To Go – Chuck Berry – St. Louis To Liverpool

Around And Around – The Animals – The Animals

Oh Baby Doll – The Pretty Things – The Pretty Things

Too Much Monkey Business – The Yardbirds – Five Live Yardbirds

Carol – The Flamin’ Groovies – Teenage Head

13 Question Method – Ry Cooder – Get Rhythm

C’est La Vie – Emmylou Harris – Luxury Liner

The Promised Land – Johnnie Allan – Johnnie Allan Sings

I’m Talking About You – Rick Nelson – Garden Party

Too Much Monkey Business – Elvis Presley – From Nashville To Memphis: The Essential 60’s Masters

Nadine – John Hammond, Jr. – Southern Fried

The Promised Land – Dave Edmunds – Rockpile

You Can’t Catch Me – John Lennon – Rock ‘N’ Roll

Havana Moon – Levon Helm – Levon Helm and The RCO All-Stars

Johnny B. Goode – Grateful Dead – Skull & Roses

School Day (Ring Ring Goes The Bell) – Chuck Berry – After School Session

Almost Grown – The Lovin’ Spoonful – What’s Shakin’

Sweet Little Rock ‘n’ Roller – Rod Stewart – Smiler

Memphis – John Cale – Animal Justice

Bonus tracks:

No Money Down – Duane Allman – Skydog: The Duane Allman Retrospective

You Never Can Tell – Ronnie Lane – Ronnie Lane’s Slim Chance

Memphis – The Faces – A Nod Is As Good As A Wink…To A Blind Horse

Downbound Train – Chuck Berry – After School Session

Carol [Live] – The Rolling Stones – Get Yer Ya-Ya’s Out!

Memphis, Tennessee – Sandy Bull – Re-Inventions

Back In The USA – MC5 – Back In The USA

Monkey Business – The Youngbloods – Earth Music

Maybelline – George Jones – The Essential – The Spirit Of Country

Φ

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski
Foto: Chuck Berry, 1972. PD

WAPENSTILSTAND

cohen

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN
(hoofdstuk 13)

Dag 10: 11 november 2016

“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Een talloos aantal werelden en zeker één die wankelt. En een zee van mogelijkheden. “Morgen zal ik niet schrijven”, schreef ik gisteren. Hoe lang heeft dat morgen geduurd? Ik wil er niet over nadenken, nooit goed geweest in rekenkunde. Ik zou kunnen opsommen wat ik allemaal gedaan en gelaten heb. Lijstjes maken. Een boek van Henri Bergson gekocht, dat heb ik, ‘Tijd en vrije wil’, niet toevallig een beschouwing over de tijd. De objectiveerbare, meetbare tijd tegenover de duur (la durée), die niet meetbaar is, omdat zij voortdurend stroomt en verandert. Gelezen heb ik het nog niet, maar dat zal niet lang meer duren… En voor de rest? Mijn ogen en oren gebruikt, gelegen, gezeten. Opgestaan is plaats vergaan.

BERGSON-TRANQUILLOU.jpg

Vandaag wapenstilstand, maar wat betekent dat nog? Bijna overal oorlog, moord en doodslag. Wat ooit ‘rebels without a cause’, hippies en yippies waren zijn nu jihadi’s. Hetzelfde fundamentele ongenoegen, een vergelijkbaar radicalisme, maar een andere ‘strijd’. ‘Terreur’ wordt dat fenomeen voorbij goed en kwaad, voorbij het humanisme, genoemd; maar is terreur wel de juiste term? We kennen de terreur van de Franse revolutie, het schrikbewind, omdat dàt tot de geschiedenis behoort, maar datgene waarvoor we nu bang zijn – en door de machthebbers bang voor worden gemaakt – is een nieuw fenomeen, het is in beweging, niet meetbaar, we kunnen er geen vat op krijgen. We kunnen er zelfs niet over nadenken, vandaar al die meningen en opinies. Van wapenstilstand geen sprake. Er zijn wapens, er worden aan de lopende band wapens geproduceerd, dus worden ze gebruikt. Opslagplaatsen zijn duur.

Leonard Cohen is dood. Gestorven op 7 november, net voor Donald Trump de Amerikaanse verkiezingen zou winnen. Op die dag schreef ik over Isabelle Huppert en de film ‘L’Avenir’, over vulgaire verkiezingsshows, over Karst Woudstra en August Strindberg. Bovendien zat ik me af te vragen of er tussen mij en Trump maar “six degrees of separation” bestaan. Indien dat zo is, wat houdt mij dan tegen om naar hem toe te gaan en hem op andere gedachten te brengen? Zoveel mogelijkheden. In ‘Being There’ van Jerzy Kosinski kan een tuinier zelfs president worden. Overigens vind ik de filmversie (Hal Ashby) beter. Maar het boek, in Nederlandse vertaling, wordt hier in huis gekoesterd: mijn Laura kreeg het in mei 1981 cadeau van onze vriend Joseph.

Eigenlijk mag je nooit vergelijken. Ik wil ik dat zeker niet doen met twee kunstenaars, de ene een starman en de andere een beautiful loser – de enige duidelijke overeenkomst is dat beiden nu dood zijn. Of wacht, er is nog een overeenkomst: ook bij de dood van Leonard Cohen lijkt het erop of heel de wereld in rouw is. Over mijn gevoelens over Cohens overlijden wil ik niet veel zeggen. Heel lang geleden heb ik ‘Beautiful Losers’ gelezen. Voor mij was Leonard Cohen een dichter. Een dichter die zijn recitaties begeleidde – of liet begeleiden – met gitaar, met enkele andere instrumenten, met een tweede of derde stem. In het begin hield ik veel van ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on a Wire’. Vervolgens duurde het tientallen jaren eer ik Leonard Cohen opnieuw ging beluisteren. Ik luisterde naar zijn teksten. Ik las ze in een bundel. Ik verslond ze. Het waren parels, juwelen. Leonard Cohen was een goudsmid. Hij kon alles. Het mooiste aan de man vond ik dat hij deed alsof hij een niemendal was. En zelfs dat deed hij niet. Leonard Cohen leek op mij – of ik op hem: hij was er niet, is er niet en ik ben er ook niet**. Ooit ben ik er geweest, maar dat is lang geleden. Het was in de dagen dat ik naar ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on the Wire’ luisterde. En meer nog naar ‘Sitting By the Window’, maar dat is een ander verhaal voor een andere dag. Deze tiende en laatste dag van mijn tien dagen in de ‘woestijn van de werkelijkheid’ wil ik afsluiten met woorden van Leonard Cohen:

Now I greet you from the other side of sorrow and despair, with a love so vast
And so shattered, it will reach you everywhere.
And I sing this for the captain whose ship has not been built, for the mother in
Confusion, her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king. for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.
Through the days of shame that are coming, through the nights of wild distress,
Though your promise counts for nothing, you must keep it nonetheless.
You must keep it for the captain whose ship has not been built. for the mother in
Confusion her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king, for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.***

* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276

**Versta me niet verkeerd: ik wil me op geen enkele manier met Leonard Cohen vergelijken en al zeker niet als dichter. Het gaat om een manier van in de wereld zijn. Maar zelfs mijn vorm van afwezig zijn, van onzichtbaar zijn is niet vergelijkbaar. Voor Leonard Cohen heb ik alleen maar respect. Voor mezelf? Dat denk ik niet. You’re invisible now, you got no secrets to conceal.

***Leonard Cohen, Heart With No Companion

TRIPTIEK VOOR MERLE HAGGARD

merle haggard 1 001.jpg

1.
Merle Haggard is dood. Waarom hield ik zoveel van zijn stem, van zijn songs, van zijn mythe? Zo lang ik me kan herinneren heb ik me een outsider gevoeld, anders dan de anderen, ongeschikt voor een netjes afgelijnd leven, voor een planmatig opgebouwde toekomst als burgerman, voor succes van welke aard dan ook. Ik had aanleg, talent, was met mijn ideeën vaak op mijn tijd vooruit en ik heb veel vrienden gehad. Gedurende enkele jaren was ik het centrum van een klein universum van gelijkgezinden. Maar ik geloofde niet in mezelf, ik achtte me niet tot iets goeds in staat. Tot iets groots, iets wat de wereld waarderen zou. Er ontbrak me een essentiële eigenschap of karaktertrek. Niet alleen discipline en doorzettingskracht, maar ook het vermogen om je naam op te dringen, om de anderen ervan te kunnen overtuigen dat je onmisbaar bent, dat ze zonder jou niet kunnen. Dat jij de man bent. Van in het begin was ik gebrandmerkt om te verliezen. De hoogmoed, zo die er al was, was van erg korte duur en aan de val lijkt geen einde te komen, en dat wil ik ook niet. Want liever vallen dan een verrader te zijn van alles wat me lief en dierbaar is. Hoewel mislukt en onder die mislukking soms gebukt gaand voel ik aan dat vallen beter is dan vliegen met de vleugels van onverdiend succes. Wat mij had kunnen redden – behoeden voor de val – was bijval als dichter, maar ook in die wereld voelde ik me niet thuis: het was een pseudowereld, een leugen. Echte dichters waren als Hölderlin en Artaud, ze waren antisociaal, leefden in een toren of zaten in een asiel. Ze gingen niet naar cocktailparty’s en lazen niet voor in cultuurhuizen.
Ik besef dat ik heel gemakkelijk op het verkeerde pad had kunnen komen.  “En de leraar die mij altijd placht te dreigen: / jongen, jij komt nog op het verkeerde pad, / kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen. / Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad” zong Boudewijn De Groot*  in ‘Testament’, woorden die me als vijftienjarige tegelijk aantrokken en de daver op het lijf joegen. Dat het mooie lied me fascineerde blijkt uit de titel die ik gaf aan ons provo-schooltijdschrift met dezelfde naam. Tegelijk heb ik er alles voor gedaan om niet in de goot of de gevangenis te belanden, wat ook niet gebeurd is. Voorzichtigheid is misschien niet de meest bewonderenswaardige levenskunst, ze behoedt je wel voor veel gevaren. Maar een outsider ben ik altijd gebleven.

Bacon three studies for a crucifixion.jpg

2.
Wat heeft deze korte analyse van mijn persoonlijkheid met Merle Haggard te maken? Bijna alles. Dat uitleggen en aantonen is erg moeilijk. Hoewel de Americana-wereld van de gisteren – op zijn 79ste verjaardag – overleden countryzanger zeer specifiek is, is hij ook universeel. Dat alleen al is een bewijs voor zijn groot kunstenaarschap. Ik denk nu aan de schilder Francis Bacon, een kroegtijger die wat hij ’s nachts in de onderbuik van de grote stad zag en voelde en beleefde overdag met wilde precisie aan zijn doeken toevertrouwde. Je ontwaarde in Bacons genadeloze werken alle stemmen die in dronkenschap, wanhoop, verbijstering en verrukking tot hem doorgedrongen waren. Elk beeld van Francis Bacon is een echt beeld. De composities van Merle Haggard zijn op dezelfde manier echt en waar. Elk woord van hem, elke zin, elke vocale nuance drukt een reële en precieze ervaring uit. Vaak hoor je in zijn songs – noem ze gerust levensliederen – de stem  van mensen die niet mee kunnen eten van de gelukskoek, die nooit part zijn geweest van de American Dream en dat ook nooit zullen zijn. De personages van Merle Haggard verschillen heel erg van die van Francis Bacon maar de overeenkomst zit hem in de aandacht voor wie uitgesloten wordt, voor de outsider, voor de ‘andere’. Merle Haggard zingt al heel zijn lange leven over arme gelukszoekers, hardwerkende arbeiders, rechtse rednecks, hoeren, vervreemde cowboys, bajesklanten, dronkaards, moordenaars, treurende zonen, zwervers, hongerige immigranten, bastaards, drugverslaafden, gauwdieven, truckers, desperado’s, vluchtelingen, seizoenarbeiders, halfbloeden, reactionaire dwazen, mensen zonder illusies. Dit is geen willekeurige opsomming. Luister naar zijn platen: deze échte mensen komen stuk voor stuk in zijn liedjes voor. Zijn verzameld werk is voor mij op zijn minst zo veel waard als dat van Walt Whitman en John Steinbeck.

merle haggard 2.jpg

3.
Ik heb het geluk gehad dat ik in 1965 een fan mocht worden van the Byrds. Hun albums waren schatkamers, juwelenkistjes van liedschrijfkunst. Toen Gram Parsons in 1968 lid werd van de groep stopte hij een aantal parels van de countrymuziek in de juwelenkist die ‘Sweetheart of the Rodeo’ heet. Zo ontdekte ik country en meteen ook Merle Haggard via hun cover van ‘Life In Prison’. Op muzikaal gebied was dat een ommekeer in mijn leven. Maar met wie kon ik daar over praten? Haast niemand in mijn omgeving hield van country: het was muziek voor boerenkinkels en buitenlui. Tot ik Erik Van Neygen ontmoette, van de Belgische countryrockgroep Pendulum. Ik geloof dat hij de eerste was die ook naar Merle Haggard, Buck Owens en George Jones luisterde. Pas omstreeks medio de jaren zeventig vond ik een zielsverwant, Jos D., met wie ik nachtenlang naar Merle Haggard kon luisteren en in de Antwerpse volkse bars en kroegen opnieuw en opnieuw onze bewondering voor hem uitspreken. Vandaag hoor ik opnieuw en opnieuw ons van Duvels doordrongen gejubel weerklinken, ons euforisch gebral, doorspekt met citaten uit ‘Swinging Doors’, ‘The Bottle Let Me Down’, ‘Branded Man’ en ‘Sing Me Back Home’. Ja, ook Jos D. was een personage in een lied van onze held. De bars en het verdriet van de liefde, ongeneeslijke wanhoop, hebben hem de das omgedaan. Ik was sterker, denk ik. Zo valt me nu het trieste geluk te beurt dat ik me kan blijven onderdompelen in de muzikale wereld van de gebrandmerkte man die dank zij zijn groot talent, zijn originaliteit en zijn werkkracht erin slaagde een mythische held te worden. Merle Haggard is dood.

merle haggard 1.jpeg

*tekst van Lennart Nijgh

DODE FICTIES

“Het interessante probleem is niet of de fictieve personen op dezelfde wijze bestaan als de werkelijke personen. (…) Het interessante probleem is waarom we aan hen op dezelfde wijze kunnen refereren als aan de werkelijke personen, en we elkaar even goed begrijpen als we zeggen dat Napoleon de man van Joséphine was, als wanneer we zeggen dat Odysseus de man van Penelope was.”
Umberto Eco, ‘Over het andere been van Achab’, in ‘Kant en het vogelbekdier’, 1997.

Op 19 februari overleden twee auteurs die je mythisch zou kunnen noemen. Ja, liever gebruik ik het woord ‘mythisch’ dan ‘iconisch’. Ik ken maar één soort iconen: afbeeldingen van Christus, de Moeder Gods en heiligen. De rest is mediagebral. Maar een auteur mythisch noemen is misschien wat gewaagd, want je maakt er op die manier een fictie, een fabeldier van. Zo dringt zich de vraag op of fabeldieren schrijven kunnen. Umberto Eco en Harper Lee konden dat heel zeker, ook al heb ik er weinig van gelezen. Of ik ‘To Kill A Mockingbird’ heb gelezen kan ik me zelfs niet herinneren. Het zal dan wel niet. Wel zag ik ooit de film met Gregroy Peck, en die vond ik grandioos. A. heeft nog niet zo lang geleden de Nederlandse vertaling van de roman gelezen en er mij veel over verteld. Eigenlijk ken ik Harper Lee alleen maar uit twee films over Truman Capote, ‘Capote’ (2005) van Bennett Miller, met Philip Seymour Hoffman als Capote en Catherine Keener als Harper Lee en ‘Infamous’ (2006) van Douglas McGrath met Toby Jones als Capote en Sandra Bullock als Harper Lee. Hiermee is al bewezen dat wat mij betreft Harper Lee, ook al heeft de vrouw echt bestaan, een mythische schrijfster was.

Umberto Eco mag voor mijn part ook een mythe worden genoemd. Omdat ik niet zo vertrouwd ben met semiotiek, hoewel ik me in de praktijk met bijna niets anders bezighoud, heb ik van deze Italiaanse cultuurreus ook maar weinig gelezen. Toen ik filosofie studeerde ben ik een beetje vertrouwd geraakt met zijn theorie van het open kunstwerk (zie ‘Het open kunstwerk’, dat al in 1962 verscheen). Maar ik heb me er niet in verdiept. Toen ‘De naam van de roos’ een bestseller werd was ik Umberto Eco al vergeten. Dat was in een periode waarin ik geradicaliseerd was. Alles wat succes en marktwaarde had maakte me op de een of andere manier boos. Een kunstenaar, een schrijver moest zich ver van markten, banken en beurzen ophouden. Ik weigerde bestsellers te lezen, al zag ik wel films als Stanley Kubricks ‘The Shining’, gebaseerd op een bestseller van Stephen King. Paradoxen en contradicties zijn me nooit vreemd geweest.
Later heb ik ‘De naam van de roos’ alsnog gelezen, vooral omdat mij was verteld dat Jorge Luis Borges, auteur van ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’, er een belangrijke rol in speelde. ‘De naam van de roos’ was een spannende roman, dat zeker, maar echt veel indruk heeft hij op mij niet gemaakt. Later probeerde ik het nog een keer met ‘De slinger van Foucault’, maar na één of twee hoofdstukken ben ik er al mee opgehouden.

Denk nu niet dat ik Umberto Eco niet waardeer. Het ligt aan mij. Ik geraak niet binnen in de mythe die Umberto Eco heet. Ik vrees dat zijn werk voor mij altijd een labyrint zal blijven zonder minotaurus, een oord waar ik niets te zoeken heb, niets te winnen en niets te verliezen. Of, preciezer uitgedrukt, een eiland zonder het verlokkende gezang van sirenen. Maar net als James Bond en Justin Bieber zeg ik nooit nooit. Neen, ik zeg nooit nooit.

 

ZERO DE CONDUITE: VOOR DAVID BOWIE 2

David_Bowie_1975

Playlist van ‘Voor David Bowie’ uitgezonden op 6 februari 2016 in Zéro de conduite op Radio Centraal in Antwerpen.

Space Oddity – The Langley Schools Music Project – Innocence and Despair, 1976/2001 – Bowie/David Bowie [Fragment].

All The Madmen – David Bowie – The Man Who Sold The World – David Bowie.
1970 Mercury, in 1972 door RCA heruitgebracht met andere hoes. Een productie van Tony Visconti, tot het einde een van de trouwe partners van Bowie. ‘All the Madmen’ is beïnvloed door werken van Ronald Laing en David Cooper, anti-psychiaters. Davids halfbroer was wat toen schizofreen werd genoemd. Het thema van de ‘waanzinnige’ outsider zou je een rode draad in het werk van Bowie kunnen noemen. De titelsong werd door Nirvana gecoverd.

Liza Jane – Davie Jones And The King Bees – The Mod Scene Vol. 2 – Leslie Conn.
De eerste single, uit 1964. David Bowie was toen 17 en heette nog Davie (en Davy) Jones.

Rosalyn – The Pretty Things – The Pretty Things – Duncan/Farley.
Single (UK 1964) en LP-track uit ‘Pretty Things’ (USA 1965). Bowie coverde dit rhythm & blues pareltje op ‘Pin-Ups’.

I Keep Forgettin’ – Artwoods – 100 Oxford Street – Jerry Leiber/Mike Stoller.
Chuck Jackson hit in 1962, Artwoods versie op ‘Art Gallery’, 1966. Door Bowie gecoverd op ‘Tonight’.

Circles (Instant Party) [From The Single “A Legal Matter”] – The Who – Pete Townshend.
Single B-kant, 1966. De producer was Shel Talmy.

You’ve Got A Habit Of Leaving – Davy Jones & The Lower Third – Nuggets II: Original Artyfacts From The British Empire And Beyond, Vol. 2 – David Jones.
Single uit 1965, een Shel Talmy-productie. Sterk beïnvloed door the Who. David Bowie speelt mondharmonica, wat hij ook doet op ‘I Can’t Give Everything Away’, de allerlaatste track op ‘Blackstar’.

Where Have All The Good Times Gone – The Kinks – The Kink Kontroversy – Ray Davies.
B-kant van single uit 1965. Op ‘Pin-Ups’. Ook Ray Davies was belangrijk in de eerst periode van David Bowie, die van de Swinging London Boy. Kennelijk ging het in 1965 al erg slecht, als we Ray Davies mogen geloven.

Sorrow – The McCoys – Smash Boom Bang! Songs & Productions Of Feldman-Goldstein-Gottehrer.
Met de lyrische woorden “with your long blonde hair and your eyes of blue”. In Engeland een hit voor The Merseys, de versie waarop Bowie zich baseerde voor zijn ‘Pin-Ups’ cover (ook uitgebracht als single). De jonge Rick Derringer maakte deel uit van the McCoys

The London Boys [Mono Version] – David Bowie – The Deram Anthology 1966 – 1968 – David Bowie.
B-kant van de single ‘Rubber Band’, 1967. Producer was Mike Vernon.

Miss Amanda Jones – The Rolling Stones – Between the Buttons – Jagger/Richards.
The Rolling Stones waren helden van Davy Jones, vooral de diabolische en androgyne Mick Jagger. David nam ‘Let’s Spend the Night Together’ op op ‘Alladin Sane’. Maar missschien gaat ‘Amanda Jones’ wel over David?

Lucifer Sam – Pink Floyd – The Piper At The Gates Of Dawn – Syd Barrett.
Zeker naar Syd Barrett keek David erg op. Op zijn eerste elpee zijn sporen van die bewondering terug te vinden en hij coverde ‘See Emily Play’.

White Light/White Heat – The Velvet Underground – White Light / White Heat – Lou Reed.
David Bowie heeft er veel voor gedaan om the Velvet Underground populair te maken. Zelf kocht ik ‘Hunky Dory’ omdat er op de hoestekst een verwijzing stond naar V.U. Met name bij ‘Queen Bitch’.

Queen Bitch – David Bowie – Hunky Dory – David Bowie.
RCA, 1971. Een productie van Ken Scott, met alle leden van de toekomstige Spiders From Mars, waaronder gitarist Mick Ronson. Een schitterende vroege LP. Hier heeft David opeens geen Londens maar een New Yorks accent.

Kooks – David Bowie – Hunky Dory – David Bowie.
Zie ‘Queen Bitch’. Bowie schreef het nummer naar aanleiding van de geboorte van zijn zoontje Zowie Bowie (Duncan Jones). Sporen van Neil Youngs LP ‘After the Goldrush’, voor wie aandachtig luistert.

Soul Love – David Bowie – The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars – David Bowie.
6 juni 1972, RCA. Ken Scott-productie. ‘Ziggy Stardust’ wordt het hoogtepunt van glam genoemd, hoewel het dat genre zeker overstijgt. Het is een klassieke rock-LP. Ze heeft vorm gegeven aan veel jonge levens.

Suffragette City – David Bowie – The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars – David Bowie.
Zie ‘Soul Love’. Mick Ronson speelt piano in Little Richard-stijl. Little Richard was nog erg populair in het toenmalige Engeland, mede door Nik Cohn’s baanbrekende boek ‘Awopbopaloobopalopbamboom – Pop From the Beginning’, dat iedereen toen verslond.

Satellite Of Love – Lou Reed – Transformer – Lou Reed.
1972, RCA. Producers David Bowie en Mick Ronson. Backing vocals: David Bowie. Piano: Mick Ronson.

Here Comes The Night – Them – The Story of Them Featuring Van Morrison – Bert Berns.
Single van Them, 1965. Een favoriet nummer van David Bowie, gecoverd op ‘Pin Ups’. Jimmy Page op gitaar.

Shapes Of Things – The Yardbirds – Ultimate! – Jim McCarty/Keith Relf/Paul Samwell-Smith.
Single, 1966. Jeff Beck gitaar freak out. Productie van de onlangs overleden Giorgio Gomelsky.

The Jean Genie – David Bowie – Aladdin Sane – David Bowie.
1973, RCA. David Bowie noemt deze elpee ‘Ziggy goes to America’. Zelf vind ik ze nog beter dan ‘Ziggy Stardust’. Jean Genie is androgyne Bo Diddley from outer space. Veel jongeren zijn na beluistering Jean Genet gaan lezen. Producers: Ken Scott en David Bowie. “…it ultimately turned into a bit of a smorgasbord of imagined Americana” zei Bowie zelf over het nummer.

Back Stabbers – The O’Jays – Back Stabbers – Gamble/Huff/Sigler.
1972, Philadelphia International. Producers: Kenny Gamble en Leon Huff. Achtergrondinformatie voor de “blue eyed soul-fase” van David Bowie
.
Right – David Bowie – Young Americans – David Bowie.
1974, RCA. Producers: Tony Visconti Harry Maslin David Bowie. ‘Young Americans’ is de funky Philadelphia soul elpee van David Bowie. Voor enkele nummers werkte hij samen met John Lennon. Er staat een cover op van ‘Across The Universe’. ‘Fame’ was een hit in de VS. ‘Young Americans’ is een favoriet nummer van Lambchop.

Meeting Across The River – Bruce Springsteen – Born To Run – Bruce Springsteen.
Columbia, 1975. Producers: Bruce Springsteen, Jon Landau. Het verhaal van een drug deal. Roy Bittan op piano, subliem trompetspel van Randy Brecker.
Voor sommige fans van David Bowie zal het een shock zijn dat Bruce Springsteen veel betekende voor onze geliefde zanger. Zeker de jonge Bruce had naast zijn machismo ook een zachtere, meer vrouwelijke kant dan algemeen wordt aangenomen. David Bowie zou Roy Bittan van de E-Street Band voor zijn volgend album vragen.

Word On A Wing – David Bowie – Station To Station – David Bowie.
1976, RCA. Producers: David Bowie en Harry Maslin. Als geheel zijn meest geslaagde elpee. Ook de hoes is bijzonder mooi, met een foto uit de film ‘The Man Who Fell To Earth’. Stilistisch een combinatie van de soul die hij liet horen op ‘Young Americans’ en electronica/futurisme. Deze fase is bekend als die van The Thin White Duke. ‘Word On A Wing’ klinkt als een gebed, het is een van Bowies meest aangrijpende liederen. Roy Bittan op piano, Earl Slick op gitaar.

Always Crashing In The Same Car – David Bowie – Low – David Bowie.
1977, RCA. Producer David Bowie en Tony Visconti. ‘Low’ is de nieuwe fase in de muzikale carrière van David. Samen met Brian Eno gaat hij experimenteren met elektronica, expressionisme en futurisme. Kant 1 van de LP bevat evenwel nog min of meer traditionele songs. ‘Low’ is een van de absolute hoogtepunten in de 20ste eeuwse rockmuziek. Ricky Gardiner, leadgitaar. Brian Eno, synthesizer. Nog een hoes met een foto uit ‘The Man Who Fell To Earth’. 1ste deel van de Berlin trilogy.

Warszawa – David Bowie – Low – David Bowie/Brian Eno.
Een geweldige samenwerking van Bowie en Eno. Joy Division heette eerst Warsaw, als eerbetoon aan deze aangrijpende en beklemmende song. De betekenisloze tekst verwijst wellicht naar de expressionistische kunstenaar Kurt Schwitters.

Nightclubbing – Iggy Pop – The Idiot – Iggy Pop/David Bowie.
1977, RCA. David Bowie was producer. ‘The Idiot’ was een nevenproject van de Berlin trilogy. Iggy Pop en David Bowie woonden samen in West-Berlijn. David Bowie op synthesizer, piano, drum machine, backing vocals.

Fantastic Voyage – David Bowie – Lodger – Brian Eno/David Bowie.
1979, RCA. Derde en laatste deel in de Berlin trilogy. Productie: Bowie en Visconti. Samenwerking met Brian Eno. Het is onduidelijk waarom de plaat enigszins miskend is, ze moet niet onderdoen voor de andere twee delen van de trilogie, al is ze wat toegankelijker. Een verbluffende vocale prestatie. En drie mandolinespelers.

Repetition – Au Pairs – Playing With A Different Sex – David Bowie.*
1981. Zeer geslaagde cover door de post-punkband the Au Pairs van een track uit ‘Lodger’. Stem: Lesley Woods

Teenage Wildlife – David Bowie – Scary Monsters (And Super Creeps) – David Bowie.*
1979. Productie: David Bowie & Tony Visconti.
Overgang naar een nieuwe, vierde fase , die van de ongecompliceerde rockster. ‘Scary Monsters’ bevat uitstekende, toegankelijke en min of meer traditionele rocksongs. Vermoedelijk was Bowie een beetje bang zichzelf in louter experimenten te verliezen.
‘Teenage Wildlife’ bevat kritiek op de popcultuur: “One of the new wave boys / Same old thing in brand new drag / Comes sweeping into view / As ugly as a teenage millionaire / Pretending it’s a whiz-kid world”. Robert Fripp op gitaar, Roy Bittan op piano. Verwantschap met “Heroes”.

Kingdom Come – Tom Verlaine – Tom Verlaine – Tom Verlaine.*
1979. Uit de eerste solo-elpee van begenadigd gitarist Tom Verlaine (Television). Gecoverd door Bowie op ‘Scary Monsters’.

Without You – David Bowie – Let’s Dance – David Bowie.
Mijn uitverkoren David Bowie-nummer.
Let’s Dance wordt door velen als een toegeving aan de markt beschouwd, als uitverkoop. Zelf vind ik het een prachtige dansplaat. Heel mooie productie van Nile Rodgers. En welke ongecompliceerde rockster heeft het over “serious moonlight”, om maar iets te noemen.
Put on your red shoes and dance the blues!

V-2 Schneider – David Bowie – “Heroes” – David Bowie. [Fragment]
1977, RCA. David Bowie Tony Visconti. Een hulde aan Florian Schneider van de Duitse band Kraftwerk. De hele elpee is een tour de force. “Heroes” is een van Bowies allermooiste songs. David Bowie op saxofoon, zijn uitverkoren instrument?

Bonus Tracks
All The Young Dudes – Mott the Hoople – All the Young Dudes – David Bowie
Buddha Of Suburbia – David Bowie – Buddha Of Suburbia – David Bowie

I’m Deranged – David Bowie – 1. Outside – David Bowie
The Man Who Sold The World – Nirvana – MTV Unplugged In New York – David Bowie
Crush With Eyeliner – R.E.M. – Monster – R.E.M.
I Feel Free – Cream – Fresh Cream – Jack Bruce/Pete Brown
Jump They Say – David Bowie – Black Tie White Noise – David Bowie
The Electrician – The Walker Brothers – Nite Flights – Scott Walker
Seven – David Bowie – ‘Hours…’ – David Bowie/David Bowie/Reeves Gabrels
Pablo Picasso – The Modern Lovers – Jonathan Richman
I’ve Been Waiting For You – Neil Young – First Album – Neil Young
You Feel So Lonely You Could Die – David Bowie – The Next Day – David Bowie
I Can’t Give Everything Away – David Bowie – Blackstar – David Bowie
“Heroes” – David Bowie – “Heroes” – Brian Eno/David Bowie

bowie

* Deze nummers konden door tijdgebrek niet worden gedraaid en zijn bijgevolg ook bonus tracks.

ZERO DE CONDUITE: VOOR DAVID BOWIE

David-Bowie-1971-2.jpg

David Bowie, de geliefde zanger en kunstenaar, is nu al bijna een maand dood. Het rouwproces, als we het zo mogen noemen, lijkt lang te zullen aanslepen. Ongewoon is dat niet: wij hadden het gevoel dat David Bowie ons minder vreemd was dan de meeste van onze familieleden, dan sommige van onze vrienden. Door innerlijke processen die we zelf niet kennen gaat onze liefde in veel gevallen eerder naar zij die ver van ons verwijderd leven dan naar zij met wie we dagelijks omgaan. Dat heeft weinig met Nietzsche te maken. Of misschien heeft het lezen van Nietzsche ons toch duidelijk gemaakt dat het zo was en is. Hier zijn natuurlijk uitzonderingen op: onze tederste gevoelens gaan naar mensen die we van huid en haar kennen. Maar bijna even groot is onze affectie voor aardlingen als David Bowie. Of noem het fascinatie.

Over welke rol hij in mijn leven heeft gespeeld schreef ik al eerder in ‘Fascination: David Bowie’, dat wil ik hier niet nog een keer herhalen. Wel is het onmogelijk om geen twee uur van Zéro de conduite aan de muzikale werelden van David Bowie te wijden. Aan onze fascinatie voor hém en aan zíjn fascinatie voor andere muziek en muzikanten. Overigens is dat maar een deel van de hele Bowie. Hij was zoveel meer dan muziek. Maar aangezien wij een muziekprogramma maken beperken wij ons tot dat (essentieel) facet. Deel twee van de muzikale trip door het Zuiden van de Verenigde Staten zal moeten wachten.
Wegens tijdgebrek – twee uur per maand – en door te weinig kennis van het latere werk zal onze aandacht vooral naar de eerste drie periodes van Bowie gaan. Ik noem deze fases (die door elkaar lopen): Swinging London Boy; androgyne rocker; neo-expressionistische soul searcher.

Om het allemaal wat verrassend te houden wordt de gedetailleerde playlist pas morgen op hoochiekoochie en facebook gepost. Aan de voorbereiding werd hard gewerkt en voor één keer voelde ik mij gedwongen om een thema te ‘kiezen’. Wij maken deze aflevering van Zéro de conduite voor niemand anders dan voor David Bowie, maar zijn er van overtuigd dat zij veel luisteraars blij en tegelijk wat droef zal maken.

Veel luisterplezier!

Research & presentatie: Martin Pulaski
DJ: Sofie Sap

 

FASCINATION: DAVID BOWIE

david bowie fell to eath 2

Net zomin als ik meteen na de dood van Lou Reed waardige, glansrijke woorden vond om afscheid van hem te nemen kan ik dat nu na het verscheiden van David Bowie. Miljoenen van zijn fans maken hetzelfde mee; hun verbijstering en sprakeloosheid is in zekere zin een troost. Een troost is ook dat wij, hoe artificieel het ook mag wezen, ons verdriet met elkaar kunnen delen. “While troubles are rising / We’d rather be scared / Together than alone”. Terneerdrukkend is dan weer de vele onzin, de onnauwkeurigheden en flagrante fouten die ik in op maat gemaakte in memoriams lees (en probeer dat niet te doen).

Vergeef mij dat ik deze zeer subjectieve en magere beschouwingen toch ter lezing aanbied. Ik kan niet anders, ik moet.

Het enige wat mij gisteren lukte, na enige uren voor mij uit te zitten staren, was een kort gedicht. Nee, niet eens een gedicht, een treurstukje, een naïeve en kinderlijke poging om David Bowie uit zijn schuilplaats te lokken. Zonder resultaat. De Britse dichter Algeron Charles Swinburne schreef het al (en hij was niet de enige):

That no life lives for ever;
That dead men rise up never

Alles aan David Bowie was me dierbaar, zij het met onderbrekingen. Ik leerde zijn muziek kennen in een wazige, op elk gebied troebele, chaotische maar ook euforische tijd. Daardoor herinner ik me niet meer zo goed hoe het avontuur begon. Met ‘The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars’? Of met de Amerikaanse RCA-versie uit 1972 van ‘The Man Who Sold the World’? Het heeft weinig belang: beide langspeelplaten maakten een verpletterende indruk op me.
Aanvankelijk hield ik niet zo van David Bowie. Een goede vriend van me had me circa 1970 de elpee ‘David Bowie’ – die soms ook ‘Space Oditty’ heet – laten horen: die vond ik te bombastisch en te zweverig. Ik luisterde in die dagen naar Bob Dylan, the Rolling Stones, the Velvet Underground, Johnny Winter, the Grateful Dead, Johnny Cash en Neil Young. ‘Space Oddity’ paste niet in die sfeer. Alleen de single ‘Space Oddity’ viel in de smaak. Als ik de elpee nu beluister klinkt ze lang niet meer zo bombastisch, maar geslaagd vind ik ze nog steeds niet.

Vermoedelijk na het verschijnen in 1972 van Lou Reeds ‘Transformer’, die Mick Ronson en David Bowie produceten, begon de echte fascinatie. De dagen die ik doorbracht met ‘Ziggy Stardust’ – alle songs – en ‘The Man Who Sold the World’ – alle songs – waren opwindend, betoverend… Neen, die woorden volstaan niet. Ik kan de sfeer die in onze muziekkamer hing en die me helemaal doordrong, lichamelijk en geestelijk, niet benoemen. Het gaat niet. Het volstaat ook niet om nu naar die magische platen te luisteren: de gevoelens en emoties die ze opriepen komen nooit meer terug. Ik herinner me dat mijn kleine wereld in een theater veranderde waar veel meer mogelijk werd dan ik ooit vermoed had. Dankzij ‘Transformer’ en de twee platen van David Bowie werd ik sterk, onoverwinnelijk, en in zekere zin ook meedogenloos. Dat ik me in dezelfde periode in Nietzsche verdiepte en antipsychiatrie bestudeerde zal daar ook wel toe bijgedragen hebben. Songs als ‘The Width Of A Circle’ en vooral ‘All the Madmen’ drukten heel goed die tijdsgeest uit. Overigens lazen mijn vrienden en ik in die dagen Kahlil Gibran, een ‘profeet’ waar Bowie eveneens naar opkeek. Wat wij in die hele Kahlil Gibran zagen is me nu een raadsel. De leermeesters van de antipsychiatrie, Ronald Laing en David Cooper, blijven echter waardevol.

Omdat ik weinig geld had duurde het enkele maanden voor ik me ook ‘Hunky Dory’ kon aanschaffen, een album dat al in 1971 was uitgekomen. Van de beginperiode vind ik dat het hoogtepunt, hoewel ik voor die voorkeur geen muzikale of tekstuele argumenten kan aanreiken. Hoewel. Er staan schitterende songs op, dat zeker. En kant twee is perfect. Heeft de begenadigde zanger ooit betere songs geschreven en gezongen dan ‘Life On Mars?’, ’Andy Warhol’, ‘Song For Bob Dylan’ en ‘The Bewlay Brothers’?

Ook 1973 was voor mij nog een David Bowie-jaar. ‘Pinups’ blijft voor altijd een van de meest overtuigende cover-elpees. Perfecte keuze van swinging sixties en psychedelia, perfecte uitvoering, met als hoogtepunt ‘Sorrow’, dat ik kende in de versie van the McCoys. Daarna de waanzinnige vloedgolf die ‘Aladdin Sane’ heette, androgynie en antipsychiatrie ten top gedreven. ‘Panic In Detroit’, ‘Time’ met de cabaretpiano van Mike Garson, en Bo Diddley op amfetamine in ‘The Jean Genie’, met voor de liefhebbers verwijzingen naar de dief Jean Genet. (Lees Patti Smith’s M Train voor mooie verhalen over Jean Genet.)

Waarom hield mijn bewondering voor David Bowie in 1974 op? Heel zeker weet ik het niet, maar ik denk dat ik stilaan genoeg kreeg van rock. Ik werd ‘sick of all this repetition’ en ging me in jazz en klassieke muziek verdiepen. Trouw bleef ik zeker wel aan Bob Dylan, John Cale, Syd Barrett, Captain Beefheart en Alexander Spence.

1977 was een keerpunt. Opeens hoorde je op de radio the Clash, the Sex Pistols, the Buzzcocks, herrieschoppers – een nieuwe muzikale revolutie. Bowies ‘Rebel, Rebel’ – uit ‘Diamond Dogs’, 1974 – was opnieuw relevant. We gingen weer elk weekend dansen, extatischer dan ooit tevoren. Punk rock, rockabilly, reggae, elektronica. Een hoogtepunt op de dansvloer was de single ‘”Heroes”’. De gelijknamige elpee van Bowie – de zanger woonde nu in West-Berlijn en werkte samen met Brian Eno – was het hoogtepunt van dat jaar. Ik was werkloos en arm, maar ging toch op zoek naar wat ik gemist had. Zo vond ik in de tweedehandsbakken ‘Station To Station’(1976), wellicht als geheel zijn meest geslaagde album en ‘Low’ (ook uitgebracht in 1977). ‘Low’ is de eerste plaat die ik gisteren heb opgelegd. Een meesterwerk, zowel de bijna traditionele songs op kant één als de abstracte soundscapes op kant 2. Ik geloof dat ik bij Matti Piucci las dat de B-kant van ‘Low’ hopeloos verouderd is. Wat een onzin. Kant 2 van ‘Low’ is nagenoeg perfect. Is ‘Lodger’, deel drie van wat de Berlijnse trilogie wordt genoemd, minder goed? De plaat is niet zo experimenteel als de twee andere, maar naar mijn mening hoort ze desondanks bij Bowies betere werk. Wat een uitstekende en avontuurlijke musici zijn hier aan het werk! Luister nog een keer naar ‘Repetition’, waar ook een mooie cover van bestaat door the Au Pairs. “What’s the good of me working / When you can’t damn cook”.

In 1980 verraste David Bowie ons met een “commerciële” rockplaat, ‘Scary Monsters and Super Creeps’. Het is de elpee van de betreurde zanger die ik het meest heb gedraaid. Er was een tijd dat ik alle teksten uit het hoofd kende. Helaas zijn alleen van ‘Teenage Wildlife’ wat flarden blijven hangen. Of misschien maar goed ook, want ik zing even vals als Bowie zelf in een scène van de film ‘The Man Who Fell To Earth’. De fraaie cover van Tom Verlaine’s ‘Kingdom Come’ is mooi meegenomen, een fijn voorbeeld van David Bowies generositeit. Ook weer heel veel gedanst op ‘Fashion’ en ‘Ashes To Ashes’.

Wat mij betreft is ‘Let’s Dance’ uit 1983 David Bowies – voorlopig – laatste grote album. Het is zijn meest toegankelijke werk, zijn vrolijkste ook, maar gelukkig hoor je trieste ondertonen. Vrolijkheid zonder verdriet is leugenachtig. De productie van Nile Rodgers is kristalhelder, het gitaarspel van Stevie Ray Vaughn economisch en expressief. Op ‘Let’s Dance’ staat mijn uitverkoren Bowie-nummer: ‘Without You’. Ook toen Bowie nog leefde kreeg ik er vaak de tranen bij in de ogen.

davidbowieletsdance.jpg

Altijd ben ik naar de muziek van David Bowie blijven luisteren. Maar wat na ‘Let’s Dance’ is uitgekomen heb ik niet meer gevolgd. Vanaf 1982, toen ik met mijn eerste radioprogramma ben begonnen, ben ik me meer en meer gaan verdiepen in muziek uit het verleden, zij het met veel aandacht voor nieuwe bands en singer-songwriters. Op dezelfde manier ben ik aandachtiger gaan luisteren naar opnamen van Bowie die ik nog niet zo goed kende, onder meer naar het sublieme blanke soulalbum ‘Young Americans’ – waarvoor hij samenwerkte met Luther Vandross – en naar de liedjes uit het prille begin, zoals het wondermooie ‘You’ve Got A Habit Of Leaving’, met Nicky Hopkins op piano, en ‘London Boys’. Nieuwe releases echter gingen aan me voorbij. Daar zal wel een reden voor bestaan, maar ook die ken ik niet. Wel zag ik gisteren op BBC Bernard Sumner van Joy Division/New Order met zijn mond vol tanden staan toen hem gevraagd werd wat hij dacht van Bowies oeuvre na 1990. Zelfs met de titel van ‘The Next Day’ had hij het moeilijk. Zo hoef ik mij er niet al te erg voor te schamen dat ik mijn David verwaarloosd heb tot ik ‘Where Are We Now?’ hoorde. Was dat in januari 2013 dat ik zo heb zitten huilen? Ik dacht dat David Bowie ziek was, dat hij ging sterven. Zo triest was dat lied. Maar buitensporig mooi en nostalgisch. Ik kon niet anders dan op zoek gaan naar sporen van de geniale performer in Berlijn. Die heb ik er in september vorig jaar gevonden. In het huis waar ik logeerde lag dezelfde traploper als in dat waar David Bowie en Iggy Pop hebben gewoond. In mijn verbeelding was mijn oude held weer jong en springlevend. Ik had the Lodger nieuwsgierig en levenslustig door de Berlijnse straten zien lopen. Zelfs dacht ik hem in een van de aanwezigen bij een concert van Ryley Walker in de Privat Club te herkennen.

Vanaf morgen ga ik mij overgeven aan ‘Blackstar’. Ik weet nu al dat ik in weer een andere wereld zal aanbelanden. Een wereld die geen theater zal zijn, waar ik niet als een sterke, onoverwinnelijke en enigszins meedogenloze man zal ronddwalen. Ik denk dat ik de wereld van ‘Blackstar’ al ken. Maar met David Bowie weet je het nooit zeker. Een ding staat vast: David Bowie veranderde misschien aan de oppervlakte, in de diepte bleef hij zichzelf, een en al emotie en fascinatie, een en al levenslust.

Ω

Ik heb het hier niet gehad over soundtracks, singles, live-platen, video’s, films (waaronder een van mijn lievelingsfilms, ‘The Man Who Fell To Earth’ van Nicolas Roeg, met David op z’n allermooist), theater, performance. Jammer. En laat Bob Dylan nu maar een ‘Song For David Bowie’ schrijven.

Ook interessant: David Bowies honderd favoriete boeken.

 

 

 

JAMES SALTER VOOR ALTIJD

cof

Pas vorig jaar heb ik – samen met vele andere lezers – James Salter ‘ontdekt’. Je moet je nooit schamen voor traagheid. Beter laat dan nooit is een volkswijsheid die me na aan het hart ligt. Niet dat ik altijd de laatste ben, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om de dood van een uitzonderlijk schrijver, iemand die voor altijd van alle tijden zal zijn. Zijn roman ‘Light Years’ is zonder enige overdrijving een meesterwerk. Zelden heeft een roman me zo diep geraakt. Tot op grote hoogten heeft het boek mij gevoerd en vervolgens tegen de grond gesmakt – en tussen die twee uitersten in is er veel met me gebeurd dat onzegbaar is. Over het nuanceringsvermogen van de meester beschik ik niet. Ik zal mijn leven lang of kort een leerling blijven, onder meer van hem, van James Salter. Andere geschriften van de Amerikaanse auteur, ‘Burning the Days’, ‘All That Is’, ‘A Sport and a Pastime’ en zijn kortverhalen, moeten nauwelijks voor het meesterwerk onderdoen.

Nu, net negentig geworden, is James Salter dood. Lang leve zijn werk!

IN DE RAND VAN HET VERLANGEN*

paul rigaumont,schrijver,filosoof,schilder,vriend,aurora,anekdota,popcultuur,tegencultuur,protest,minderheid,minderheidswording,verlangen,beat generation,gilles deleuze,my generation,leven,dood

Voor Paul Rigaumont

BEAT GENERATION

“I’ve got every reason on earth to be mad”, zong John Lennon als jonge Beatle. Aan die woorden moest ik denken toen ik hoorde dat Allen Ginsberg was overleden.
Nu zal ik het hier niet over de dood van Allen Ginsberg hebben en evenmin zal ik anekdotes over zijn wonderlijk leven vertellen. Maar ik wil wel even wijzen op het belang van figuren als Ginsberg in wat ik met een woord van Paul Rigaumont onze ‘minderheidswording’ noem.
Toen ik als jonge filosofiestudent in de eerste helft van de jaren ’70 Paul Rigaumont leerde kennen, waren Allen Ginsbergs teksten voor mij belangrijke levenslessen. Van Ginsberg leerde ik niet schrijven, maar wel het leven binnenbrengen in het schrijven; zowel het ‘platvloerse’ als het verhevene moest een plaats krijgen in mijn werk. (Zowel John Keats als Elvis Presley, zowel Lee Marvin en Angie Dickinson als Theseus en Ariadne).

Allen Ginsberg las wijze boeddhistische teksten, luisterde naar Thelonious Monk en the Beatles. Van die ervaringen – maar uiteraard van nog veel meer –  zijn sporen terug te vinden in zijn uitbundige gedichten en dagboeknotities. Zoals veel schrijvers van de beat generation ging hij uitvoerig in op zijn seksleven. Zijn taal was een taal van het verlangen en van het lichaam, geschreven vanuit een diepe ervaring met alle zintuigen open (en vaak nog gestimuleerd door geestverruimende middelen).
Het verlangen en het lichaam zijn twee thema’s die Paul Rigaumont zeker niet onberoerd hebben gelaten. De zes Anekdota die intussen zijn verschenen (hoewel we al aan nummer 8 hebben bereikt) kunnen daarvan getuigen.

Paul Rigaumont schrijft in ‘Anekdota VIII’: “Daar waar het verlangen zich manifesteert is er geen uitstel en geen berekening en geen beslag. (Een verlangen is onherleidbaar tot het gehoorzame reproduceren van regels en normen.)” (p.137)

De taal van het verlangen breekt met de algemeen geaccepteerde regels. Luis Bunuels films, en in het bijzonder ‘Un chien Andalou’ zijn er welsprekende voorbeelden van. Verlangende lichamen ontwrichten de spelregels van het menselijk verkeer. Bliksem en donder zijn, bij wijze van spreken, hun beste vrienden. Allen Ginsberg schrijft in zijn Indian Journals: “Throw doubt on whole of previously accepted human humanistic reality”.

Het is geen toeval dat Paul Rigaumont zich in zijn filosofische dagboeknotities ent op filosofen als Deleuze, Foucault en Nietzsche. Wat zij gemeen hebben is de aandacht voor het verlangen, het wilde leven, het lichaam. Voorts hebben zij heel wat op te merken bij allerlei instellingen en tradities die precies het verlangen, met name de seksualiteit en de waanzin, in toom moeten houden.

TRASHMEN

Paul en ik leerden elkaar beter kennen toen we gingen samenwerken aan het Aurora-project. Dat zal in 1977 zijn geweest, het jaar van de Sex Pistols. De begindagen van punk en new wave waren vergelijkbaar met de naoorlogse beatnik-periode en met bepaalde elementen uit de jaren ’60 (in hoofdzaak de beweging van de mods in Engeland gecombineerd met thema’s van de situationistische beweging in Frankrijk en elders). Opnieuw hing de elektriciteit van de revolutie in de lucht. Zowel in de kleine Aurora-ruimte als in de grote Montevideo-hangar gingen jonge en minder jonge mensen met wapens van de verbeelding de verveling van de heersende stijlen en de economische crisis te lijf.

In die dagen klonken de Trashmen (die van ‘Surfin’ Bird’) weer nieuw en terzake. Mijn vrienden en ik waren zelf Trashmen: we hadden geen job, geen vooruitzichten op een glansrijke carrière of een andere clownerie. We maakten ons weinig illusies. We spraken onszelf tegen, leefden van dag tot dag en zaten desondanks met de toekomst in ons hoofd. We droegen tweedehands kleren, dansten op muziek van the Clash, Television en Patti Smith. We (her)ontdekten de bijzondere charmes van plastic en neon-licht, we dronken goedkope wijn en tequila, waren niet vies van amfetamine en marihuana. Opnieuw gaven Kerouac, Ginsberg maar ook Sartre ons het goede voorbeeld. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd en tegenwoordig kansarmoede, was voor ons een flitsende levensstijl.

Sommige van de mensen die er toen waren zijn Trashmen gebleven. Misschien hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan onszelf hadden we wellicht allemaal Trashmen moeten blijven. Maar misschien was het alleen maar een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie – of toch ook weer element van een minderheidswording.Voor mezelf was rock ’n roll (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ van Joy Division) een levensnoodzakelijk en zoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes, een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.
Heel wat van de beste mensen van onze generatie liepen tegen de muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Jos D., Willy B., Renée S. om de onbekendsten te noemen.)  Iets gelijkaardigs had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”)

Wij treurden maar waren sterker dan de dood. Ons verlangen naar een ander leven was niet uitgeschakeld. Alle decibels van de Cinderella en alle arbeidsbemiddelaars van de RVA waren niet bij machte dat verlangen uit te schakelen. Wij bleven dromen van proza en poëzie en van een ruimte waarin we konden schreeuwen en schilderen, experimenteren en ontdekken. We werkten aan het eigenzinnige tijdschrift Aurora, waaraan ik nu met trots terugdenk, we organiseerden poëziemiddagen en -avonden in het Filmhuis in de Lange Brilstraat, Paul begon zijn hardnekkige onderzoek naar vormen en kleuren. We volgden sporen van Friedrich Nietzsche, Friedrich Hölderlin, Virginia Woolf, Edmund Husserl, Gilles Deleuze, Michel Foucault, Francis Bacon, Bram Van Velde, Maurice Wyckaert en, dichter bij huis, van Leopold Flam en Annie Reniers.
Paul had in die jaren onafgebroken onzichtbare handschoenen aan. Ik weet het, ik heb ze gezien. Ik heb ook de stekelige wereld gezien, die hem niet bijster veel keuze liet.

P-P-PEOPLE TRY TO PUT US DOWN, TALKING BOUT MY GENERATION

Maar hoe is het allemaal begonnen? Waarschijnlijk met gestotter. Gestamel dat voortvloeide uit frustratie. In de rij staan op tochtige plaatsen die men speelpleinen noemde, smakeloze soep eten en gelaten de blaffende stemmen van meesters en opvoeders in de gehoorgangen toelaten. Ons dagelijks leven tijdens de koude oorlog van de jaren ’50 en ’60 was niet bepaald een pretje.

Tot plotsklaps het pistoolschot klonk waarmee ‘Like A Rolling Stone’ opende. Dylans bevestiging van de naamloze, de hoer, de zwerver, de onbekende. Personages die allemaal in onszelf sluimerden. Die elkaar tegenspraken en zich systematisch vergisten.
Op Radio London hoorden we het gestotter van ‘My Generation’. Stotteren mocht, vond Pete Townshend. Je kon anders zijn, ook al werd je in dat anders-zijn niet zomaar aanvaard.

my generation.jpg

En meteen wisten we: dit is het nieuwe leven. Dit is het nieuwe leven dat wij gaan maken. Paul De Wispelaere had het over “een eiland worden”. Maar mijn vrienden en ik zouden geen eilanden worden, maar wel minderheden, we gingen ondergronds, werden “subterraneans” om een woord van Jack Kerouac te gebruiken.
Paul Rigaumont heeft het daarover in ‘Anekdota VIII’ als hij Aurora beschrijft als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p.81).
Natuurlijk waren we jong in 1965 en we wisten niet dat we in een traditie stapten: die van beatniks, van dada en sommige surrealisten, van prerafaëlieten als William Morris, van allerlei opstandige/utopische bewegingen in de middeleeuwen. Dat zouden we later vernemen, toen we al volop bezig waren ons te harden, toen we filosofie studeerden, toen we in gesprekken en teksten schrijvend vaststelden dat ons verlangen naar de wereld onverzadigbaar was.

In weerwil van de traditie – met haar akelige leuze ‘alles is voltooid’ – volhardden we met Ernst Bloch in het ‘principe van de hoop’ en wilden we iets van onszelf aan de wereld schenken. Omdat we kristallen waren geworden die moesten schitteren. John Lennon – alweer John Lennon – had het daarover in ‘Instant Karma’, een ingenieuze tegenspraak vol wanhopige vreugde (want hoe kan karma ‘instant’ zijn zoals koffie ?). We waren kristallen geworden die nooit af geraken. Het soort kristallen waarvoor André Breton een lofzang schrijft in ‘L’amour fou’:

(Ik parafraseer) Een kunstwerk heeft geen waarde als het niet die hardheid, regelmaat en schittering van een kristal bezit. Een hardheid die onverenigbaar is met het bewuste streven naar perfectie en naar formele schoonheid. Het kristal van het verlangen krijgt spontaan vorm.

Volharding is niet hetzelfde als verstarring. Het is jong blijven, met de zintuigen in de war, de chaos aanvaarden. Jong blijven zoals Simon Vinkenoog jong is gebleven. Niet op de valse manier van mode en reclame, maar op de manier van Gombrowicz, Picasso en Beckett. Zoals mijn vriend Paul Rigaumont, de dagboekschrijver van het verlangen, het verlangende lichaam, de verlangende tekst, ook al hebben zijn zinnen soms handschoenen aan.

In zijn woorden hoor ik de echo van een wereldverlangen. In zijn woorden hoor ik tederheid en woede, systematische vergissingen, zinvolle begoochelingen. Ik zijn woorden zie ik sporen van nachten vol donkere zon, gesprekken met duivels en demonen en met engelen die weliswaar met uitsterven zijn bedreigd. In zijn woorden vind ik vertrouwen in de minderheden die wij worden. Zijn woorden maken mij nieuwsgierig naar toekomstige ontluisteringen en taalgeschitter. Zij zetten mij aan om zelf weer woorden te gaan vinden om mij vanuit de stilte stotterend tot een publiek te richten, in liefde en tegenspraak.

‘Anekdota VIII’ is een universum dat direct uit het hart van Paul Rigaumont komt. Wat kun je meer van een schrijver verlangen?

flam vub.jpg

* Dit is de tekst van een redevoering gehouden in Antwerpen op vrijdag 16 mei 1997, naar aanleiding van Paul Rigaumonts ‘Anekdota VIII’.
Afbeeldingen: Paul Rigaumont; Thelonious Monk; William Burroughs & Jack Kerouac; Patti Smith; Gilles Deleuze; My Generation single; Leopold Flam circa 1972-73.

HERINNER JE JE BOBBY KEYS EN IAN MACLAGAN?

pop, popcultuur, rock, muziek, small faces, rolling stones, bobby keys, ian mclagan, dood, sixties, euforie, dansen, singles, jukebox, jazz bilzen, diepenbeek, vrienden, plezier, geluk, toekomst, vrijheid, kleren, kapsel, extase

Bobby Keys is overleden. De saxofonist roept bij mij onwillekeurig herinneringen op aan de mooie dagen in de Visélaan toen in onze woning daar de vrolijke en vettige klanken van ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile On Main Street’ de muziekkamer en eigenlijk het hele huis vulden. De opwinding die ik daar bij voelde. Het zijn feestelijke platen: ik genoot er het meest van als ik ze met vrienden kon delen, nuchter of liever nog onder invloed van wat hasjiesj.  Werd ‘Exile On Main Street’ toen niet door de muziekpers afgekraakt omdat de plaat zo rommelig klonk? Ik dacht van wel. Een onderdeel van die verrukkelijke rommeligheid vormde de unieke sound van Bobby Keys z’n sax. De anekdotes over the Rolling Stones on tour, inclusief de uitspattingen van de huurlingmuzikant, zijn genoegzaam bekend. Waarom slingeren rocksterren toch zo graag televisietoestellen door hotelramen? Of schieten ze erop, zoals Elvis Presley deed (en Bruce Springsteen droomde). Ik luisterde gisteren nog een keer naar ‘Whatever Gets You Through the Night’ van John Lennon, ook met de Texaanse saxofonist in een glansrol. Moge Bobby Keys in vrede rusten.

BobbyKeysandKeithRichards.jpg

Gisteravond laat, na de zoveelste aflevering van the Sopranos – ik leef nu op een dieet van schrijven en Sopranos – probeerde ik mijn smartphone aan de praat te krijgen. Mijn gsm was al enkele dagen stuk. Ik heb me dan maar zo’n toestel vol overbodige snufjes die het leven nog wat moeilijker maken aangeschaft. Een fototoestel op een telefoon, te gek jongen!

Het eerste wat ik op mijn smartphone las was een bericht over de dood van Ian McLagan. Een van de kleine grote helden uit mijn jeugd – samen met Steve Marriott, Ronnie Lane & Kenney Jones in the Small Faces. In de tweede helft van de sixties maakte die beatgroep van de meest opwindende singles die je op de radio en de jukebox kon horen. Op elk gebied waren ze pure stijl. Als ik in Maastricht naar de kapper ging had ik altijd een foto van deze groep bij als voorbeeld. Ook bij het kiezen van hemden, jasjes en broeken liet ik me door hun voorkomen inspireren. Echt mod was dat al niet meer, daar waren hun haren wat te lang voor. Er zaten ook al veelkleurige, psychedelische ingrediënten in, net zoals in hun songs.

Singles als ‘All Or Nothing’, ‘Here Comes the Nice’, ‘Itchycoo Park’ en ‘Tin Soldier’ voerden me tot aan de rand van extase en soms erover. Ik herinner me nog goed hoe uitbundig Guy Bleus en ik in Tongeren – in café de Paddock geloof ik – dansten op de wilde klanken van dat laatste nummer, een van de beste singles aller tijden. Het orgel en de piano van Ian McLagan maken er een popparel van – eigenlijk is zijn geïnspireerd spel er de ziel van. Ach, wat hield ik van the Small Faces. Ik zag ze twee keer live. Een keer (1), samen met mijn vriend Jan De Pooter, een even grote fan als ik, in het nergensland van Diepenbeek. Bij dat concert mocht ik een mooi flower power-meisje dat ik helemaal niet kende lang en warm kussen. Ik heb nooit geweten hoe ze heette. Of ben ik het vergeten? Wat ik me wel nog herinner zijn de flessen gin die we doorgaven aan iedereen die het maar wilde. Een tweede keer, misschien nog grootser, maar minder intiem, was op Jazz Bilzen (2). De mooiste dagen van ons leven, terwijl we daar toch zo vlug mogelijk aan wilden ontsnappen. De illusies die ‘vrijheid’ en ‘toekomst’ heten, schitterden als het chroom van oude Chevrolets in de midzomerzon. De mooiste dagen, weggerend als wilde paarden over de heuvels, om het eens met de woorden van Charles Bukowski te zeggen.

Ian McLagan is dood, maar onze honger naar de klank van zijn orgel en naar de swingende sound van the Small Faces is niet gestild.

“When you’re slipping into sleep, that’s the time to unwind
Sinking down into the deep, that’s the time of no time
When you’re slipping into sleep
All the sounds around you seem to have a new meaning
Leave your body behind you with a different feeling
When you’re slipping into sleep” (3).

 

(1) Op 11 mei 1968 in Diepenbeek.
(2) Op 24 augustus 1968 op Jazz Bilzen. Eerst the Small Faces, daarna een jamsession van leden van the Small Faces, Cuby + Blizzards, Alexis Korner en Chris Farlowe.
(3) Uit  ‘Up The Wooden Hills To Bedfordshire’ van Ian McLagan. Terug te vinden op ‘Small Faces’, verschenen in 1967 op Immediate.

HERINNERINGEN AAN KEVIN AYERS

Kevin Ayers is dood. Hoewel ik hem maar enkele keren heb ontmoet – het waren intense, onvergetelijke uren – beschouwde ik hem in mijn verbeelding als een ware vriend en in werkelijkheid als een lange afstandsvriend. ‘I have a friend I’ve never seen, he hides his head inside a dream’ zingt Neil Young in ‘Only Love Can Break Your Heart’. Het zou over Kevin Ayers kunnen gaan, en een klein beetje over mezelf.

Ik hield van zijn songs, zijn stem, zijn elegantie, zijn merkwaardige schoonheid, zijn speelsheid, zijn intelligentie. Toen ik hem ontmoette was ik nog naïef. Hij vertelde me waar the Soft Machine vandaan kwam. Van William Burroughs. Net zoals Steely Dan. Kevin Ayers vertelde me dat er logica in dromen zit. Kijk naar de bananen op zijn schaakbord (op de hoes van ‘Bananamour’).

Kevin Ayers was een muzikant met een ziel, geen showman. Dat zie je meteen op het livemateriaal dat er op YouTube voorhanden is.  Hij hield van Nico, beschouwde haar als een vrouw met talent en niet als een freak. Over haar heeft hij het mooie ‘Decadence’ geschreven. Op Ayers’ meesterwerk, ‘The Confessions Of Dr Dream And Other Stories’ uit 1974, zingt Nico mee (op ‘Irreversable Neural Damage’, een titel waar ik destijds weinig van begreep, geestelijk gezond als ik was). Op zijn platen liet hij zich begeleiden door voortreffelijke muzikanten zoals David Bedford, zijn oude vriend van the Soft Machine Robert Wyatt, de jonge Mike Oldfield, Steve Hillage, Ollie Halsall en Lol Coxhill. Niet voor niets heette zijn band ‘The Whole World’.

Syd Barrett, die hij wellicht nooit goed gekend heeft, zag hij als een ‘soulmate’ en een vriend. Voor hem zette hij het sprookjesachtige ‘Oh! Wot A Dream!’ op plaat. Een van mijn lievelingsnummers. Eens gehoord vergeet je het nooit en het is zeer geschikt als slaapliedje voor de kinderen.

Op een avond zaten we samen aan tafel. Kevin Ayers had meer aandacht voor de wijn dan voor het eten. Maar niet alleen voor de wijn. Tussen ons in stond een vaas met een warmrode roos erin; van een van haar bladeren viel een vochtdruppel in mijn glas . “Look”, zei hij, “the rose is crying in your wine”. Weinigen zien zoiets kleins, en als ze het zien zeggen ze het niet. Zeker mannen doen dat niet. Ik kende in die dagen niets van wijn. Hij vertelde me dat hij graag Gewurztraminer dronk. Daarna heb ik die vrij fruitige wijn nog jaren geregeld gedronken, tot ik me door bourbon en tequila heb laten verleiden, dranken die ik al lang weer heb afgezworen: nu is er opnieuw plaats voor wijn in mijn leven. En zeker ook voor Gewurztraminer.

Soms hoor ik Kevin Ayers in mijn dromen zingen. Why are you sleeping, zingt hij. Va pisser dans un violon, zingt hij. Stranger in blue suede shoes, zingt hij. Colores para Dolores, zing hij. Puis-je, vraag ik hem dan. En vervolgens word ik wakker, ontbijt, de zon schijnt, ik maak een lange wandeling, loop voorbij een café waar een mooie vrouw alleen aan een tafel thee zit te drinken. Zou ik haar durven vragen of ik dicht bij haar mag komen zitten? Nee dat durf ik niet, zeg ik tegen mijn spiegelbeeld.

Nog zoiets: mede dank zij Kevin Ayers ben ik nooit oud geworden. Hij was een van die kunstenaars die me hebben leren dromen, dagdromen, mijmeren… Kevin Ayers heeft me geholpen om van het leven een feest te maken, ook al krijg je soms alleen maar een naakte lunch.

Kevin Ayers is dood. Maar hij blijft mijn heel bijzondere gezel, tot het einde. Ik zal hem elke dag missen.

Ω

Op 25 juni 2006 schreef ik nog over Kevin Ayers in De roos van Kevin Ayers en op 27 juni 2006 in Gesprek met Christa Pfaffgen.

DE DOOD VAN ELIZABETH TAYLOR, VERGETEN

Elizabeth_Taylor_with_parents_at_Stork_Club_1947

Gisteravond aan tafel, vermoeid van ik weet niet wat, vroeg ik A. of Elizabeth Taylor al dood was. Richard Burton is dood, dat weet ik, zei ik. En van Michael Jackson weet ik het heel zeker. A. was er stellig van overtuigd dat Elizabeth Taylor niet meer onder ons was. Je hebt er zelfs een In Memoriam voor geschreven, zei ze. Natuurlijk was ik dat ook vergeten. En nu vind ik het hier terug. Vreemd, en een beetje beangstigend. Ook het feit dat ik “niet buitensporig lang” meer dacht te zullen leven, klinkt nu verontrustend.

Inmiddels zijn er wellicht al miljoenen mensen gestorven, waaronder enkele die me dierbaar waren, zoals eergisteren nog Bert Jansch. Voor hem heb ik geen In Memoriam geschreven. Dat doe ik niet meer. Ik moet me nu met de levenden bezighouden. Wel heb ik die dag veel muziek van Bert Jansch beluisterd. Hij was een begenadigd gitarist en songschrijver.

 

VAARWEL ELIZABETH TAYLOR

cof

Je gaat op zoek naar woorden, maar je vertrekt niet van het woord. Het woord is niet het begin. Het begin is overal om je heen, een cirkel zonder middelpunt. Drama’s, melodrama’s, het leven zoals het niet is, muziek, het gewieg en gerommel en gedreun van de aarde. De vertrouwde en onafwendbare wreedheid van wat we de natuur noemen. Een vrouw die je passeert op straat. Lentejurk. Ze lijkt op niemand anders. Ze lijkt alleen maar op een personage in een gedicht van Baudelaire.

Elizabeth Taylor is dood. Samen met haar is een deel van mezelf gestorven. Zonder haar reflectie zou ik nooit de man zijn die ik nu ben. Ik was nooit verliefd op Elizabeth Taylor, maar ik hield van haar. Zij was een grote kunstenares en ik ben er tevens van overtuigd dat zij een groot hart had. Denk maar aan haar vriendschappen met Montgomery Clift, Richard Burton en Michael Jackson. En met zovele anderen die we niet eens kennen. Denk maar aan haar inzet voor AIDS-onderzoek, waarvoor ze vaak felle tegenkanting kreeg van rechts en extreem-rechts in de Verenigde Staten. Aids is voor die mensen immers een straf van de Rechtvaarige God.

Zolang ik leef – niet buitensporig lang – zal Elizabeth Taylor als een van mijn goede geesten mij op de voet volgen. En ik weet dat ze af en toe een troostende hand op mijn schouder zal leggen, en zeggen, trek het je allemaal niet zo aan, Martin, het leven is niet meer dan wat het is maar zeker ook niet minder.

Elizabeth Taylor heeft mij (en ons allemaal) grote stukken van haar leven gegeven: Cleopatra, Giant, Cat On A Hot Tin Roof, Suddenly Last Summer, Who’s Afraid Of Virginia Woolf, Reflections In A Golden Eye, Boom, Secret Ceremony, A Place In The Sun en National Velvet.

Ik lees nu dat Elizabeth Taylor acht keer getrouwd is geweest en 157 cm groot was. Vergeet die onzin. Denk terug aan haar oogopslag in Reflections In A Golden Eye, haar sensualiteit in Cleopatra, haar verhevigde uitstraling samen met James Dean in Giant, haar prachtig overdreven realisme in Who’s Afraid Of Virginia Woolf (een rol waarmee ze honderden jongere actrices de weg heeft gewezen, ook Belgische).

Denk je dat ik een in memoriam kan schrijven voor iemand zoveel groter dan onze kleine levens? Ik denk het niet. Maar ik wilde toch iets van me laten horen. “Words don’t express my meaning…” Mijn vrienden en ik hebben je bewonderd, Elizabeth Taylor. We hebben vaak in je bed geslapen, niet als je minnaars of minaressen, maar als je vrienden, je broers, je zussen.

 

ARI UP IS DOOD / ARI UP LEEFT

2018-05-01-slits 002 (2)

Ari Up is dood. Ari Up van the Slits. Maar ik zou niet meer over de dood schrijven, herinner je je nog? Toch onlangs, in Portugal, nog wat woorden bijeengesprokkeld naar aanleiding van de dood van Solomon Burke. Een paragraaf maar – een schande voor een legende als Solomon Burke. Maar meer kon niet. Mijn vingers deden pijn, mijn hoofd wilde niet dansen, of net wel: na al dat sterven wilde mijn hoofd, wilde heel mijn lijf dansen.

Maar nu Ari Up. Een vrouw waar ik, het zal niet verbazen, naar opkeek. Ik bewonderde the Slits, zozeer zelfs dat ik destijds, in het voorjaar van 1980, geld leende van een vriend die al lang dood is om van Antwerpen naar Brussel te reizen om er in Plan K een optreden van de rebelse meisjesgroep bij te wonen. Ik herinner me dat het koud was en dat ik niet echt hield van de andere band die optrad, The Pop Group. Maar the Slits maakten me gek. Ari Up kon je moeilijk een schoonheid noemen, net zomin als Viv Albertine, Palmolive en Tessa Pollitt. Maar ze was sexy, uitbundig, en polymorf pervers. Hun elpee ‘Cut’, een productie van Dennis Bovell uit 1979, was een meesterwerk van blanke reggae en ‘punk’. In mijn toenmalige vriendenkring kon iedereen ‘Typical Girls’ meezingen, zowel de jongens als de meisjes. The Slits waren de girl group van de jaren ‘70-’80, maar meer controversieel er en rebels dan hun ‘voorbeelden’ uit de ‘sixties. Overigens ging het niet zozeer om de boodschap (onder meer ‘shoplifting’), maar om het ritme en de dans. Het was heerlijk om te dansen op de sound van the Slits.

De dood van Ari Up wekt veel fijne herinneringen bij me op. In de eerste plaats Cinderella’s Ballroom, en deejay Maryse. Enkele songs van the Slits, zoals ‘Typical Girls’ en ‘Newtown’ vormden een perfecte overgang naar de blok reggae die ze elke keer weer draaide. In de beste periode – 1977 tot 1982 – van de Cinderella danste je daar een hele nacht op de allerbeste muziek, punk, new wave, rock ‘n’roll, soul, ska, reggae, pop. Dank zij Maryse en de muziek die ze draaide heb ik me verzoend met mijn lichaam. Dat de jongens er in die periode ‘anders’ mochten uitzien, ik denk nu aan Tom Verlaine, Elvis Costello, Ian Dury, David Byrne, speelde ongetwijfeld ook een rol in die zelfaanvaarding. Niemand bekeek je boos of fronsend als je tegen het ritme in danste.

Punk, new wave en reggae speelden in die periode een belangrijke rol in mijn leven. En samen met die voor mij revolutionaire popmuziekgenres waren er zoveel andere gebeurtenissen die het leven in die dagen verrassend maakten. In het café het Pannenhuis kwamen kunstenaars en dichters bijeen om te praten, gedichten te schrijven, muziek te beluisteren en te spelen. Ik herinner me Toulouse en Greta, waard en waardin. Veel van de klanten stonden bij hen in het krijt. Onder meer mijn toenmalige vriend Guillaume Bijl. Nochtans was hij een van weinigen van ons die een job had, net als zijn lieftallige vriendin Renée (ook al jaren geleden uit het leven gestapt). De bezoekers van cafés als Pannenhuis en clubs als Cinderella’s Ballroom leken op personages die je aantreft op de foto’s van Nan Goldin, pas veel later beroemd geworden, en Robert Mapplethorpe. Goddeloze heiligen, geheel ongeschikt voor een fatsoenlijke rol in de maatschappij, tegendraads, mislukt van bij de geboorte, losers… Ik stel me Ari Up nu voor als net zo iemand. Wij waren in die dagen allemaal Ari Ups en Joe Strummers. De wat ouderen onder ons waren tevens Trashmen. Ken je ‘Surfin’ Bird’? Dan ben je een oudere onder ons. Paul R. zal het zeker kennen – maar hij is nog bijzonder jong. Het is allemaal relatief. Een tiental dagen geleden, in Tavira of Lagos, dacht ik er al aan om hierover te schrijven. De dood van Ari Up is niet iets waar ik gebruik van maak. De ruwe notities waren er al. Ik zou een lange tekst schrijven over de periode 1977-1982, een fragment uit mijn leven waar ik nauwelijks foto’s van bezit. Ik had geen fototoestel. Twee of drie keer heb ik dat van mijn broer, die in het verre Limburg woonde, mogen gebruiken. Maar die dure reflexcamera – die hij later geruild heeft voor enkele Duvels – durfde ik niet mee te nemen tijdens mijn nachtelijk escapades. Performances in de Montevideo, liefdevol georganiseerd door Annie Gentils en medewerkers.

Guy Rombauts’ bizarre alfabet, Waut Vercammens Belgische schande, Guillaume Bijls inbeslagnemingen, Ria Pacquées ondermijning van het gezag, AMVK en DDV perverse filosofieën. Brigitte VKB voor blote voeten gevaarlijke appartement. Waar is Brigitte nu?  De Musical Snack Attack, een reggae snack waar je onvindbare reggaeplaten kon kopen. Jacques Chapon, Nathalie, Sofie. Zoveel namen. Alternatieve modeshows, lang voor de Antwerpse zes en zeven. Joy Divison. ‘Typical Girls are emotional’. Lover’s Rock. Dennis Bovell. Dansen op de tafels van de Gnoe. Onder invloed van tequila en speed op een dik konijn jagen op de Scheldeoever, in de buurt van waar nu Radio Centraal is. In de vroege ochtend, een prachtige zonsopgang, maar geen konijn. Waren we trouwens geen vegetariërs? Robert, Antonio; andere vrienden en kennissen wier namen ik me niet meer herinner. En daarna speed, heroïne, Aids, paranoia. Nog later Zwarte Zondag. En nu Ari Up.

Ik drink witte wijn en beluister voor de derde keer ‘Cut’ van the Slits. Een wonderlijke plaat. Een unieke plaat. Een onuitwisbare nalatenschap.

 

 

 

SOLOMON BURKE: IF YOU NEED ME

Op acht oktober 2006 schreef ik dit:

“Het is zondag, twaalf uur, de zon schijnt door de ramen van mijn werkkamer. Zou ik ze open gooien? Ja, dat ga ik doen.
Mijn jukebox draait ‘Nashville’ de nieuwe cd van de oude Solomon Burke. Zoals de titel aangeeft is het countrymuziek. Niets nieuws voor de man die ongeveer vijftig jaar geleden al ‘He’ll Have To Go’ opnam, en vele andere countryklassiekers. Het verschil met zijn vroegere grammofoonplaten is dat hier – zeer geslaagde – duetten op staan met Dolly Parton, Gillian Welch, Emmylou Harris en Patty Griffin. Solomon Burkes diepe soulstem, vol nuance en emotie weet me opnieuw te bekoren. De songs werden opgenomen bij Buddy Miller thuis. Het is muziek van en voor de werkende mens, korte verhalen die iedereen kan begrijpen.”

Wat kan ik daar nog aan toevoegen, nu Solomon Burke dood is? Hij was een van mijn uitverkoren soulzangers. Ik heb hem dank zij ‘If You Need Me’ van The Rolling Stones leren kennen. Zinderende country en soul. Een keer heb ik hem zien optreden, toen hij al op zijn troon zat, vanwege zwaarlijvigheid. Het was een opwindend concert en iedereen om me heen, ook tieners, zongen mee, Everybody Needs Somebody To Love, and I need you, you, you. Toch werd zijn concert afgekraakt in een kwaliteitskrant, ik weet niet meer welke, het vaderland heeft er zoveel, en zijn bewonderaar, Tony Joe White, die na hem optrad en nog wel op een erg vervelende en ongeïnspireerde manier, werd opgehemeld. Typisch!

Dat zal mijn pret niet bederven als ik nog eens een plaatje van Solomon Burke opleg, en het zal er mijn verdriet ook niet minder om maken. Rust in vrede, goede man. En ik zal het nooit vergeten: if you need me, why don’t you call me.

THE PARASITES WILL LOVE YOU WHEN YOU’RE DEAD: VOOR MARK LINKOUS


darknight 001

Toen gisteren voor mij de dag begon, wat later dan anders, was ik nog opgewekt van een fijne zaterdagavond in Antwerpen, met vrienden – en de muziek van zéro de conduite zinderde nog na in mijn hoofd, meest van al nog Elvis Costello’s ‘Man Out Of Time’.  Ik maakte wat grapjes op facebook, en stelde de vraag of een tomaat een groente is of iets anders. En dan las ik het nieuws dat Mark Linkous zich kort tevoren van het leven had beroofd. De tintelende lichtheid, nog aangewakkerd door een stralende zon, was meteen weg. Je kent het gevoel. Iemand die je hebt bewonderd, een authentiek songschrijver, een bezield kunstenaar, een begenadigd dichter met woorden en geluiden, is er opeens niet meer. Een verlamming maakt zich van je meester. Pas een uur later heb ik ‘It’s A Wonderful Life’ durven opleggen, een van de mooiste platen van Sparklehorse, een uur vol stille verwondering en ontzag voor de wereld en liefde voor de kleine dingen. Maar ik heb niet lang geluisterd. Het ging niet. Ik kon niet. De betoverde wereld was opeens een tranendal geworden, en Mark Linkous bracht er verslag van uit, zoals ooit Dante van de Hel.
Wat ik daarna gedaan heb is de mooiste clips die ik op YouTube kon vinden op Facebook geplaatst. Een rouwbetoon van deze tijd. En ik kon me laten gaan, ik had niet veel woorden nodig. Maar naarmate de dag vorderde vond ik alsmaar meer dat ik iets moest ZEGGEN. Ik had me wel voorgenomen om nooit meer een in memoriam te schrijven. Laat dit dan ook geen in memoriam zijn. Lees dat maar in de walgelijke kranten en tijdschriften, waarin alleen nog sensatie telt.

Dit hier zijn de enige woorden die ik kan vinden, een dag later, op een maandagochtend, terwijl het buiten vriest. Mark Linkous heeft niet voor niets geleefd. Hij heeft een klein oeuvre gecreëerd, dat op veel mensen diepe indruk heeft gemaakt. Sparklehorse was een van de beste, meest originele bands van de voorbije twintig jaar. Mark Linkous heeft niet één overbodige song geschreven. Als hij er niet was geweest zou ik een andere mens zijn. De muziek van Mark Linkous zal over honderd jaar nog worden beluisterd.

Ω

“The parasites will love you when you’re dead’ is een regel uit ‘Weird Sisters’, een song op de eerste plaat van Sparklehorse, ‘Vivadixiesubmarinetransmissionplot’ uit 1995.

Afbeelding: kopie van cd-hoes ‘Danger Mouse and Sparklehorse present Dark Night Of The Soul’

 

 

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

 

herman
Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het ‘oude’ Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!