LAURIERROOS

ApolloAndDaphne.JPG
Apollo en Daphne, Bernini

Je stak de straat over net nadat de arbeiders van de vuilnisdienst hun werk hadden gedaan. De riempjes van je schoenen glinsterden nog, zoals de sterren op het water van de Schelde, toen  je mijn droom binnenstapte. Je onthulde mij het geheim van de laurierroos, een giftige bloem die ik je onnadenkend had geschonken, omdat ik ze in verband had gebracht met Laurier. Voortaan noem ik je niet langer Laurier, ook niet in mijn dromen (hoewel ik dat laatste niet kan beloven).

Als mijn geheugen me niet in de steek laat, en terwijl ik deze woorden neerschrijf gaan mijn gedachten onwillekeurig naar Arthur Rimbaud en Bob Dylan, twee boezemvrienden, dan stapte ik enkele dagen later een houten huis binnen. Vierentwintig kamers waren er eerst, maar geleidelijk aan ontdekte ik er meer. Een van de kamers was een heel bijzondere bibliotheek: in de rekken stonden bloemen, planten, groenten. Een gids noemde hun namen, vertelde over hun eigenschappen, hun geur en smaak, hun geneeskundige krachten, en in sommige gevallen ook hun giftigheid. Want veel van wat wij mooi vinden en lekker is giftig, soms dodelijk. Je weet maar al te goed dat de Blauwe Bloem Novalis een jonge dood schonk. Maar over jong gestorven dichters en muzikanten had de gids het niet. Hij was iemand die ‘ja’ zegt tegen het leven – en uit alles wat hij vertelde bleek dat hij net als ik wist dat je er maar een hebt. Hendrik Marsman schreef het al zo overtuigend in zijn gedicht ‘Lex Barbarorum’: “ik erken maar een wet: / leven.”

Ik nam afscheid van de vriendelijke gids en ging de andere kamers verkennen. Ze waren even geheimzinnig, aantrekkelijk, geurig als de bloemen. En in hun kleuren, vormen en afmetingen verschilden ze heel sterk, net zoals bloemen en planten dat doen, denk aan een myosotis en een zonnebloem. In sommige kamers dansten vrouwen, mannen, kinderen, in andere werd er gegeten en gedronken, in weer andere werd aan action painting gedaan. In een ruime, lichte kamer, met azulejos betegeld, zag ik je baden in een bad dat op een schelp leek, het schuim op dat van de zee toen Venus werd geboren. Elders werden aan kinderen met blauwe mutsen op sprookjes verteld. In een grote ruimte zaten mannen en vrouwen in lange gewaden naar klassieke Indische muziek te luisteren. Ik herkende sommige melancholische melodieën.

Je stond nog nat van het baden in stralend licht en zei: “ik erken maar een wet, en dat is leven”.  Ik dacht aan Hiroshima, aan de vreselijke dingen van vandaag, maar desondanks kon ik je geen ongelijk geven. Desondanks sprak ik als antwoord ongeveer dezelfde woorden uit: ”leven, dat is de enige wet die ik erken.” Zoals je daar stond in dat stralende licht, als een warm geworden boodschapster van de vreugde, kon ik je alleen nog maar omhelzen. Een engel omhels je niet, tenzij in een droom.

 Inmiddels was het donker geworden en het weer tropisch. Je gaf me een vlinderachtige kus en verliet het huis. Ik keek door het raam. Beneden stond een koor bestaande uit Noordzeevissers te zingen. La Paloma, zongen ze, een lied dat iedereen kent. Je was naakt, vanwege de hitte. Niemand raakte je aan, je stralend lichaam. Niemand raakt een engel aan. Een engel verzengt. Ik sloot de ramen, vanwege de muggen, en sloeg mijn boek open en las je verhaal.

 

 

ZERO DE CONDUITE: A HOUSE IS NOT A HOME

house

Zelfs extreme hitte stopt de tijd niet, hoezeer je ook hoopt van wel. Hetzelfde refrein dan maar: het is de eerste zaterdag van de maand: dat betekent tussen zes en acht straks Zéro de conduite op Radio Centraal, 106.7 FM. Het motto is ‘A House Is Not A Home’, de titel van een song van Burt Bacharach en Hal David, vooral gekend in de versie van Dionne Warwick. Als thema kozen we inderdaad voor thuis, en dat helemaal niet geïnspireerd door de in Vlaanderen populaire televisiesoap. Het gaat om een thuis in alle mogelijke betekenissen van het woord. Je kunt bijvoorbeeld ergens wonen maar dat betekent nog niet dat je er thuis bent. Je kunt heimwee hebben naar huis, in dat geval is een heel dorp, een hele stad en zelfs een heel land je thuis (het Engelse woord ‘homesick’ is wat dat betreft veel duidelijker). Veel populaire songs gaan over de droefheid en de ongemakken van niet thuis te zijn, of helemaal geen thuis te hebben. Dat houdt zeker verband met de religieuze achtergrond van veel popmuziek (denk aan de gospel This World Is Not My Home), maar ook met het heel vaak onderweg zijn van popmusici. Bovendien is het een gevoel dat veel mensen aanspreekt: de meeste schrijvers van popsongs willen uiteraard ook succes. Met zéro de conduite willen wij ook succes, zij het vooral bij degenen die Stendhal de ‘happy few’ noemde. Dat klinkt misschien pretentieus, maar is net het omgekeerde. Enige zin voor ironie was Stendhal niet vreemd. Overigens zullen er maar zeer weinigen met een gelukkig gevoel aan de radio gekluisterd hangen. De meeste mensen kiezen nu voor een van de volgende vier dingen: zitten vloeken en bakken in een auto op weg naar de zon, zitten bakken op een festivalweide, het WK voetbal of de Ronde van Frankrijk. Alles behalve home sweet home!

Toch veel luistergenot.

Je kunt Radio Centraal live beluisteren op 106.7 FM of online via deze weg.

The Grand Tour – George Jones – Columbia Country Classics Vol. 4
I Take It On Home – Charlie Rich – Columbia Country Classics Vol. 4
Go Home – Merle Haggard – Down Every Road 1962-1994
Sing Me Back Home – The Everly Brothers – Roots
Home Sweet Home – Don Reno & Red Smiley – The Talk Of The Town
The Old Home – The Stanley Brothers – The Complete Columbia Stanley Brothers
Homesick – Marty Stuart & His Fabulous Superlatives – Live At The Ryman
Sister’s Coming Home – Emmylou Harris – Blue Kentucky Girl
Don’t It Make You Want To Go Home – Joe South – Retrospect
Stranger In My Home Own Town – Elvis Presley – From Elvis In Memphis
Home In Your Heart – Solomon Burke – The Best Of Solomon Burke
I Rule My House – Chuck Willis – Okeh Rhythm & Blues Story
I Feel Like Going Home – Muddy Waters – They Call Me Muddy Waters
Ain’t Nobody Home – Howard Tate – Get It While You Can
(I Feel Like) Breaking Up Somebody’s Home – Ann Peebles – It Came From  Memphis
Hello Walls – Willie Nelson – Legend: The Best Of Willie Nelson
A House Is Not A Home – Dionne Warwick – Make Way For Dionne Warwick
A House Is Not A Motel – Love – Forever Changes
Ballad Of Frankie Lee And Judas Priest – Bob Dylan – John Wesley Harding
Homeward Bound – Simon & Garfunkel – Tales From New York
Cheryl’s Going Home – Bob Lind – Hearing Is Believing: The Jack Nitzsche Story 1962-1979
I Can Never Go Home Anymore – The Shangri-Las – Myrmidons Of Melodrama
Please Go Home – The Rolling Stones – Between The Buttons
On The Way Home Again (Alternate mix) – Buffalo Springfield – Box Set
My Old Kentucky Home – Ry Cooder – Ry Cooder
Hello In There – John Prine – John Prine
Homemade Songs – Bobby Charles – Bobby Charles
Rockin’ Chair – The Band – The Band II
Two Of Us – The Beatles – Let It Be
Hi, Hello, Home – Grin – The Best Of Grin
In Every Dream Home A Heartache – Roxy Music – For Your Pleasure
All The Way Home – Bruce Springsteen – Devils & Dust
Carry Home – The Gun Club – Miami
House Where Nobody Lives – Tom Waits – Mule Variations
Home I’ll Never Be – The Low Anthem – Oh My God, Charlie Darwin

 

Samenstelling: Martin Pulaski
Presentatie en techniek: Sofie Sap & Martin Pulaski

 

ARBEIDERS

arbeiders

Laura en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd.”

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

arbeiders2

Foto’s: Martin Pulaski, juni 2008.