OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden.

Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.

VEEL ECHTER MOET BLIJVEN

rijp zijn
in vuur ondergedompeld
gekookt zijn de vruchten
en ook is de aarde beproefd

een Wet waarin alles past
en elk ding weegt op de hand
ook op de heuvels de vlammen
donker blaffende honden
in overstelpende zomer

ook slangen leven van de hemel
van de aarde de vogels

veel moet blijven
een last op de schouders
en een juk verbrand
as in de aarde

vele wegen zijn wild
hoe zouden zij ergens heen kunnen leiden
hun vuurstenen en chaotische sporen
materia prima

helder afgetekend
in de vlakte waarboven het blauw immens
en moeder aardes groene wenkbrauw

op de veldwegen worden wilde paarden getemd
en de tamme wild-
gapend geleid naar het slachthuis

maar altijd in het ongebondene
gaat een begeerte

veel echter moet blijven
moet passen in het ene-al
ook op een feestdag
als niemand toekijkt

voorwaarts wagen wij ons
omkijken durven we niet

ons
wiegen laten we
als in wankel evenwicht
een kano op het water

en de tijd die alles

[Een halssnoer van hölderlinwoorden. Voor wie het past. Enige nieuwe namaakparels erin verwerkt].