BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

Met Amsterdamse vrienden, Vossenplein, Brussel, 1971


[Nachten aan de Kant 33. Mei-juni 1979]

Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein

Hoe lang is het geleden dat ik je nog schreef? Meerdere maanden? Daar is maar één verklaring voor: ik kan het niet meer. Mogelijk wil ik het zelfs niet meer. Waarover zou ik wel schrijven? Er is een soort onverschilligheid en zelfs apathie – als het al geen lethargie is – in mijn ziel naar binnengeslopen. Weinig in de wereld boeit me nog werkelijk, weinig van wat om me heen gebeurt weet mijn enthousiasme te wekken. Nog niet zo lang geleden schreef ik brieven in buien van euforie en wat ik vervoering zou durven te noemen. Muziek was dan een belangrijk element om dat enthousiasme aan te zwengelen. Het ritme van wat eerder bedoeld was als achtergrondmuziek bepaalde het ritme van mijn woorden, melodieën kregen contouren en stemmen kleur, en vonden zo de weg naar de zinnen die op het papier verschenen en gingen er deel van uitmaken.

Toch waren mijn epistels niet bepaald verheven. Ik schreef over alledaagse dingen, over wat er in ons huis en in de wereld gebeurde. Mijn leven had zin omdat ik wist dat ik deel was van een groter geheel. Lange tijd voelde ik mij sterk betrokken bij wat tegencultuur werd genoemd. Je herinnert je zeker nog hoe ik dat boek The Making of a Counter Culture van Theodore Roszak heb verslonden? Nu vind ik het moeilijk om de emoties die met dergelijke verwantschap en betrokkenheid gepaard gaan te beschrijven. Een voorbeeld: kwamen studenten in de Verenigde Staten op straat tegen onrecht, zoals naar aanleiding van de brutale moord door de National Guard op een aantal studenten aan de universiteit van Ohio, dan voelde ik mij met hen verbonden. Hun strijd was mijn strijd. De emoties die zich bij hen roerden, roerden zich bij mij ook, of dat vermoedde ik toch.

Nu is dat gevoel van verbondenheid er niet langer: een tegencultuur lijkt niet meer te bestaan, bij een politieke partij, hoe links ook, kan en wil ik me niet aansluiten, terrorisme keur ik af, punk en new wave vind ik oppervlakkig en modieus. Wat er nog aan opstandigheid overblijft lijkt me onecht, niet veel meer dan gestes en poses. Kijk maar eens naar de aansteller Johnny Rotten. Het vuur van de bezetenheid ontbreekt. Waar zijn de enragés? De punks zijn sympathiek maar omdat zij de cultuur in haar geheel lijken te verwerpen kan er van een ware verstandhouding tussen ons geen sprake zijn. Ik heb de indruk dat punks liever spuwen op boeken dan ze te lezen, al zullen er uitzonderingen zijn. Zij begrijpen mij niet en waarschijnlijk begrijp ik hen niet. Als punk al een beweging is dan is ze er een van onbezonnen anarchisten en nihilisten. Van punks hoef ik geen antwoord te verwachten op mijn vraag naar een nieuwe gemeenschap waar ik, zonder mijn eigenheid op te geven, deel van zou kunnen worden. Ik vermoed dat ik zal moeten leren leven met de geestelijke eenzaamheid die nu mijn lot is. Begrijp me niet verkeerd: ik heb heel wat vrienden die me veel geven en die veel voor me betekenen. Een groepje vrienden en genossen – om het woord van Hölderlin te gebruiken – vormt echter geen gemeenschap. [1]

Lieve vriendin, het spijt me dat dit allemaal weinig opbeurend klinkt. Ook al kan ik geen brieven meer schrijven zoek ik toch nog naar andere vormen van communicatie. Voorlopig zonder resultaat. Mijn literaire teksten zijn te ingewikkeld en te idiosyncratisch om ermee tot de andere – ook tot jou – door te dringen, om hem of haar deelachtig te maken aan mijn innerlijke wereld. Mijn vriend Giuseppe zegt al langer dat ik me wat dat betreft in een doodlopend straatje bevind, dat ik eenvoudiger moet gaan schrijven en bij misdaadauteurs zoals Raymond Chandler, Dashiell Hammett en Patricia Highsmith in de leer gaan. Ik weet het niet. Zeker wil ik uit deze toestand van apathie geraken. Ik wil koste wat het kost vermijden dat ik vast kom te zitten. Werken, schrijven dus, betekent samen met liefde en seks voor mij alles. Nee, dat is niet helemaal waar want ik verlang natuurlijk ook naar die andere, voorlopig onbereikbare gemeenschap. Ik wil me blijven verzetten tegen elke vorm van conformisme. Het grootste gevaar dat me bedreigt is berusting in een onleefbare toestand, die waarin het vonkje van de geest voor goed is uitgedoofd. Dat mag niet gebeuren. Het werk bij de filosofische kring Aurora kan me op weg helpen, maar ook daar zijn we geïsoleerd. Filosofen, schrijvers en kunstenaars in een stad van leeghoofden, dichters in een contrei van dronkaards.

Nietzsche in De vrolijke wetenschap: “Ik doe telkens weer dezelfde ervaring op, en ik verzet er me telkens opnieuw tegen, ik wil het niet geloven hoewel de bewijzen voor het grijpen liggen: het overgrote merendeel der mensen heeft geen intellectueel geweten; ik heb zelfs vaak de indruk gehad dat wie iets dergelijks zou willen eisen in de dichtsbevolkte stad zo eenzaam zou zijn als in de woestijn.”

Het ga je goed!

PS: Herinner je je Luc V. en Hilde nog? Vandaag trouwen ze. We gaan naar het feest en het zal nog maar eens een lange nacht worden. Vreugde in het hart en veel dode hersencellen.

[1]
Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
Friedrich Höldelin, Brot und Wein

EEN ANDER DAGLICHT

Grand Canyon, Arizona, september 1993

Uit nieuwsgierigheid en verlangen naar verte vertrek je naar een ander land. Weken later, bij de terugkeer in je vertrouwde woning, besef je dat je nieuwe ruimte, nieuwe landschappen hebt meegebracht. Je gaat wat het eigene wordt genoemd in een ander daglicht zien. De eerste dagen lijkt dat vertrouwde mogelijk kleiner, bijna nietig, maar al gauw zie je dat wat je doet en wat je omringt rijker is geworden, meer van een nieuwe geest doordrongen. Je moet er zorg voor dragen dat die geest niet vervliegt. Hij is veel meer waard dan een parfum.
Dat is geen geheel nieuwe gedachte. Ze komt in een andere vorm al in gedichten van Hölderlin voor.

STEMMINGSWISSELINGEN

zulawski isabelle adjani.jpg

Het is koud en zonnig en ik ben eens te meer moe. Naarmate de dag vordert neemt de vermoeidheid toe en ga ik me koortsig voelen. Als zo vaak maak ik me zorgen over mijn gezondheid. Dat doe ik al ongeveer mijn hele leven lang, maar het wordt erger. Wat me hoegenaamd niet verbaast.

Emmanuelle Béart werkt aan de chansons van haar vader, Guy Béart. Ze is ‘on the road’, waarom weet ik niet, en legt zich bij dat lot neer.

A. en ik maken uitvoerig plannen om naar de cinema te gaan, maar zullen we het ook doen? Het kost mij hoe langer hoe meer moeite om de deur uit te gaan, niet vanwege de kou, veeleer vanwege de boeken, de muziek en de stilte. De voorkeur geven aan een soort van ‘heilige’ ruimte, terwijl daar buiten alles ten onder gaat.

Andrzej Zulawski is dood. Ik herinner me twee grandioze, pathetische, ronduit romantische films van hem: ‘Possession’, met een zichzelf overtreffende Isabelle Adjani, extreem intens, en ‘L’important c’est d’aimer’ met een hartverscheurende Romy Schneider en in nevenrollen Jacques Dutronc en Klaus Kinski. ‘La Femme Publique’ zag ik ook, lang geleden: ik herinner me banaliteiten, een mislukking. Valérie Kapriski, aantrekkelijk en voluptueus maar talentloos. Ik ga nog een keer op zoek naar foto’s van de bezeten Isabelle Adjani. Veel blauw en de rode kreet van haar bloed, het wit van de melk. Haar copulatie met een monster. Wat is dat monster? Het kwaad, de hele wereld die ons op de hielen zit? Beter ermee te copuleren dan ervoor op de vlucht te gaan? Ik zou de film opnieuw moeten zien. Vaarwel Andrzej Zulawski.

muntzer.jpg

Ik lees W.G. Sebalds ‘Naar de natuur’, werkelijk een hoogtepunt van schrijfkunst, met niets of niemand vergelijkbaar, maar op dezelfde hoogte als Kleist, Hölderlin en Rimbaud. Ik voel geen behoefte om werken van Grünewald, die in het eerste deel van het drieluik opduikt, te gaan opzoeken: Sebald heeft er woorden van gemaakt, zinnen, Grünewald komt in zijn taal tot leven. Hetzelfde voor ‘bijrollen’ als Thomas Müntzer (hoewel ik over hem weer wil gaan lezen). Het tweede deel, ‘Ik ging wonen aan het uiterste der zee’, neemt Sebald je mee op een helse reis naar de Beringzee. Onderweg vang je glimpen op van ongeveer de hele menselijke geschiedenis, van de korte en tragische aanwezigheid van de mens op deze planeet. Alles bij Sebald is catastrofaal, maar zijn tovenaarskunst biedt, net zoals de gedichten van Hölderlin, een uitweg. In het derde deel, ‘De duist’re nacht vaart uit’, is Hölderlin écht aanwezig. “En als klimop, schreef Hölderlin, / hangt takloos de regen omlaag.” Een van de mooiste en griezeligste vergelijkingen die ik ooit las is deze: “vliegtuigen, de grijze broeders van de oertijd”.
Sebalds meesterwerk, ‘Austerlitz’, is waarschijnlijk een emanatie van de passage die met deze twee zinnen begint, “Meneer Deutsch, / uit Kufstein afkomstig, / was in achtendertig als kind / naar Engeland gekomen. / Veel kon hij zich niet meer / herinneren; sommige dingen kon hij / niet meer vergeten.”

Zo is mijn dag toch niet helemaal leeg en nutteloos geweest, in weerwil van vermoeidheid, angst en kleine rouw.

Afbeeldingen: Isabelle Adjani in ‘Possession’; Thomas Müntzer.

STILTE VOOR DE STORM

IMG_1284.JPG

Stilte. Tijdens elke periode van stilte, van zwijgen in mijn leven, denk ik onwillekeurig aan Hölderlin. Aan zíjn lange tijd van zwijgen, aan de toren in Tübingen, aan zijn kamer daar en het uitzicht op de Neckar. De kamer die ik ooit als een soort van bedevaarder bezocht, liftend via Keulen en Stuttgart. Duitse automobilisten met afgrijzen naar me kijkend vanuit hun Mercedes of BMW, alsof ik een lid was van de Baader-Meinhof-Groep. Misschien begrijpelijk want het was kort na de Duitse Herfst. In het tijdschrift Aurora had ik teksten geschreven met verwijzingen naar de ellendige Heinrich Von Kleist en naar zijn zuster Ulrike. Misschien had de geheime dienst haar naam met die van Ulrike Meinhof verward? Onwillekeurig ook denk ik aan de onderdanige brieven aan zijn moeder: uw gehoorzaamste zoon, Hölderlin. Verzeihen Sie, liebste Mutter! Wenn ich mich Ihnen nicht für sie verständlich machen können.

Altijd denk ik als ik niet spreken kan aan hem. Niet aan Rimbaud, niet aan Nietzsche, niet aan Virginia Woolf, niet aan Gérard de Nerval. Waarom heb ik me zo aan hem gehecht? Ik weet het echt niet. Maar ik ben er wel dankbaar voor. Want ik denk liever aan hem dan aan de stilte zelf en aan de dood, waar zij zo op lijkt. En dankbaar ben ik ook de hemel, de wolken, die ik vanuit mijn kamer zie. Soms hangen ze stil, alsof ze slapen, maar even later komen ze weer in beweging. Op dit ogenblik hangt er sneeuw in de lucht en morgen woedt er misschien een storm, die met de hoeden aan de haal gaat en zelfs de wilgen en berken uit de grond rukt.

THUISKOMST*

kanaal1

Voor mijn verwanten.

Ik keer naar huis terug. De onweersvogel roept de dag wakker. Uit de Alpen komt hij gevlogen en van verder, van Azië misschien. De morgen was altijd een feest als ik aan thuis dacht. Waarom dan naar verre streken gereisd, op zoek naar mensen die me niet kenden?

Herinner je hoe het dorp aan de rivier ontwaakte. De Maas was heilig als er mist uit opsteeg en rondom het gekraai van de haan, de gehoorzame kippen en daarna ontwaken de volwassenen en kinderen met nog de doornen en vleugels van de slaap in hun hoofd. Maar nu begeven zij zich naar werkplaats en school. Een hele dag zwoegen en leren over de steden van de wereld en de stromen en wat er in de grond zit.

In de winter dikke lagen sneeuw die alles verstommen. Niemand durft nog te liegen in dat landschap. Waarom weet niemand. Want een God die allen begroet, ons vreugde geeft en genot, die geluk brengt in de steden en huizen en na de winter de aarde vruchtbaar maakt met zijn regen, die alles nieuw maakt en open, die treurigen verblijdt en het hart van wie ouder wordt teder beroert, die is er niet. Als zijn naam nog ergens wordt genoemd stelt die niets voor, niet meer dan een schim; het is een laatste wegstervende echo.

Maar jong en onschuldig sprak ik tot hem. Ik was een dichter en wat een dichter deed was spreken met engelen en met hem. Ik sprak tot hem en vroeg hem over het gevaar dat de mensen bedreigde, dat ons schuilkelders deed bouwen en voorraad opslaan voor vele donkere winters. Dat was vaak als ik wat uitrustte van het roeien in mijn bootje, op de Zuid-Willemsvaart. Het frisse water van de Kempen dat glinsterde in de zon. Of als ik op de oever zat tussen de stille vissers sprak ik tot hem over een onbekende kracht in mijn borst en tintelingen in mijn slapen. Ik vroeg hem wat er achter de bergen lag, voorbij het soms verlammend gevaar.

Ik maakte wandelingen over smalle paden door de velden. Klaprozen en boterbloemen lachten me toe en de liederen van de vogels verkwikten me, ook al waren hun boodschappen geheimzinnig. Onderweg ontmoette ik vriendelijke boeren, altijd groetend ook al liepen zij voortijdig gebukt van het geploeter.

Het was mijn vaderland. De streek waar mijn vaderloze vader zijn wieg stond en waar ik zelf ook mijn vaderland van maakte omdat ik er zoveel vrienden vond en de aarde en het water er heilig waren. Waar ik naar terugkeer om er namen en woorden te zoeken, of terug te vinden, want die ben ik vergeten of heb ik nooit gekend. Hoe kan ik je dan roemen? Dorp met je gastvrije boerderijen en schaduwrijke bossen en de Maas zo vredig in de zomer maar in de winter altijd dreigend, na wekenlange sneeuwval en daarna de dooi. Het licht dat daar op de bescheiden huizen schijnt en de geluiden van de eerste industrie, het grint dat wordt gewassen voor de aanleg van wegen naar ver weg, naar dit verblijf en naar de andere plaatsen waar ik me altijd een vreemde voelde.

Een hele weg heb ik nog af te leggen naar jou, Maasvallei. Een reis in mijn hoofd, in mijn kamer, over gevaarlijke wegen en door de tijd terug naar jou, geliefde in alle kleuren van de regenboog. Ik zie je bomen staan in Zutendaal, Neerharen en Rekem, groen in de zomer en sterk geurend in de herfst, en de paden ’s nachts, het geroep van de uil en de dartele konijnen. En als de heren op jacht gingen in hun rode jassen en het geschal van de hoorns, want ik wist niet wat doden was en bloedend vlees kende ik nog niet. De eiken en berken en populieren die zich verenigden als mensen van verschillende kleur, met één doel voor ogen. Samen de god te vinden die in hen woont en die ze zelf zijn als ze hem willen worden in een innige omhelzing.

Ja, het oude bestaat nog en wordt weer nieuw. Niets is verloren, niets is beter, niets is best. Alles wat liefheeft en leeft blijft zingen ook als de tijd hard is en de mens wreed en bloeddorstig. Het klinkt dwaas als ik het zo uitspreek of neerschrijf. Maar dat is van blijdschap. Weldra ben ik terug. Dan gaan wij samen het gewas op de velden zien en wandelen onder de bloesem en vieren het lentefeest. En dan ’s avonds zal ik liederen zingen voor jou bij het vuur dat altijd al brandde voor de vrijheid. Veel heb ik daarover gelezen in de boeken die ik hier om mij heen heb verzameld. Dat de vrijheid ons toekomt, de hemelse gaven die aardse gaven zijn, de engelen van vlees en bloed en niet anders dan duivels en saters. Alleen de macht van de sterkste en zijn geweld wil zij niet en bezing ik niet in mijn lied. Want helder blijft altijd mijn gezang.

Ik keer naar huis terug. Toch is het niet daarom dat elk uur van de dag vrolijke wetenschap zijn moet. Nee, het moet zo zijn omdat het zo moet zijn. Je moet kunnen liefhebben, je moet onbezorgd lachend je leven kunnen veranderen en feest vieren omdat je je leven verandert. Het leven moet zo zijn omdat het leven heilig is en wanklank weigert. Ik weet dat ik dwaas klink. Om het allemaal te vatten is onze vreugde te klein. Het gejubel drijft ons tot waanzin, die verrukkelijk kan zijn. Maar vaak is het beter daarover te zwijgen, want wat betekent heilig als we er geen woorden voor hebben en de spraak ons wordt ontzegd?  Wat me overblijft is werken aan het lied dat de zorgen bezweert. Zorgen over wat niet kan worden gezegd maakt zich de zanger opdat ze de anderen blijven bespaard.

Ω

* Geen vertaling, maar inzake beeldspraak, ritme, toon, filosofie en religiositeit geïnspireerd door Hölderlins late elegie ‘Heimkunft’ uit 1801. Bij het in één ruk schrijven van deze neo-elegie zaten diverse vertalingen van Hölderlins werk in mijn onbewuste te wroeten. De nacht was onrustig en vol dromen, onder meer over het gedicht van Hölderlin. Vanmorgen ben ik enigszins slaapwandelend naar mijn kamer gekomen om deze ‘idiote’ woorden uit mij te laten vloeien.

ZOALS OP EEN ZONDAGOCHTEND

 

Zoals op een zondagochtend een landbouwer zijn veld aanschouwt
na een nacht van bliksem en verkoelende regen
terwijl in de verte de donder nog rommelt en de stroom
weer in zijn oevers treedt en fris is nu de groene aarde
En de wijnstok glanst van de regendruppels
en de bomen in het woud stil wachten onder de roerloze zon

Zo staan zij onder gunstig gesternte
zij die geen Meester kennen
zij die zich innig omhelzen laten
door het wezen van de natuur – die alles bevat.

Daarom is het dat als zij soms lijkt te slapen
als zij zich niet laat zien aan de hemel of bij de mensen
en de planten en de dieren – ja, daarom is het dat de dichters
zo droef kijken naar de wereld en het gebeuren.
Zij lijken dan eenzaam en verdrietig, maar dat is niet zo,
het zijn voorgevoelens die in hun ziel omgaan,
en zij wachten rustig op wat gaat komen,
zoals de natuur ook voorgevoelens heeft, als zij zich
terugtrekt en onzichtbaar lijkt, als zij rustig afwacht.

Vrij naar ‘Wie wenn am Feiertage’ van Friedrich Hölderlin

DE ANATOMIELES VAN DOCTOR NICOLAES TULP

The_Anatomy_Lesson.jpg

Ik was al een heel eind gevorderd in ‘De ringen van Saturnus’, het eigenzinnige verslag van een pelgrimage door het Oost-Engelse graafschap Suffolk, met onverwachte zijsprongen naar bijzondere momenten in de wereldgeschiedenis, naar ongewone aspecten van het dagelijks leven, naar zonderlinge personen, naar vergeten wetenschappers en schrijvers, evenals naar grote voorbeelden als Flaubert, Jorge Luis Borges, Descartes en Joseph Conrad, eer ik me afvroeg wanneer nu eindelijk Hölderlin aan bod zou komen. Want ik wist dat dat zou gebeuren: het gaat bij zo’n weten bijna altijd om een sterk aanvoelen, een vermoeden; ‘Ahnung’ is een woord dat Hölderlin zelf graag gebruikt, vooral dichters hebben zulke sterke vermoedens, voorgevoelens, bijvoorbeeld van ‘het heilige’.

Een dag voor ik ‘De ringen van Saturnus’ begon te lezen had ik de Duitse film ‘Barbara’ van Christian Petzold gezien, met de mooie en geweldige actrice Nina Hoss. Het verhaal vertelt de geschiedenis van een vrouwelijke arts die Oost-Duitsland wil verlaten maar daar door een aantal pijnlijke voorvallen – en door verliefdheid – niet in slaagt. De film bevat meerdere lagen, de laag van ‘The Adventures Of Huckleberry Finn’, die van ‘De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp’ van Rembrandt, en is doordrongen van paranoia, achterdocht, verraad, pijn, ziekte en liefde.

Op pagina twintig van ‘De ringen van Saturnus’ las ik over Thomas Browne, die in Leiden de graad van doctor in de geneeskunde behaalde. Tot mijn grote verbazing vermeldt Sebald daar dat Browne zeer waarschijnlijk bij de anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, zoals vereeuwigd door Rembrandt, aanwezig was. Op de volgende twee bladzijden trof ik een reproductie aan van het werk, zoals er ook een in het laboratorium in ‘Barbara’ aan de wand hing. Net als de collega van Barbara – een verklikker voor de Stasi – gaat Sebald dieper in op het werk, vooral op de ongerijmdheden ervan.

Dat Sebald wat later aandacht schenkt aan Borges’ ‘Boek van de denkbeeldige wezens’, een van de werken die ik koesterde toen ik nog veel moest leren, verbaast mij al niet meer. Ik lees door en laat me verrassen, door elke zin, door elk woord.

Ik was al een heel eind gevorderd en dacht nauwelijks nog aan Hölderlin. Op pagina 178 begeeft Sebald zich naar het plaatsje Middleton, waar hij de schrijver Michael Hamburger wilde opzoeken, die daar toen al bijna twintig jaar woonde. Michael Hamburger is me niet onbekend: ik las zijn werk over moderne poëzie ‘The Truth Of Poetry’ in dezelfde periode als ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ en wist dat het hier nog ergens moest rondslingeren. Het bevond zich helemaal op de laagste plank van een rek in de donkerste hoek van mijn kamer. Eerst moest ik een stapel tijdschriften opzijschuiven, waaronder een exemplaar van ‘Photo’ met een zich masturberende Madonna op de kaft. De foto’s – uit haar boek ‘Sex’ – zegden mij niets meer, ze waren hopeloos gedateerd. Hadden ze mij ooit opgewonden?
J’aime ma chatte. Parfois je contemple dans la glace quand je me déshabille en me demandant à quoi elle ressemblerait sans plus de poils que quand j’étais bébé?

Ik las de korte biografie in de Pelican-uitgave van Michael Hamburger. Net als Sebald een émigré woonachtig in Groot-Brittannië, maar van een oudere generatie. In 1933 uit Duitsland gevlucht. Docent aan de universiteiten van Londen en Reading, dichter, vertaler van Baudelaire en Hölderlin. Nu zouden we het krijgen… Op pagina 184 bij Sebald las ik: “Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.” Hier kan alleen maar een excursie naar de wereld van Hölderlin op volgen, naar de man die zijn brieven unterthänigst ondertekent met de naam Scardanelli, met zijn zeer geciviliseerde gasten die hem als een zeldzaam dier in een kooi gevangen kwamen begluren en hem desondanks aanspraken met Uwe Hoogheid en Majesteit. En Sebald besluit dit stuk met: “Welke tijdspanne kunnen geestverwantschappen en analogieën overbruggen? Hoe komt het dat je in een ander mens jezelf ziet en zo niet jezelf, dan toch je voorganger?”

michael hamburger.jpg

Een dag later las ik het fragment over het schrijven voor aan mijn psychiater. Ik geloof dat het de eerste keer was – sinds augustus 1997 – dat ik haar iets voorlas. De hele context en reikwijdte scheen ze niet te bevatten. Ik geloof niet dat ze Sebald, Hölderlin, Borges, kent. Maar ze weet alles over duizelingen en wanhoop. Ik besef nu wel dat schrijven voor jou existentieel is, zei ze. Schrijven is je identiteit, zei ze. Dat vond ik goed, dat iemand die ik zo goed ken en tegelijk helemaal niet ken me zei dat schrijven mijn identiteit is. Maar wat maakte me dat opeens bang.

FILOSOFIE

poëzie, filosofie, hölderlin, wanhoop

Een citaat dan maar:

“Ach! de wereld heeft mijn geest vanaf mijn vroegste jeugd in zichzelf teruggejaagd, waaraan ik nog steeds lijd. Weliswaar bestaat er een hospitaal waarheen iedere, op mijn wijze verongelukte dichter met eer kan vluchten – de filosofie. Maar ik kan van mijn eerste liefde, van de verwachtingen van mijn jeugd, niet scheiden en liever wil ik roemloos ten onder gaan dan het zoete vaderland der muzen verloochenen, waaruit het toeval me heeft verdreven.”
Friedrich Hölderlin,  Aan Neuffer, 12 november 1798.

MIJN CONJUNCTIES

hölderlin.jpg
De jonge Hölderlin.

Principieel voor mijn teksten is de afwezigheid van een vooropgezet plan, wat ik graag tegenover een beredeneerde, stelselmatige opbouw plaats. Toch laat ik nauwelijks ruimte voor stellingen uit het ongerijmde. Als dat toch eens gebeurde had ik waarschijnlijk net buikpijn of een andere kwaal. En als ik dan toch stellingen moet hanteren, berijm ik ze liever. Soms verwijs ik wel eens naar iets als de analytische meetkunde; zoiets is er dan met de haren bijgesleurd; of nee, toch niet, ik doe het om er iets autobiografisch aan te geven. Zoniet zou je je kunnen gaan afvragen, waar gaat dit eigenlijk over?

Ik zie heel goed in dat ik een man van het ‘maar’ ben. Miljoenen keren heb ik dat woord al gebruikt: het is een miserabel mirakel, om even Henri Michaux zijn omschrijving van mescaline te hanteren. Een ellendig woord dat ik zo nodig heb. Waarom ben ik er zo van in de ban? In de vorige eeuw heb ik me gedurende jaren in het werk van Hölderlin verdiept, een meester van het ‘aber’. “Aber Freund! wir kommen zu spät. Zwar leben die Götter, / Aber über dem Haupt droben in anderer Welt.” Dat veelzeggend voegwoord heeft zich toen in mijn vocabulaire vastgehaakt en het is gebleven en ik wil dat het blijft. Zeer waarschijnlijk omdat de conjunctie in mijn dagelijks leven een belangrijke rol speelt, ook op filosofisch niveau

EXIT HOOP

achter glas

Vaak vraag je je af, wat zou Hölderlin nu hebben gedaan? Maar er is geen vergelijking mogelijk. Hölderlin had nooit een film gezien, hij kende de Grieken, maar niet Jesse James, Billy The Kid, Citizen Kane… Hoe groot moet zijn eenzaamheid niet geweest zijn. Er was geen internet, geen mobiele telefoon, geen televisie, geen antidepressiva. Met een ontstemde piano moest hij het doen, en uitzicht op de Neckar.

Wat doe je als je geen woorden meer vindt? Als het te lang duurt word je wanhopig en grijp je naar die van anderen (die ook de jouwe zijn – want wie is eigenaar van woorden, van taal?).

“Maar is onze pijnfactor al niet schokkend genoeg zonder denkbeeldige vergroting, zonder aan de dingen een intensiteit te geven die in het leven maar van heel korte duur is en soms niet eens zichtbaar? Voor sommige mensen niet. Voor weinigen, heel weinigen, is die vergroting, die onzeker uit het niets ontstaat, hun enige zekerheid, en is het niet-geleefde, het veronderstelde, volledig uitgewerkt in drukletters op papier, het leven waarvan de betekenis er het meest toe doet.”

Philip Roth, Exit Geest.

Ω

Foto: Achter glas, Martin Pulaski.

UNTERTÄNIGST SCARDANELLI

Aan de dichters.

Met een zware last op de schouders loopt Scardanelli
Klerken en kannibalen tegemoet. Levenslang
Tegen het lijf, niet tegen het lijf, tegen de hersens.
(Je zag ze in een glazen pot in Berlijn. Dezelfde hersens.
Maar niet dezelfde.) Scardanelli was namelijk zichzelf niet.

Hij nam niet deel aan de bleke herfst van Deutschland.
Hij nam niet deel. Hij bukte, boog trots het hoofd omhoog.
Onderdanig was de dichter op het onbeschofte af.
Altijd dank u mijnheer zo en zo, dank u mijnheer de bibliothecaris.
Ook als er een loodgieter langskwam, een bakker, een hulpje.
Moeder ik heb u zo gemist. Untertänigst Scardanelli.

Zuster, broeder schrijf me gauw want ik wil sterven.
Ik wil niet dood. De adem van koude lijken brengt mij aan het beven.
En ik heb niets, lege handen, niemand kan van mij iets erven.
Vergeef me! Untertänigst Scardanelli.
Gebukt loop hij door de zomer en nog vlugger staat hij voor de deur

Van de herfst. Een deur die hij al lange tijd geopend had.
De poorten van een asgrijze winter en nog akeliger het ontkiemen
In de lente als de vogels zingen, en groene asperges staan op het veld.
Daarna weer moe en moedeloos de zomer in waar de boer sterft

Aan een verdriet maar eerst nog op de dag des heren
Het land verkent, zijn akkers, zijn gewassen waarop het onweer
Genadevol te keer ging. Alles groen, zoals ik dacht, zo kan ik sterven.
Scardanelli zweet en zwijgt en kijkt de hemel in. De zon toch weer

En mijn wandelstok en mijn hoed. De Grieken waren heilig in hun heuvels
Waar in elke struik een raadsel sluimerde. Voor elke ziekte
Een gewas, een kruid. Maar de woeste hitte van Bordeaux stuurt hem
Al naar het vaderland terug, aan de Neckar, waar de wijn zachter is,
En de meisjes klaterend lachen. Een bootje vaart wat wankel
Naar de horizon. Het wordt donker in mijn hoofd. In mijn hoofd
Wordt het helemaal donker. Pallaksch, pallaksch.

Untertänigst Scardanelli.

DE LATE HYMNEN

De late hymnen spoelen niet aan op een verlaten strand
Na een elektronische Apocalyps. Na een doodgewone schipbreuk evenmin.
Als je alleen op een strand staat onder het maanlicht
Snelt geen atoomduikboot of enige ander vaartuig op je toe
Om je broze huid, je leergierige ogen te redden.
De late hymnen? Niets van dat gedoe raakt koude kleren.

Liever verkleumt men in Alaska als ultieme avonturier
Dan het woord ‘Zeit’, het woord ‘Aber’, te lezen
En nog minder om er een berg bij te bedenken en een tweede berg.
De berg, namelijk van het denken, en die van de mythologie.
Thelonious zwijgt, geen spoor van God vandaag.

En morgen, morgen misschien? Morgen nog minder sporen.
Beter nog sta je voor het voetlicht en zing je een schunnig lied
Dan zo de lege stilte te gedogen en nooit een woord in te schakelen
Om de afwezige terecht te wijzen. Want sprak hij niet over zijn terugkeer
In die tijd toen de mensen hun hoofden in hun handen hielden

En het water zoet uit de oceanen het land in stroomde vol donkere
En lichte vissen en de schepen met vlaggen waren versierd
Alsof zij de boodschap van iets hogers verkondigden en niet alleen maar
Dat er vandaag verse vis was en misschien ook wel een vissersvrouw
Of twee en enkele bedgeheimen om op voort te bouwen?

 

VOOR HET VERTREK

nero

De voorbije maanden zag en hoorde ik een aantal merkwaardige dingen. Waar precies, dat weet ik niet meer.

Patrick Janssens legt een Chinese burgemeester uit wat hij moet doen: zijn dorp verkopen aan Amerikaanse toeristen. Zij houden ongetwijfeld van houten popjes, want houden zij nu al niet van Brugse kant.

Noël Slangen, de raadgever van Guy Verhofstadt, is een fan van Marc Sleen en Nero. De belangrijkste gebeurtenis in zijn leven was toen hij op achtjarige leeftijd een zonnestraal op een stripverhaal van Marc Sleen zag vallen. (Familiale omstandigheden buiten beschouwing gelaten, voegt hij eraan toe.)

De stofzuigerverkopers van de wetenschap waren vaker aan het woord dan me lief was.

People who have resources and people who don’t.

Als je iets goeds doet is het voor eeuwig, doe je iets kwaads dan is het tijdelijk. (Interview met de Mormoonse rock & roll band Low.)

“I know my song well before I start singing”, zingt Bob Dylan. En Allen Ginsberg zit bevestigend te knikken.

Je gaat naar een ander land om later nieuwe ruimte mee naar huis te nemen, nieuwe landschappen. Bij de terugkeer ga je het ‘eigene’ in een ander daglicht zien. Dit heb ik zelf zitten denken tijdens het lezen van een gedicht van Hölderlin. Een dichter die me begeleidt van de wieg tot het graf. De wieg moet je met een korrel zout nemen; en het graf waarschijnlijk ook.

Jongeren die in mekaar werden geklopt en zelfs neergeschoten omdat ze de verbeelding hun gang wilden laten gaan.

Mijn vrienden en ik worden overspoeld met koopwaar. Wat we nodig hebben is schoonheid, nutteloze, eeuwige schoonheid. We willen zelf ons ritme bepalen en de inhoud kiezen die ons leven nodig heeft.

Geneesmiddelen, verwoestende drugs, wapens en wegwerpmuziek overspoelen de beschavingen. Er wordt ons gevraagd (of we worden ertoe gedwongen) de anderen als vijand te zien. Dat willen we niet. We willen de anderen als vrienden, als familie zelfs, zien. We willen hen met open armen tegemoet treden, ook al kan dat ons soms schade toebrengen.

Jan Decorte vindt ‘Mooi en meedogenloos’ een Griekse tragedie. Misschien heeft hij gelijk. Ik heb er nooit naar gekeken. ‘Dallas’ en ‘Dynasty’ heb ik wel gezien, dat waren Amerikaanse tragedies, in die zin dat het alleen om geld en oppervlakkigheden ging.

De blues zijn vaak scherp verwoorde, bondige, universele tragedies.

Het tragische is onder meer het geweld van moeder tegen dochter, vader tegen zoon, dealer tegen junkie, landschap tegen beschaving, natuur tegen wat met veel geduld en moeite werd opgebouwd.

En nu is tijd om nog even te slapen voor ik naar Porto vertrek. Volgende week ben ik er weer met nieuwe berichten uit mijn schemerzone.

ZONDERLINGE COMBINATIES

wandeling

Het is zondag in mijn hoofd als ik ‘dingen’ kan en mag combineren. De combinatie van John Cale / Friedrich Hölderlin, gisteren, lag niet voor de hand. Maar ‘Hanky Panky Nohow’ op de iPod zorgde voor een kortsluiting in mijn gedachtestroom met als resultaat de tekst ‘Jubel en waanzin’.

Toen ik filosofie studeerde aan de VUB, in het begin van de jaren zeventig, legde ik ook al zulke verbanden in scripties. Professoren vroegen zich dan af wie bijvoorbeeld Ray Davies of Frank Zappa was. Professor Leopold Flam bleef Bob Dylan met Dylan Thomas verwarren. Misschien zeg je nu, hij is weer bezig zijn ‘pioniersrol’ te benadrukken – o ijdele Pulaski! – maar in die dagen werd nergens hoge cultuur met lage cultuur in verband gebracht, zeker niet aan universiteiten. Ik denk dat de begrippen hoge en lage cultuur nog niet waren uitgevonden. Is het trouwens niet schandalig dàt ze zijn uitgevonden? Lage cultuur, stel je voor. De tegencultuur van die tijd – en de mogelijke tegencultuur van nu – is op zijn minst even hoog als de gevestigde cultuur. Het is met culturen zoals William Blake het formuleert in verband met godsdiensten: “All religions are one”. Geleerde heren – geleerde dames waren er nog niet veel – beschouwden tot nog niet zo lang geleden populaire muziek als iets laags, iets waar geen plaats voor was in Academia. Die geleerde heren hadden natuurlijk ‘Venus In Furs’ niet gehoord, of ‘Sad Eyed Lady Of the Lowlands’; ze hadden Jules Deelder niet horen voorlezen. Zelfs Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William Burroughs werden niet als volwaardige dichters en schrijvers aanvaard. Als er al over gesproken werd. Op de lagere school hadden schoolmeesters mij al geleerd dat Picasso een knutselaar was, “dat kan een klein kind ook”.

Nu is alles anders, natuurlijk. Alles is cultuur, alles is het bestuderen waard, alles behoort tot het spektakel en alles is vermakelijk. Buiten de wet leven en toch eerlijk zijn, zoals Bob Dylan zong, dat gaat niet meer. Er is maar een globale wet en dat is die van het geld, en wie binnen die wet leeft is niet eerlijk. Buiten de wet sterf je zeer waarschijnlijk van honger of dorst. Elke cultuurvorm wordt opgevreten door de grote geldmachine, elk werkelijk opstandig individu wordt gebroken. Misschien – en dat hoop ik – zijn er desondanks nog tegenstemmen, zoals Hölderlin destijds, en later Paul Celan, die weerstand bieden. Maar ik ken ze niet. Waar houden ze zich op? Wat zijn hun drijfveren? Zullen ze nog in staat zijn het tij te keren? Of is het allemaal Hanky Panky?

In afwachting maak ik mystieke wandelingen naar de Delhaize en terug. Onderweg beschouw ik als iconen de reclamepanelen en overal om mij heen zijn verzoekingen. Maar als een echte heilige zeg ik ‘noli me tangere’ en loop verder, met mijn hoofd in wolken muziek. ’s Nachts vecht ik tegen monsters, die mijn ratio keer op keer weer loslaat uit hun cellen. ’s Morgens, van het vechten moe, sta ik mijn verlangen stapvoets af aan de wetten van de werkelijkheid. Medicijnen en koffie helpen mij om die wrede grens te overschrijden. Want een pionier ben ik al lang niet meer. Nee, ik ben mezelf niet, ik behoor anderen toe. Deze tijd die de mijne is, is de mijne niet werkelijk.

Foto: Mystiek wandeling naar de Delhaize, M.P.

JUBEL EN WAANZIN

friedrich-hoelderlin

Wellicht is ‘Hanky Panky Nohow’ van John Cale, terug te vinden op de werkelijk sublieme elpee ‘Paris 1919’, het mooiste lied dat ik ken. Althans, zo denk ik er nu over; morgen kan het al een van de ‘Kindertotenlieder’ van Mahler zijn, of, kleine kans, ‘Mes mains sur tes hanches’, van Salvatore Adamo:

Sois pas fâchée si je te chante
Les souvenirs de mes quinze ans
Ne boude pas si tu es absente
De mes rêveries d’adolescent.

Op ‘Mes mains sur tes hanches’ kon je alvast heel goed op slowen en bij de ‘Kindertotenlieder’ kun je onbeschaamd je tranen laten vloeien. Maar wat doe je bij ‘Hanky Panky Nohow’? Op de eerste plaats laat je figuurlijk gesproken alles vallen en luister je; al van bij de eerste noten wordt je meegenomen naar ergens anders, een melodieus utopia, waar vreemde wetten gelden. Dat er wetten gelden maakt John Cale duidelijk in de tekst:

There’s a law for everything
And for elephants that sing to keep
The cows that agriculture won’t allow.

Het lijken mij ook weer van de mooiste en meest diepgaande regels die ooit door een populair componist/tekstdichter op papier zijn gezet. Bijna altijd als ik John Cale die woorden hoor zingen gaan mijn gedachten naar Hölderlins gedicht ‘Mnemosyne’. Wat doe je dan? Je neemt de ‘Gedichten’ van Hölderlin uit het rek met de dichtbundels, en zoekt op hoe Hölderlin over een gelijkaardige wet als in ‘Hanky Panky Nohow’ schreef. En vervolgens schrijf je de eerste regels over met de vertaling erbij, want het is geen gemakkelijk gedicht:

Reif sind, in Feuer getaucht, gekochet
Die Frücht und auf der Erde geprüfet und ein Gesetz ist,
Dass alles hineingeht, Schlangen gleich,
Prophetisch, träumend auf
Den Hügeln des Himmels.

(Rijp zijn, in vuur gedoopt en gestoofd / de vruchten en op aarde geproefd, en het is een wet, / profetisch, dromend op / de heuvlen des hemels, / dat alles in ’t vuur gaat, slangen gelijk. Vertaling: Ad den Besten).

Dan herinner je je het einde van de jaren zeventig, toen je elke dag Hölderlin las en er bijna gek van werd, er bijna gek van wilde worden, omdat je de waanzin aantrekkelijk vond. Nu echter weet je al een tijdje dat de waanzin niet aantrekkelijk is en vraag je je af of Höldelin niet erg geleden heeft, al die jaren in zijn kamer in de toren in Tübingen. Ja, waarschijnlijk heeft hij veel geleden. Er bestonden geen anti-psychotica geen anti-depressiva, geen benzodiazepines. Wel waren er koudwaterbaden en dwangbuis.

Maar als Hölderlin in de waanzin is verzonken, wat is er dan met John Cale gebeurd, een man die ook een moeilijk pad bewandelde? Ik denk dat hij en wij allen blij mogen zijn dat hij de jaren zeventig – voor hem en voor velen onder ons jaren van echte, uitbundige én uitzichtloze waanzin – overleefd heeft, en dat hij er nu gezond uitziet, sterk zelfs. Maar jubelende, euforische liederen als ‘Hanky Panky Nohow’ schrijft en zingt hij niet meer. Dit is geen tijd voor jubelende, euforische liederen. Dit is zelfs geen tijd voor melancholie. Ik weet niet meer wat voor tijd dit is.

THUISKOMST / HÖLDERLIN


Het onderstaande fragment uit Hölderlins gedicht ‘Heimkunft’ is me – vooral in deze periode van mijn leven – uit het hart gegrepen.


“Nenn ich den Hohen dabei? Unschikliches liebet ein Gott nicht,
Ihn zu fassen, ist fast unsere Freude zu klein,
Schweigen müssen wir oft; es fehlen heilige Namen,
Herzen schlagen und doch bleibet die Rede zurück.”
(fragment uit het gedicht ‘Heimkunft – And die Verwandten’, in: Friedrich Hölderlin, Werke und Briefe, Herausgegeben von Friedrich Beissner und Jochen Schmidt, Insel Verlag, Frankfurt am Main, 1969, 122.).

“Noem ik de naam des Hoogsten daarbij? Hij weigert de wanklank,
om hem te vatten is haast zelfs onze vreugde te klein.
Zwijgen moeten wij vaak, ons ontbreken heilige namen,
hoezeer het hart in ons bonst, toch blijft de spraak ons ontzegd.”
(fragment uit ‘Thuiskomst’, uit: Friedrich Hölderlin, Gedichten, de Prom, 1988, 227, vertaling door door Ad den Besten.)

Over die vertaling valt veel te zeggen, maar dat zou me te ver leiden, voorbij de taal, waarover ik zelf op dit uur van de dag niet beschik. Waar het mij hier inderdaad om gaat is dat mij de taal, het woord, de rede, de logos ontbreekt. Hoe deel ik dit in vredesnaam mee?

CULTUREEL ERFGOED

 

Je kunt over alles schrijven maar niet alles door iedereen geschreven is boeiend. Veel moet worden behouden, schreef Hölderlin, wat een last is op de schouders. Cultureel erfgoed, vaak alleen maar goed om wat bij te lopen, staan of zitten geeuwen. Veel verdient terecht de vergetelheid of het hellevuur. We moeten onze ogen en andere zintuigen zoveel mogelijk sparen om ze op – magische – momenten de kost te kunnen geven. Het leven is kort en de tijd dringt. Miljoenen schreven over de zee, maar wie deed het zo boeiend als Herman Melville? Wie durft zich dan nog aan de zee te wagen?

DE OUDE MAN EN DE VLIEG

De kleine vlieg ziet het gesukkel van de oude man. De telefoon brengt zijn familie thuis. Tim Buckley en O.J. Simpson ontmoeten elkaar tijdens een dagje uit naar de maagdenbron. Een film is dat, hoe kan het ook anders?

Hoe je je blind maakt voor de sterren, verrekijker, sterrenkijker nochtans altijd binnen handbereik, of niet soms? Als een vertaler, met verstomming geslagen, ben je vaak, woord voor woord: “duinbranden, purperslakken”… Wat heb je nog te betekenen na al die verdomde Oude Grieken? Zij die zo dicht bij de sterren waren. Heraclitus, Empedocles en hun honderden niet geboekstaafde epigonen.

Hoe je naar het Westen terugkeert. Maria, Sterre der zee! Genadeloos ontvangen daar waar de wilde hoeders waken. Begrijp je hen die hun juwelen laten fonkelen? De jouwe van Spaanse gitaarklanken overvloeiend, of van de echo van stemmen in de donkere en lichte straten van Cadiz. Uit dorre mond stijgt gekrijs op, een Enola Gay zonder de bommen, in elke snik het heimwee naar Hölderlins dagen, als hij aan Antigone dacht en zich in een hoek verschool, met zijn lange nagels, zijn sierlijke ogen die de bliksem hadden aanschouwd.

Toen zij allen nog slakken waren was jij een volleerde egel. Tot schuim bereid, niet meer tot schuimwijn of, zoals in de jaren ‘vijftig, op tafels het monotone ritme meekloppen.

De oude man ziet het gesukkel van de vlieg. Een halve dag nog om je te zalven. Zijn bevende handen. Of hij die somtijds observeert? Een uur nog, een half uur, een stonde, om je geluk te geven: eeuwigheid.

“EEUWIGE ROEM”

Het is geen toeval dat Hölderlin hier weer opduikt. Er is een duidelijk verband met Syd Barrett, zij het niet uitgesproken inhoudelijk. Wat beide mannen verbindt is de verbluffende uniciteit; zij sprongen uit de band, waren op artistiek vlak ver vooruit op hun tijd. Zij waren heldere sterren, onverschrokken in hun jeugd, overmoedige ontdekkers – maar wat doofden zij snel uit! Beiden gingen al op jonge leeftijd de nacht van de waanzin in, zij trokken zich terug in een soort van kunstmatige baarmoeder, de ene in een toren, de andere in het huis van zijn moeder, bij wie hij vaak in de tuin zat, zo wordt beweerd. Wellicht hebben zij het leven ervaren als een ballingschap uit het paradijs, dat gelegen is kort bij het hart van de moeder.

Hölderlin was in zijn tijd geen populaire dichter, maar hij oefende desondanks aantrekkingskracht uit op de jongere generatie. Hij kreeg heel wat bezoek, in weerwel van zijn weinig coherente monologen en zijn eentonig pianospel. Syd Barrett was een levende legende. Bekende en minder bekende, vooral Britse, popzangers volgden zijn voorbeeld, zoals David Bowie en Kevin Ayers. Hölderlins dood heeft weinigen beroerd, later is zijn aanzien gestegen, vooral bij filosofen als Nietzsche en Heidegger. Een van zijn voornaamste volgelingen in de Nederlandse taal was Lucebert, een van onze beste dichters. Syd Barretts dood heeft velen geraakt, zowel tijdgenoten, mensen van mijn leeftijd, als jongeren. Beide kunstenaars zullen zolang er mensen bestaan verder leven.

OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden.

Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.