WAAR IN DEZE BARRE TIJDEN VIND JE NOG EEN HOER?

Eulalia

Helaas is er geen rumhoer in mijn omgeving te bespeuren. Tijdens mijn wake had ik er zo naar uitgekeken: een of meerdere rumhoeren in het landschap… Vrees echter niet: het is een interieur, doch ook weer niet een innerlijk landschap. Niet het werk van een Oude Meester is het, maar een doodernstige plek. Als je niet op je hoede bent ga je er misschien wel dood. In je rug kan weliswaar geen mes of wat dan ook worden gestoken, want daarmee zit je naar de muur, of meer precies, een grijze wandkast, gekeerd. Toch is en blijft het een interieur waar veel messen worden geslepen. Als je je werkplek even verlaat voor een of andere behoefte ben je maar best op je hoede. Wat eigenlijk niet ongewoon is, want waar worden geen messen geslepen? Of punaises op stoelen gelegd? (Een mooi woord, punaise, je proeft het zo, bijna als een aardbei, op je tong.)

Wellicht was je niet echt wakker, toen je naar die supersensuele en exotisch ‘ogende’ rumhoer uitkeek, een vooralsnog reine maagd of een onder make-up bedolven deerne, die je verwelkomen zou met koffie en zoete koeken – de rum zou voor later zijn, rondom lunchpauzetijd, het moment voor lunchpauzegedichten en andere verdwijningsoefeningen, en de werkdag zou afgesloten worden met hoererij. Iedereen in de rij, en dan de hoer op. Of was het de hort? Want geef het maar toe, je lijdt niet alleen aan dwangmatige obsessies, je hebt daarbij ook nog eens last van echolalie. Eulalie! Als je een dochter zou hebben zou ze zo heten. Want waarachtig, bestaat er een mooiere naam? Anna misschien, omdat je hem in meerdere richtingen kunt lezen. De wind buiten beschouwing gelaten. Maar met een Anna loopt het zelden goed af, niet? Wie in haar tijd had kunnen vermoeden dat Anna de heilige grootmoeder gods zou worden? Lady Macbeth is een karwei, maar wie wil de grootmoeder gods spelen?

Hoe kun je toch werken zonder rumhoer in je nabijheid, zal de lezer denken. Het antwoord is: helemaal niet. Als er geen reële rumhoer voor, naast, of achter je zit, ligt of staat, kun je niet werken, omdat je je dan moet concentreren op een irreëel verschijnsel. Wat nabij is kun je vergeten, negeren, uitsluiten. Wat niet nabij is, wat niet bestaat, moet je echter onder ogen zien, desgevallend gebruik makend van je geestesogen. Dat heb jij – in 1967 reeds – van the Small Faces geleerd. Steve Marriott en Ronnie Lane formuleerden het als volgt:

Everybody I know says I’m changing
Laughing behind their backs, I think they’re strange
People running everywhere, running through my life
I couldn’t give a care because they’ll never see
All that I can see with my mind’s eye.

Niet alleen rakelen die blitse popjongens de geschiedenis van de rumhoer telkens weer op, maar je kunt er ook nog eens op dansen. Je moet. Terwijl je toch pijn hebt aan je voeten, je knieën en je rug. Dat is van het vele zitten. Dat komt vanzelf als je veel zit. Wacht maar. Als je lang genoeg wacht komt het vanzelf. Maar eigenlijk zou je niet mogen wachten. Je zou moeten dansen met een rumhoer of met een vee.  Met een imker kan ook. Een imker die met sandelhouten wierookstokjes zwaait. Desgevallend met twee veeën, met meerdere imkers. En uit het landschap stappen dat geen landschap is, alleen zand in de ogen en de mond. De vreselijke werkelijkheid in, op de rand van de afgrond. Het is er de hoogste tijd voor. Dan is het gedaan met al dat dwaas gedoe. Maar is dat niet gemakkelijker gedaan dan gezegd, of hoe was het ook weer? Misschien moet je de moeder van de heilige maagd eens raadplegen? Dat was alvast geen rumhoer, en in die hoedanigheid niet bevooroordeeld in deze hele kwestie. Toch is het mogelijk dat ze in haar prille jaren een “barefoot girl dancing in the moonlight” was. Dat opent nieuwe perspectieven.

Afbeelding: Prinses Eulalia.

DENK JE NOG AAN MIJ, LIEVELING?

Marcel Proust is zo’n verrukkelijke schrijver dat hij mij zin geeft om hem heel vaak te citeren, wat ik nochtans probeer te vermijden. Want wat voor zin heeft het te herhalen wat al in een boek staat? Wellicht doe je daar jezelf een plezier mee, het plezier van het lezen en het citeren, maar of je lezers er iets aan hebben is nog maar de vraag. Je rukt een passage los uit haar context, uit de in dit geval lange stroom van het ‘verhaal’, hoewel Proust niet echt een verhaal vertelt, en plaatst ze in een andere context, zonder het oorspronkelijke ‘ervoor’ en ‘erna’. Misschien wil je je eigen stroom met die mooie citaten verfraaien, haar oevers verstevigen, ze beter bevaarbaar maken, er meer diepte aan geven, zodat ze voor de zwemmer even gevaarlijk wordt als de Schelde of de Mississippi?
Want telkens weer zie je in dat je eigen verhaal niet altijd veel om het lijf heeft, het doet je veeleer denken aan de hoeren aan het Noordstation, waar je met de trein naar Antwerpen zo vaak voorbijrijdt: je vangt een flits op van hun zachte huid, maar altijd van ver, nooit kom je in hun nabijheid, nooit raak je hun huid aan. De ‘treinreiziger’ die station Hoochiekoochie passeert zal soms ook een flits schoonheid opvangen, maar dan stuit hij al gauw op een banale uitspraak, of een slecht geformuleerde zin – want er is altijd haast mee gemoeid, alsof de duivel de schrijver op de hielen zit – of hij gaat voorbij aan een schitterend gedicht zonder dat hij de tijd heeft kunnen nemen om het te lezen.

Toch kan ik het ook deze keer niet laten Proust aan te halen, enkele zinnen uit ‘Sodom en Gomorra’:
“Maar, zoals wij ook van het richtinggevoel zijn verstoken, waarmee bepaalde vogels zijn toegerust, zo missen wij het gevoel voor zichtbaarheid, zoals wij dat voor afstanden missen, in de waan levend dat wij van nabij belangstellend gevolgd worden door de mensen die juist nooit aan ons denken, en niet bevroedend dat wij onderwijl het voorwerp zijn van andermans grootste zorg.”