VAN MONUMENTEN EN MENSEN

justitiepaleis

Het ‘Paleis van Justitie’: hoofdletters graag. Absurd, lelijk en toch onweerstaanbaar, door een onnoembare schoonheid aangetast, verheft het zich boven deze stad – een wanstaltig gedrocht, dat blijft fascineren, als een teken zonder betekenis.
Walg ik dan niet van deze ‘pseudo-eeuwigheid’ opgetrokken uit voornamelijk steen? Deze megalomanie, de hunker naar het overstijgen van ruimte en tijd, de illusie dat de dood kan worden overwonnen. In een soort van ‘godsroes’ stierf de bouwmeester, Henri Poelaert. Dat zou geen verbazing mogen wekken.

Willen velen van ons zich niet verheffen boven de anderen, beter zijn, sterker, verstandiger, rijker, meer gestaald? Zijn velen van onze lelijke soort toch niet aangetast door een onnoembare schoonheid, wat de fascinatie en het verlangen verklaart, het behagen en de behaagzucht, de moed om te kussen en de gedweeheid om zich te laten kussen? Leven velen van ons niet in de illusie dat ze onsterfelijk zijn en denken ze – alsof ze kleine goden zijn – dat ze het uur van de grote ontgoocheling, het moment van de val,  kunnen blijven uitstellen?