FASCINATION: DAVID BOWIE

david bowie fell to eath 2

Net zomin als ik meteen na de dood van Lou Reed waardige, glansrijke woorden vond om afscheid van hem te nemen kan ik dat nu na het verscheiden van David Bowie. Miljoenen van zijn fans maken hetzelfde mee; hun verbijstering en sprakeloosheid is in zekere zin een troost. Een troost is ook dat wij, hoe artificieel het ook mag wezen, ons verdriet met elkaar kunnen delen. “While troubles are rising / We’d rather be scared / Together than alone”. Terneerdrukkend is dan weer de vele onzin, de onnauwkeurigheden en flagrante fouten die ik in op maat gemaakte in memoriams lees (en probeer dat niet te doen).

Vergeef mij dat ik deze zeer subjectieve en magere beschouwingen toch ter lezing aanbied. Ik kan niet anders, ik moet.

Het enige wat mij gisteren lukte, na enige uren voor mij uit te zitten staren, was een kort gedicht. Nee, niet eens een gedicht, een treurstukje, een naïeve en kinderlijke poging om David Bowie uit zijn schuilplaats te lokken. Zonder resultaat. De Britse dichter Algeron Charles Swinburne schreef het al (en hij was niet de enige):

That no life lives for ever;
That dead men rise up never

Alles aan David Bowie was me dierbaar, zij het met onderbrekingen. Ik leerde zijn muziek kennen in een wazige, op elk gebied troebele, chaotische maar ook euforische tijd. Daardoor herinner ik me niet meer zo goed hoe het avontuur begon. Met ‘The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars’? Of met de Amerikaanse RCA-versie uit 1972 van ‘The Man Who Sold the World’? Het heeft weinig belang: beide langspeelplaten maakten een verpletterende indruk op me.
Aanvankelijk hield ik niet zo van David Bowie. Een goede vriend van me had me circa 1970 de elpee ‘David Bowie’ – die soms ook ‘Space Oditty’ heet – laten horen: die vond ik te bombastisch en te zweverig. Ik luisterde in die dagen naar Bob Dylan, the Rolling Stones, the Velvet Underground, Johnny Winter, the Grateful Dead, Johnny Cash en Neil Young. ‘Space Oddity’ paste niet in die sfeer. Alleen de single ‘Space Oddity’ viel in de smaak. Als ik de elpee nu beluister klinkt ze lang niet meer zo bombastisch, maar geslaagd vind ik ze nog steeds niet.

Vermoedelijk na het verschijnen in 1972 van Lou Reeds ‘Transformer’, die Mick Ronson en David Bowie produceten, begon de echte fascinatie. De dagen die ik doorbracht met ‘Ziggy Stardust’ – alle songs – en ‘The Man Who Sold the World’ – alle songs – waren opwindend, betoverend… Neen, die woorden volstaan niet. Ik kan de sfeer die in onze muziekkamer hing en die me helemaal doordrong, lichamelijk en geestelijk, niet benoemen. Het gaat niet. Het volstaat ook niet om nu naar die magische platen te luisteren: de gevoelens en emoties die ze opriepen komen nooit meer terug. Ik herinner me dat mijn kleine wereld in een theater veranderde waar veel meer mogelijk werd dan ik ooit vermoed had. Dankzij ‘Transformer’ en de twee platen van David Bowie werd ik sterk, onoverwinnelijk, en in zekere zin ook meedogenloos. Dat ik me in dezelfde periode in Nietzsche verdiepte en antipsychiatrie bestudeerde zal daar ook wel toe bijgedragen hebben. Songs als ‘The Width Of A Circle’ en vooral ‘All the Madmen’ drukten heel goed die tijdsgeest uit. Overigens lazen mijn vrienden en ik in die dagen Kahlil Gibran, een ‘profeet’ waar Bowie eveneens naar opkeek. Wat wij in die hele Kahlil Gibran zagen is me nu een raadsel. De leermeesters van de antipsychiatrie, Ronald Laing en David Cooper, blijven echter waardevol.

Omdat ik weinig geld had duurde het enkele maanden voor ik me ook ‘Hunky Dory’ kon aanschaffen, een album dat al in 1971 was uitgekomen. Van de beginperiode vind ik dat het hoogtepunt, hoewel ik voor die voorkeur geen muzikale of tekstuele argumenten kan aanreiken. Hoewel. Er staan schitterende songs op, dat zeker. En kant twee is perfect. Heeft de begenadigde zanger ooit betere songs geschreven en gezongen dan ‘Life On Mars?’, ’Andy Warhol’, ‘Song For Bob Dylan’ en ‘The Bewlay Brothers’?

Ook 1973 was voor mij nog een David Bowie-jaar. ‘Pinups’ blijft voor altijd een van de meest overtuigende cover-elpees. Perfecte keuze van swinging sixties en psychedelia, perfecte uitvoering, met als hoogtepunt ‘Sorrow’, dat ik kende in de versie van the McCoys. Daarna de waanzinnige vloedgolf die ‘Aladdin Sane’ heette, androgynie en antipsychiatrie ten top gedreven. ‘Panic In Detroit’, ‘Time’ met de cabaretpiano van Mike Garson, en Bo Diddley op amfetamine in ‘The Jean Genie’, met voor de liefhebbers verwijzingen naar de dief Jean Genet. (Lees Patti Smith’s M Train voor mooie verhalen over Jean Genet.)

Waarom hield mijn bewondering voor David Bowie in 1974 op? Heel zeker weet ik het niet, maar ik denk dat ik stilaan genoeg kreeg van rock. Ik werd ‘sick of all this repetition’ en ging me in jazz en klassieke muziek verdiepen. Trouw bleef ik zeker wel aan Bob Dylan, John Cale, Syd Barrett, Captain Beefheart en Alexander Spence.

1977 was een keerpunt. Opeens hoorde je op de radio the Clash, the Sex Pistols, the Buzzcocks, herrieschoppers – een nieuwe muzikale revolutie. Bowies ‘Rebel, Rebel’ – uit ‘Diamond Dogs’, 1974 – was opnieuw relevant. We gingen weer elk weekend dansen, extatischer dan ooit tevoren. Punk rock, rockabilly, reggae, elektronica. Een hoogtepunt op de dansvloer was de single ‘”Heroes”’. De gelijknamige elpee van Bowie – de zanger woonde nu in West-Berlijn en werkte samen met Brian Eno – was het hoogtepunt van dat jaar. Ik was werkloos en arm, maar ging toch op zoek naar wat ik gemist had. Zo vond ik in de tweedehandsbakken ‘Station To Station’(1976), wellicht als geheel zijn meest geslaagde album en ‘Low’ (ook uitgebracht in 1977). ‘Low’ is de eerste plaat die ik gisteren heb opgelegd. Een meesterwerk, zowel de bijna traditionele songs op kant één als de abstracte soundscapes op kant 2. Ik geloof dat ik bij Matti Piucci las dat de B-kant van ‘Low’ hopeloos verouderd is. Wat een onzin. Kant 2 van ‘Low’ is nagenoeg perfect. Is ‘Lodger’, deel drie van wat de Berlijnse trilogie wordt genoemd, minder goed? De plaat is niet zo experimenteel als de twee andere, maar naar mijn mening hoort ze desondanks bij Bowies betere werk. Wat een uitstekende en avontuurlijke musici zijn hier aan het werk! Luister nog een keer naar ‘Repetition’, waar ook een mooie cover van bestaat door the Au Pairs. “What’s the good of me working / When you can’t damn cook”.

In 1980 verraste David Bowie ons met een “commerciële” rockplaat, ‘Scary Monsters and Super Creeps’. Het is de elpee van de betreurde zanger die ik het meest heb gedraaid. Er was een tijd dat ik alle teksten uit het hoofd kende. Helaas zijn alleen van ‘Teenage Wildlife’ wat flarden blijven hangen. Of misschien maar goed ook, want ik zing even vals als Bowie zelf in een scène van de film ‘The Man Who Fell To Earth’. De fraaie cover van Tom Verlaine’s ‘Kingdom Come’ is mooi meegenomen, een fijn voorbeeld van David Bowies generositeit. Ook weer heel veel gedanst op ‘Fashion’ en ‘Ashes To Ashes’.

Wat mij betreft is ‘Let’s Dance’ uit 1983 David Bowies – voorlopig – laatste grote album. Het is zijn meest toegankelijke werk, zijn vrolijkste ook, maar gelukkig hoor je trieste ondertonen. Vrolijkheid zonder verdriet is leugenachtig. De productie van Nile Rodgers is kristalhelder, het gitaarspel van Stevie Ray Vaughn economisch en expressief. Op ‘Let’s Dance’ staat mijn uitverkoren Bowie-nummer: ‘Without You’. Ook toen Bowie nog leefde kreeg ik er vaak de tranen bij in de ogen.

davidbowieletsdance.jpg

Altijd ben ik naar de muziek van David Bowie blijven luisteren. Maar wat na ‘Let’s Dance’ is uitgekomen heb ik niet meer gevolgd. Vanaf 1982, toen ik met mijn eerste radioprogramma ben begonnen, ben ik me meer en meer gaan verdiepen in muziek uit het verleden, zij het met veel aandacht voor nieuwe bands en singer-songwriters. Op dezelfde manier ben ik aandachtiger gaan luisteren naar opnamen van Bowie die ik nog niet zo goed kende, onder meer naar het sublieme blanke soulalbum ‘Young Americans’ – waarvoor hij samenwerkte met Luther Vandross – en naar de liedjes uit het prille begin, zoals het wondermooie ‘You’ve Got A Habit Of Leaving’, met Nicky Hopkins op piano, en ‘London Boys’. Nieuwe releases echter gingen aan me voorbij. Daar zal wel een reden voor bestaan, maar ook die ken ik niet. Wel zag ik gisteren op BBC Bernard Sumner van Joy Division/New Order met zijn mond vol tanden staan toen hem gevraagd werd wat hij dacht van Bowies oeuvre na 1990. Zelfs met de titel van ‘The Next Day’ had hij het moeilijk. Zo hoef ik mij er niet al te erg voor te schamen dat ik mijn David verwaarloosd heb tot ik ‘Where Are We Now?’ hoorde. Was dat in januari 2013 dat ik zo heb zitten huilen? Ik dacht dat David Bowie ziek was, dat hij ging sterven. Zo triest was dat lied. Maar buitensporig mooi en nostalgisch. Ik kon niet anders dan op zoek gaan naar sporen van de geniale performer in Berlijn. Die heb ik er in september vorig jaar gevonden. In het huis waar ik logeerde lag dezelfde traploper als in dat waar David Bowie en Iggy Pop hebben gewoond. In mijn verbeelding was mijn oude held weer jong en springlevend. Ik had the Lodger nieuwsgierig en levenslustig door de Berlijnse straten zien lopen. Zelfs dacht ik hem in een van de aanwezigen bij een concert van Ryley Walker in de Privat Club te herkennen.

Vanaf morgen ga ik mij overgeven aan ‘Blackstar’. Ik weet nu al dat ik in weer een andere wereld zal aanbelanden. Een wereld die geen theater zal zijn, waar ik niet als een sterke, onoverwinnelijke en enigszins meedogenloze man zal ronddwalen. Ik denk dat ik de wereld van ‘Blackstar’ al ken. Maar met David Bowie weet je het nooit zeker. Een ding staat vast: David Bowie veranderde misschien aan de oppervlakte, in de diepte bleef hij zichzelf, een en al emotie en fascinatie, een en al levenslust.

Ω

Ik heb het hier niet gehad over soundtracks, singles, live-platen, video’s, films (waaronder een van mijn lievelingsfilms, ‘The Man Who Fell To Earth’ van Nicolas Roeg, met David op z’n allermooist), theater, performance. Jammer. En laat Bob Dylan nu maar een ‘Song For David Bowie’ schrijven.

Ook interessant: David Bowies honderd favoriete boeken.

 

 

 

ROMAN POLANSKI EN DE HYPOCRIETE MORAAL

Dank zij de politie en de Amerikaanse Justice for All is hij vandaag wellicht de beroemdste man en zijn het zijn films die het meest worden bekeken. Dat is de goede kant van de zaak, maar de slechte kant is dat Roman Polanski nog maar een keer moet afzien, na de Holocaust, na Charles Mansons absurd geweld, na de ballingschap ten gevolge van de toenmalige (jaren 1960-1970) hypocriete moraal. In ons land zijn er onder meer Hugo Claus, Herman J. Claeys en Jef Geeraerts ‘slachtoffer’ van geweest. Maar de toenmalige hypocriete moraal is er kennelijk nog altijd, en mogelijk nog hardnekkiger, nog vicieuzer. Roman Polanski had meer dan dertig jaar geleden seks met een minderjarig meisje. Ik wil dat niet meteen verdedigen maar evenmin veroordelen, gewoonweg omdat ik er niet bij was en omdat ik weet dat een meisje van dertien seksueel volwassen kan zijn. Polanski zag (en ziet waarschijnlijk nog steeds) graag mooie, jonge meisjes, en hij had een buitengewoon goede smaak: Françoise Dorléac, Cathérine Deneuve, Sharon Tate, Nastassjia Kinksi – om de bekendste ‘veroveringen’ te noemen. Is daar iets mis mee? Dan moet je mij ook opsluiten. En veel andere mannen en vrouwen en jongens en meisjes. Dan moet je zeker Nabokovs ‘Lolita’ verbranden (als dat nog niet is gebeurd) en dan moet je vooral de porno-industrie aanpakken. Drie klikken met de muis en ik zit middenin een fistfuck-situatie, die ik niet echt wil zien. Maar kijk ik dan naar dat gedoe? Even misschien, uit nieuwsgierigheid, maar dan zoek ik verder, naar iets wat me wel interesseert of opwindt. Ik laat het aan de verbeelding van de lezer over wat dat dan wel mag wezen. Toch mogen ze van mij zoveel fistfucken als ze willen, zolang het maar niet onder dwang gebeurt.

Ik schrijf hier niet zomaar over Roman Polanski. Het is meestal niet mijn gewoonte ‘hot items’ te becommentariëren. Maar dit is een ander geval. Ik heb me lang in zekere zin met de Poolse regisseur geïdentificeerd. Mijn aangenomen naam lijkt niet toevallig op die van hem: het was een bewuste keuze. Ik heb zijn films voor het eerst op de filmschool in Brussel gezien, kortfilms, zoals ‘Amsterdam’,  ‘De dikke en de dunne’, ‘Twee mannen met een kast’ en langspeelfilms zoals ‘Het mes in het water’, ‘Cul de Sac’, en ‘Repulsion’. Ik vond het stuk voor stuk meesterwerken. Daar kwam nog bij dat mijn toenmalige vriend en medestudent, Guillaume Bijl, me elke keer als hij me zag begroette met de woorden, “Hé, Polanski, hoe gaat het met je?”. Waarschijnlijk leek ik een beetje op de regisseur (maar ik was wel een stuk jonger, en had veel minder succes bij de mooiste meisjes). Na mijn studies bleef ik Roman Polanski volgen – en ik bleef zijn werk buitengewoon vinden; films zoals ‘Rosemary’s Baby’, ‘Che?’, ‘Chinatown’, ‘Le locataire’ (waar hij zelf prachtig in acteert), ‘Tess’, ‘Death And The Maiden’, etcetera. Niet stuk voor stuk meesterwerken, maar bijna altijd beter dan het werk van zijn tijdgenoten en van zijn epigonen.

Roman Polanski is ouder nu, kwetsbaarder. Hem opsluiten is een gevaarlijke zaak. Als hij dagen, weken tussen criminelen zit, eenzaam in een cel, dan gaat hij er ongetwijfeld aan ten onder. En de kans is groot dat ik dan niet veel later een in memoriam zal moeten schrijven – en ik had me voorgenomen dat niet meer te doen. Laat om die laatste, maar vooral om alle andere hier opgesomde redenen en argumenten Roman Polanski meteen weer vrij. De man heeft in zijn leven al voldoende afgezien. Laat Roman Polanski vrij!

 

TRANEN VOOR ARTHUR LEE

vindicator

We hebben geen tijd. We nemen geen tijd en we geven geen tijd. Ik wil iets schrijven over Arthur Lee, maar ik heb geen tijd, ik moet naar Antwerpen vertrekken voor mijn radioprogramma. Vanavond in Zéro de conduite zal ik natuurlijk wel iets vertellen over Arthur Lee. Enkele songs draaien van Love. Want Arthur Lee is dood. Vreemd, zo kort na Syd Barrett. Arthur Lee was immers net zo eigenzinnig en invloedrijk als Syd. De muziek van Love heeft me van de mooiste momenten van mijn leven bezorgd. Toen ik nog vaak bij mijn ouders verbleef, op de aak, luisterde ik lange tijd bijna dagelijks naar de elpee Da Capo. Zulke mooie en bijzondere muziek had ik nooit eerder gehoord. Teder en gewelddadig tegelijk. En dan waren er ook nog die vreemde, fascinerende titels, zoals Seven and Seven Is en Orange Skies. Vaak zat ik naar de hoes van Da Capo te kijken en me af te vragen wie nu toch die Arthur Lee was. Er stonden zeven jonge mannen op de foto: één van hen moest het zijn, maar wie? Waarschijnlijk de enige gast op de foto die zat te roken. Hij was immers de leider, de bezieler. Het kon niet anders of hij week een beetje af. Hij zat daar ook wat verheven boven de anderen. Arthur Lee, die zich soms arthurly noemde.
Ik zal er morgen meer over schrijven. Arthur Lee mag niet vergeten worden.