DE TAAL VAN DE CIRKEL EN DE SPIRAAL

Niet de afgematte blik, die doet verwelken en verstarren, die in de schaduw zwijgend afwacht, die schuw wegvlucht voor de harde zon in midzomer, is heilig.
Niet het zeeschip dat statig de haven binnenvaart, niet het geluid van de misthoorns, niet de drukte en de welriekende, uitnodigende geuren in de pakhuizen, niet de grote stalen vogels op de kade.
Niet de trein die het centraal station binnenrijdt, niet de weerspiegeling van zijn rechte lijn in het wijnglas op een tafeltje in de barokke restauratie, niet de bril van de dame die in de wachtzaal zit te lezen en daar straks haar magazine zal achterlaten, niet haar herinneringen aan de zee en het kuststadje waar zij van terugkeert, niet de aarzeling in de hand op weg naar het glas, dezelfde hand en dezelfde aarzeling waarmee zij gedachteloos abstracte vormen maakte in het warme zand.
Niet de nog wat in een achtervolging verzonken blik als ze mij sluiks aankijkt, het meisje dat naast me zit in de bioscoop, niet de duidelijke sporen van schaamte, van ongemak en lust tegelijk, van de verscheurdheid die ontluikende liefde begeleidt en evenmin het gestotter van de zanger die My Generation zingt, het lied – lang niet het enige – waar zij later op de avond naar luisteren zal.
Niet de groei van een schimmel, de uitzaaiing van een gezwel, de terugkeer van de oorspronkelijke gezondheid, de blijdschap bij het hervatten van het zoete leven, de vervulling, het tederste woord.
Niet de bevende haas gevangen in de koplampen van een snelle wagen, niet de reflex van de bestuurder (wat vertraagd ten gevolge van een glas wijn bij het avondmaal), niet zijn geweten, dat zoals zo vaak en bij zoveel mensen te laat komt, en evenmin de vergeefsheid van dit alles.
Niet het bloed op de wegen, het bloed in de huizen, het bloed in de rivieren en zeeën, het bloed in de woestijn, het bloed dat overal nutteloos en zinloos wordt vergoten, is heilig.

Hier en daar, nu en dan, verschijnt een duivel [1] of een tijdsgewricht, iets universeels of iets particuliers, hebben we een ontbinding of een synthese van al dan niet impliciete, al dan niet oppositionele paren.
In sommige gevallen, op sommige momenten, bij niet nader bepaalde configuraties, hebben sommige mensen deze of gene mogelijkheid. Een mogelijkheid om te benoemen of te beschrijven, om in te beelden of uit te beelden, om te verbeelden of zelfs te bedenken. Wat? Een onbepaalde, niet-specifieke, categorieloze entiteit of non-entiteit.
Wat zich hier en daar, nu en dan, voordoet is een verlangen, een entelechie, een vergetelheid, een geheugen. Soms gebeurt het dat zich een overgang voordoet, soms een breuk, soms gebeurt niets en doet zich niets voort, dat is dan een stilstand.

Versteende symfonische gedichten, metaforen van glas en staal en beton die tot hoog in de hemel reiken, smelten. Het drama ontwaakt uit de mythe. Noem dit met een Bijbels woord ‘anastasis’. Dansende paren komen in beweging. Is de tijd uit de dood opgestaan? Opnieuw opgestaan? (En was de tijd dan dood in de dood?) Bevolkingen dansen migrerend en plechtig op de akkoorden van instortende steden. Op het platteland dringt deze muziek door tot in de stilte van de witte huizen. De dorpelingen snellen naar buiten, rennen over niet langer vertrouwde pleinen, veldwegen, bereiken ten slotte de vlakte. Ja, allen bereiken ze de vlakte, allen staren ze met verwonderde ogen naar een ver mysterie. De ene verte die ze zien maakt de nabijheid gemeenschappelijk. Een ogenblik lang bekijken de inwoners van de dorpen elkaar. Nu zien ze elkaar. Nu zien ze dat ze elkaar zien. Alles is van wit licht en rond als een melodie. De bewoners van de dorpen spreken niet, ze zwijgen, verzadigd van alle talen. Het lijkt erop dat de bewoners van de dorpen net als de stedelingen in een cirkel draaien, maar dat is niet zo. Niemand draait in een cirkel, niemand vlucht weg van zijn middelpunt of keert er naar terug. Niemand keert terug naar zijn begin.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Aurora, Jaargang 2, Nr. 8, 1977. Deze herwerkte versie werd vandaag beëindigd.

2017-05-19-andalusie2017 786

[1] (…) er was haast geen mens meer te vinden die in verloop van vier of vijf jaar tijd niet meer rampen had beleefd dan de knapste auteur in een eeuw zou kunnen beschrijven, en men diende dus de hel te hulp te roepen om nog aanspraak te kunnen maken op de belangstelling van de lezer, en men diende in het land van de fantasmagorieën iets anders dan de dagelijkse kost te zoeken die men al kende door slechts de geschiedenis van de mens uit die meedogenloze tijd te bestuderen.
Markies De Sade, Gedachte over de romans, in: Liefde’s misdaden, vertaald door Hans Warren.

Afbeelding: Capileira (520 inwoners), 16 mei 2017, Martin Pulaski.

THUISKOMST*

giotto_di_bondone_-_stygmatyzacja_sw__franciszka_1295-1300.jpg

Voor mijn verwanten.

Ik keer naar huis terug. De onweersvogel roept de dag wakker. Uit de Alpen komt hij gevlogen en van verder, van Azië misschien. De morgen was altijd een feest als ik aan thuis dacht. Waarom dan naar verre streken gereisd, op zoek naar mensen die me niet kenden?

Herinner je hoe het dorp aan de rivier ontwaakte. De Maas was heilig als er mist uit opsteeg en rondom het gekraai van de haan, de gehoorzame kippen en daarna ontwaken de volwassenen en kinderen met nog de doornen en vleugels van de slaap in hun hoofd. Maar nu begeven zij zich naar werkplaats en school. Een hele dag zwoegen en leren over de steden van de wereld en de stromen en wat er in de grond zit.

In de winter dikke lagen sneeuw die alles verstommen. Niemand durft nog te liegen in dat landschap. Waarom weet niemand. Want een God die allen begroet, ons vreugde geeft en genot, die geluk brengt in de steden en huizen en na de winter de aarde vruchtbaar maakt met zijn regen, die alles nieuw maakt en open, die treurigen verblijdt en het hart van wie ouder wordt teder beroert, die is er niet. Als zijn naam nog ergens wordt genoemd stelt die niets voor, niet meer dan een schim; het is een laatste wegstervende echo.

Maar jong en onschuldig sprak ik tot hem. Ik was een dichter en wat een dichter deed was spreken met engelen en met hem. Ik sprak tot hem en vroeg hem over het gevaar dat de mensen bedreigde, dat ons schuilkelders deed bouwen en voorraad opslaan voor vele donkere winters. Dat was vaak als ik wat uitrustte van het roeien in mijn bootje, op de Zuid-Willemsvaart. Het frisse water van de Kempen dat glinsterde in de zon. Of als ik op de oever zat tussen de stille vissers sprak ik tot hem over een onbekende kracht in mijn borst en tintelingen in mijn slapen. Ik vroeg hem wat er achter de bergen lag, voorbij het soms verlammend gevaar.

Ik maakte wandelingen over smalle paden door de velden. Klaprozen en boterbloemen lachten me toe en de liederen van de vogels verkwikten me, ook al waren hun boodschappen geheimzinnig. Onderweg ontmoette ik vriendelijke boeren, altijd groetend ook al liepen zij voortijdig gebukt van het geploeter.

Het was mijn vaderland. De streek waar mijn vaderloze vader zijn wieg stond en waar ik zelf ook mijn vaderland van maakte omdat ik er zoveel vrienden vond en de aarde en het water er heilig waren. Waar ik naar terugkeer om er namen en woorden te zoeken, of terug te vinden, want die ben ik vergeten of heb ik nooit gekend. Hoe kan ik je dan roemen? Dorp met je gastvrije boerderijen en schaduwrijke bossen en de Maas zo vredig in de zomer maar in de winter altijd dreigend, na wekenlange sneeuwval en daarna de dooi. Het licht dat daar op de bescheiden huizen schijnt en de geluiden van de eerste industrie, het grint dat wordt gewassen voor de aanleg van wegen naar ver weg, naar dit verblijf en naar de andere plaatsen waar ik me altijd een vreemde voelde.

Een hele weg heb ik nog af te leggen naar jou, Maasvallei. Een reis in mijn hoofd, in mijn kamer, over gevaarlijke wegen en door de tijd terug naar jou, geliefde in alle kleuren van de regenboog. Ik zie je bomen staan in Zutendaal, Neerharen en Rekem, groen in de zomer en sterk geurend in de herfst, en de paden ’s nachts, het geroep van de uil en de dartele konijnen. En als de heren op jacht gingen in hun rode jassen en het geschal van de hoorns, want ik wist niet wat doden was en bloedend vlees kende ik nog niet. De eiken en berken en populieren die zich verenigden als mensen van verschillende kleur, met één doel voor ogen. Samen de god te vinden die in hen woont en die ze zelf zijn als ze hem willen worden in een innige omhelzing.

Ja, het oude bestaat nog en wordt weer nieuw. Niets is verloren, niets is beter, niets is best. Alles wat liefheeft en leeft blijft zingen ook als de tijd hard is en de mens wreed en bloeddorstig. Het klinkt dwaas als ik het zo uitspreek of neerschrijf. Maar dat is van blijdschap. Weldra ben ik terug. Dan gaan wij samen het gewas op de velden zien en wandelen onder de bloesem en vieren het lentefeest. En dan ’s avonds zal ik liederen zingen voor jou bij het vuur dat altijd al brandde voor de vrijheid. Veel heb ik daarover gelezen in de boeken die ik hier om mij heen heb verzameld. Dat de vrijheid ons toekomt, de hemelse gaven die aardse gaven zijn, de engelen van vlees en bloed en niet anders dan duivels en saters. Alleen de macht van de sterkste en zijn geweld wil zij niet en bezing ik niet in mijn lied. Want helder blijft altijd mijn gezang.

Ik keer naar huis terug. Toch is het niet daarom dat elk uur van de dag vrolijke wetenschap zijn moet. Nee, het moet zo zijn omdat het zo moet zijn. Je moet kunnen liefhebben, je moet onbezorgd lachend je leven kunnen veranderen en feest vieren omdat je je leven verandert. Het leven moet zo zijn omdat het leven heilig is en wanklank weigert. Ik weet dat ik dwaas klink. Om het allemaal te vatten is onze vreugde te klein. Het gejubel drijft ons tot waanzin, die verrukkelijk kan zijn. Maar vaak is het beter daarover te zwijgen, want wat betekent heilig als we er geen woorden voor hebben en de spraak ons wordt ontzegd?  Wat me overblijft is werken aan het lied dat de zorgen bezweert. Zorgen over wat niet kan worden gezegd maakt zich de zanger opdat ze de anderen blijven bespaard.

Ω

* Geen vertaling, maar inzake beeldspraak, ritme, toon, filosofie en religiositeit geïnspireerd door Hölderlins late elegie ‘Heimkunft’ uit 1801. Bij het in één ruk schrijven van deze neo-elegie zaten diverse vertalingen van Hölderlins werk in mijn onbewuste te wroeten. De nacht was onrustig en vol dromen, onder meer over het gedicht van Hölderlin. Vanmorgen ben ik enigszins slaapwandelend naar mijn kamer gekomen om deze ‘idiote’ woorden uit mij te laten vloeien.

ENKELE AVONTUREN VAN SAINT-HUBERT

elizabeth berkley.jpg

Op Goede Vrijdag 683 verliet Saint-Hubert om halftien zijn kasteel in Andage om wat te gaan jagen op everzwijnen en herten. In die dagen werd Andage en de hele streek die nu de Ardennen heet – en in ‘As You Like It’ ‘Forest Of Arden’ – bijna het hele jaar door geteisterd door hitte. Op weg naar de bosrijke streek van Poix passeerde Saint-Hubert een taverne. Buiten op een eikenhouten bank zaten twee vrolijke, blonde meisjes Chimay Bleue te drinken. Saint-Hubert hoorde meteen dat ze uit het Noordelijke laagland kwamen, waar de zeden heel wat wilder waren dan in zijn bosrijke streek. Een van de schaarsgeklede meisjes zat met de benen schrijlings over de houten bank, waardoor Saint-Huberts blik meteen op haar kruis viel. Ze was helemaal het type van de geile meiden in films van Paul Verhoeven, genre Elizabeth Berkley in ‘Showgirls’. Haar blik, recht in zijn ogen, sprak geen boekdelen. En dat was op dat moment ook het enige waar Saint-Hubert aan dacht. Maar die griet zal daar straks ook nog wel zitten, dacht hij. Eerst een hert schieten, of een ander beest, zowaar ik Saint-Hubert heet.

Een half uur later ging zijn wens bijna in vervulling. Er verscheen een mooi, gezond hert in zijn vizier. Saint-Hubert maakte zich klaar voor het genadeschot. Maar dan zag hij in het gewei van het dier een kruis oplichten, zo fel dat hij er even door verblind werd. En meteen daarna hoorde hij de stem van het hert, met heel veel echo, zoals in ‘Be My Baby’ van The Ronettes. “Saint-Hubert”, zei het hert, “je moet je leven veranderen. Zet Elizabeth Berkley uit je hoofd, bekeer je, en ga de heidenen in Luik en Limburg bekeren.” Sindsdien dragen alle kerken in Luik en Limburg de naam van de eens zo hitsige jager.

Op 18 juli 2013 nam Mathieu, samen met zijn vrouw, de bus van Saint-Hubert naar Poix. In de basiliek van Saint-Hubert hadden zij zoals zovelen voor hen de heilige man verzocht om hen te beschermen tegen waanzin en dwanggedachten. Daarna had Mathieus vrouw in de plaatselijke Carrefour zeven pakjes Camel en drie flessen Jägermeister gekocht.
De buschauffeur koos voor een ongewoon traject. In plaats van over asfalt reed hij over grindwegen en smalle, overwoekerde paden. Zo pittoresk, dacht Mathieu, het lijkt wel een andere tijd.
In normale omstandigheden is het een rit van een kwartier. Maar wat zijn normale omstandigheden?
“Ik heb alle tijd van de wereld”, zei de buschauffeur.
“Wij ook”, antwoordden Mathieu en zijn vrouw unisono.

Enkele uren later bereikten zij hun bestemming. Mathieu bedankte de chauffeur voor het mooie avontuur en vroeg hem naar zijn naam.
“Saint-Hubert”, zei hij, “en jij?”
“Mathieu”, zei Mathieu.
“Magnesium”, zei Magnesium.

Omdat ze maar moeilijk afscheid konden nemen ging het drietal een Chimay Bleue drinken bij Mamy.
“Zijn dit verse cacahouètes” vroeg Saint-Hubert aan de ober, die ook de eigenaar van Mamy bleek te zijn.
“Natuulijk”, zei de ober. “Je zou eens moeten weten wat er allemaal aan de klanten hun vingers kleeft… Hier dus altijd verse cacahouètes, en verse gruyèrekaas ook trouwens.”
“Dan is het goed”, zei Saint-Hubert.
“Is het hier altijd zo heet”, vroeg Magnesium.
“Niet altijd,” zei de ober, “soms is het heet, maar soms ook niet.”
“Zo zie je maar weer”, zei Magnesium, “niets is wat het lijkt”.
“Too much of a good thing”, zei Saint-Hubert, die een Shakespearekenner bleek te zijn.

Vervolgens nam iedereen van iedereen afscheid, waardoor dit Ardense avontuur tenslotte een oude geschiedenis werd.

Ω

Foto: Elizabeth Berkley in ‘Showgirls’ van Paul Verhoeven