OP DRIFT

Derive-Preambulatory-walk_1024

Je zou de indruk kunnen krijgen dat ik alle kanten op ga met de – meestal autobiografische – verhalen, beschouwingen, gedichten, verwensingen, grotesken en lofzangen die ik hier publiek maak. Ik laat me inderdaad leiden door het toeval, door datgene wat mijn weg kruist, waar mijn oog op valt, door commentaren van lezers, door gesprekken met vrienden en vreemden en vooral door dromen. Ik sla zijpaden in, ik wijk af, ik raak op drift, ik doe aan wat in het Frans ‘la dérive’ wordt genoemd. Guy Debord schreef daar in nummer 2 van het tijdschrift Internationale Situationniste (verschenen in december 1958) onder meer het volgende over:
“Entre les divers procédés situationnistes, la dérive se présente comme une technique de passage hâtif à travers des ambiances variées. Le concept de dérive est indissolublement lié à la reconnaissance d’effets de nature psychogéographique, et à l’affirmation d’un comportement ludique-constructif, ce qui l’oppose en tous points aux notions classiques de voyage et de promenade.”

Ik pas ‘la dérive’ tot mijn spijt niet veel meer toe in de letterlijk ruimtelijke betekenis ervan, maar volg veeleer een geestelijk parcours, of ik laat me gewoonweg leiden door de zinnen.
Hoewel mijn teksten op drift raken en vaak zijwegen inslaan, overwoekerde paadjes soms, denk ik toch dat er ergens in mij een centrum is dat het allemaal samenhoudt en dat wat ik voortbreng daardoor ook een samenhang bezit. Maar ik wil geen kunstmatige samenhang opdringen aan wat ik schrijf. Ik beschik over geen enkele theorie en dat vind ik goed. (Ook de theorie van ‘la dérive’ hak ik in stukjes en ik kies er daarna de beste uit.) Ik maak geen systeem en ik onderwerp me er ook niet aan.

22 maart 2006. Herzien op 12 maart 2018.

HET CAFÉ VAN DE VERLOREN JEUGD

modiano.jpg

“Als ik zou vallen, zouden de andere mensen op de boulevard de Clichy gewoon doorlopen. Ik hoefde me geen illusies te maken. “
Dat las ik in ‘In het café van de verloren jeugd’, een roman van Patrick Modiano, verschenen in 2007.

Het café van de verloren jeugd was een stamcafé van Guy Debord. Maar zeker niet alleen van hem. Ik heb er gezeten tot voorjaar 2011, al lang voorbij de leeftijd van een oudere jongere. Meermaals ben ik gevallen. Eén keer lag ik een half uur in het midden van de straat, niet meer tot bewegen in staat. De autobestuurders reden langs me heen, de voetgangers vervolgden vrolijk hun weg, nog wat badend in de late zon van een dag in juni. Sindsdien maak ik me weinig illusies. De weinige illusies die ik wel nog heb, houden verband met vriendschap. Alleen je vrienden laten je niet vallen, en als je dan toch valt, laten ze je niet liggen.

BLACK DAHLIA

Palermo2 (1280x865).jpg
Palermo, 23 juni 1998.

Een gloeiendhete zomerdag in Palermo. Er vielen doden bij een afrekening tussen twee families, maar dat las ik pas in ‘La Sicilia’ toen ik me al in Syracusa bevond. Wat hield ik toen van de staccato-misdaadromans van James Ellroy en wat pasten die bij dat oude eiland, Sicilië, vergeven van bloedbaden en schoonheid in verval. In elke straat in Palermo trof je nog sporen aan van bombardementen tijdens de tweede wereldoorlog. Ellroys ‘The Black Dahlia’ was nog niet verfilmd, gelukkig maar. Van Ellroys zinnen kun je geen Hollywoodbeelden maken, of de schrijver zou zelf films moeten maken. Vreemd dat die verfilming zo tegenviel – ik ben lange tijd een bewonderaar geweest van Brian De Palma. Overigens had Givenchy zijn Dahlia Noir-parfum nog niet op de markt gebracht. Nog vreemder – en volledig beantwoordend aan Guy Debords idee van de ‘spektakelmaatschappij’ – dat een parfum wordt genoemd naar een in stukken gesneden vrouw.

Op de foto zit ik in een bus op weg naar de macabere Catacombe dei Cappuccini. Ondanks al de lijken daar – elk grotesk verwrongen lichaam een memento mori – voelde ik me goed op die plaats: het was er rustig en koel, heel koel.

AAN DE WATERTOREN (PRENZLAUER BERG)

wasserturm prenzlauer berg.jpg
Watertoren, Berlijn. Foto: Martin Pulaski

Met de stilte van stille panters en achtergrondgeweld. Moord en doodslag in de zo te horen diepe rust. Een stad die rust en roest en slaapt en een rollerskate leven leidt levert weinig stof voor nieuwe moordverhalen in de stijl van Raymond Chandler en ‘Total Destruction To Your Mind’.  James Cain misschien, afgezwakt door Joan Crawford, door haar quasi-perfecte tics. Afgunstig dat zij nooit een Gloria Grahame kon zijn of worden? Maar de postbode keert altijd terug, ook voor Mildred Pierce. Je moet je rekeningen betalen, ook als je honderd keer van adres verandert.

We zitten hier in symbolisch zand en proberen stil te zijn, weer thuis, al doen we ons best om het te ontkennen. Zoals we de regen ontkennen, en alles wat met visie en spektakel en spiegels en voyeurisme te maken heeft. Het meest spectaculaire vandaag is het boek ‘La société du spectacle.’ De geest van de elektriciteit huilt bittere tranen bij elk woord in dat boek. Vaarwelkussen aan Guy Debord, de dronkaard, een Godard zonder gitaar, zonder camera. Je moet sterk zijn om buiten de wet te leven, niet? Om het allemaal anders te doen. Guy Debord was zwak, dronk zich dood – alles was toch al om zeep, en wat heb je aan zeep als je geen water hebt, alleen maar tequila en mezcal?

In Berlijn wordt het geweld naar het verleden verbannen alsof het al decennia lang vrede is in de wereld en tussen jou en mij. Alsof er geen parasieten zijn, en geen dronken waanzinnige geweldenaars, en bruten die president worden en de wereld willen veroveren vanwege absurde, eeuwen geleden verjaarde belangen. Alsof er altijd vrede was en iedereen iedereen bemint. Zoals in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen napalm een groot deel van onze wereld verwoestte. En toen iemand zong: ‘who is he and what is he to you’? En: ‘what’s going on’? Zelfs onder invloed van heel wat drugs. Alsof we toen van elkaar hielden. Alsof dit en dat en hier en daar.

Maar pils en donkere, bittere wind uit het Oosten brengen niet alleen algebraïsch leugenachtige koningen maar ook slecht nieuws naar het Westen. Van lucht ga je dood, als je niet voorzichtig de straat op gaat, met op zijn minst een masker op. Een, twee, drie. Je hoorde dat je zelfs geen voyeur meer kon zijn in Moskou. Een meter verder was er niets meer te zien dan donker giftig stof. Zo te sterven, met je vleugels van papier? Nee, toch?

Je zit kort bij een watertoren. Een watertoren waar de eerste moorden op woorden werden gepleegd. Men moest zwijgen of… De watertoren. De watertoren. Of als je gezicht onbemind was. Je gedicht niet werd begrepen. Vertel me leugens, of de watertoren. Het vaderland of de dood. Daar dronk je bier tot je erbij neerviel, of toch bijna. Omdat de watertoren zo mooi was. Je kon je het bloed niet voorstellen, het gegil, het gekreun, zo vroeg nog – het regime was net begonnen. De geschiedenis van Europa moest nog een definitieve naam krijgen. Moet ik hem noemen? Lieg maar tegen me, dan lieg ik tegen jou. En daarna gaan we naar zo’n nieuw hotel waar ze karaoke zingen, en dan zingen we karaoke. Wild thing, you make my heart sing, you make everything groovy. But I wanna know for sure.

GEHEIME LEVENS

schrijven,toeval,lente,melancholie,andy warhol,beroemd,vrienden,paul auster,paul theroux,guy debord
Guy Debord

Toevallige dingen die in je leven gebeuren: daar moet je op letten, ze vormen je geheime leven. Dat heb ik van Paul Auster geleerd, en van Paul Theroux ook wel een beetje. Wie had ooit gedacht dat de zoon van Paul Theroux, Louis, beroemder zou worden dan zijn beroemde reizende vader? Paul Theroux heeft een boek, Mijn geheime leven. Er staat niets in over de roem van zijn zoon. Dat kan ook niet, die jongen was toen nog niet beroemd.

Elke mens heeft een geheim leven, een ander leven, een schaduw, een dubbelganger (hij is zelf zijn eigen dubbelganger). Ik bied mijn verontschuldigingen aan de vrouwen aan voor het gebruik van de hij-vorm, de hele tijd. Maar wat doe je eraan? Het zijn conventies.

Ik ontdekte vorige nacht dat een goede vriend van me, die ik al een tijd niet meer heb gezien, ‘beroemd’ is op het Internet. Heel toevallig ontdekt door een tekst van Guy Debord op te zoeken. Ik vertel er nu niets over, ik geef zijn identiteit niet prijs. Eerst met hem over praten. Andy Warhol had echt wel gelijk met zijn boutade dat we allemaal 15 minuten roem zullen kennen. Het is al zo ver.

Ik liep voorbij een etalage en zag een dvd van Buñuel liggen, vijfendertig euro. Een surrealistische grap waarschijnlijk.

Het is wel fantastisch toch dat de lente is begonnen. Maar om daar nu meteen een gedicht over te gaan schrijven? Ik schrijf, denk ik, liever over kelders, junkies, ellendige toestanden, de ‘zwarte zon van de melancholie’ dan over aprilvissen en krokussen en dergelijke meer.

OP DRIFT / LA DERIVE

Je zou de indruk kunnen krijgen dat ik alle kanten op ga met de – meestal autobiografische – verhalen, beschouwingen, gedichten, verwensingen, grotesken en lofzangen die ik hier publiek maak. Ik laat me inderdaad leiden door het toeval, door datgene wat mijn weg kruist, waar mijn oog op valt, door commentaren van lezers, door gesprekken met vrienden en vreemden en vooral door dromen. Ik sla zijpaden in, ik wijk af, ik raak op drift, ik doe aan wat in het Frans ‘la dérive’ wordt genoemd. Guy Debord schreef daar in nummer 2 van het tijdschrift Internationale Situationniste (verschenen in december 1958) onder meer het volgende over:
“Entre les divers procédés situationnistes, la dérive se présente comme une technique de passage hâtif à travers des ambiances variées. Le concept de dérive est indissolublement lié à la reconnaissance d’effets de nature psychogéographique, et à l’affirmation d’un comportement ludique-constructif, ce qui l’oppose en tous points aux notions classiques de voyage et de promenade.”
Ik pas ‘la dérive’ tot mijn spijt niet veel meer toe in de letterlijk ruimtelijke betekenis ervan, maar volg veeleer een geestelijk parcours, of ik laat me gewoonweg leiden door de zinnen.

Hoewel mijn teksten op drift raken en vaak zijwegen inslaan, overwoekerde paadjes soms, denk ik toch dat er ergens in mij een centrum is dat het allemaal samenhoudt en dat wat ik voortbreng daardoor ook een samenhang bezit. Maar ik wil geen kunstmatige samenhang opdringen aan wat ik schrijf. Ik beschik over geen enkele theorie en dat vind ik goed. (Ook de theorie van ‘la dérive’ hak ik in stukjes en ik kies er daarna de beste uit.) Ik maak geen systeem en in onderwerp me er ook niet aan.

INKT EN ALCOHOL: BENEVELDE SCHRIJVERS

hunter thompson

Een fascinerend boek over Guy Debord – door Andy Merrifield – zet mij nog maar eens aan het nadenken over het verband tussen alcohol en schrijven. In veel gevallen lijkt het wel of het bij de edele schrijfkunst om een transsubstantiatie gaat, niet van wijn in bloed, maar van wijn en andere alcoholhoudende dranken in inkt. Ik denk nu aan schrijvers, doordat er in die biografie nogal wat worden genoemd, maar zeer waarschijnlijk gaat het net zo goed op voor andere kunstbeoefenaars. Het grote voorbeeld van de schrijver-alcoholicus is natuurlijk Malcolm Lowry, die minstens evenveel dronk als zijn mytische personage uit Under The Volcano, de consul Geoffrey Firmin.

Ik wil niet alweer een lijstje maken, maar kan toch niet aan de verleiding weerstaan een aantal namen te noemen. Het zijn namen die op mij een onverklaarbare aantrekkingskracht hebben. Onverklaarbaar omdat er tijdens mijn kinderenjaren nooit over schrijvers werd gesproken, tenzij misschien over Hendrik Conscience en Lode Zielens (maar dat waren geen zatlappen, neem ik aan). Ook op de middelbare school werd er weinig aandacht geschonken aan schrijvers: de fragmenten die we te lezen kregen waren ‘leerstof’, zoals de formules in algebra en analytische meetkunde en de voortplanting van de regenworm dat waren. Nu valt het mij bij het schrijven altijd zwaar om geen namen te noemen. Ik denk dat ik meer namen ken dan woorden. Als ik wat zou oefenen zou ik zinnen kunnen maken met alleen maar namen. De aantrekkingskracht van namen kan ik niet verklaren, maar de interesse voor schrijvers die de donkere kanten van het leven opzoeken (en dat gaat vaak gepaard met alcohol en drugs) is bij mij begonnen met een artikel over Edgar Allan Poe in de jeugdencyclopedie ‘Zoek het eens op’. (Ik heb nu heel sterk het gevoel dat ik dit hier al eens een keer heb verteld.) Ik was ongeveer dertien toen ik Tales Of Mystery And Imagination las (in Nederlandse vertaling). Kennelijk dronk Poe niet echt heel veel, maar kon hij geen drank verdragen. Wat later kwam Dylan Thomas in mijn leven, die ik dank zij Bob Dylan leerde kennen. Over Bob Dylan weten we weinig, maar velen beweren dat hij zijn ooit zo expressieve stem naar de verdoemenis heeft gezopen. Ooit hoorde ik Richard Burton, een notoire dronkaard, Under Milkwood voorlezen. Prachtige stem. Als ik me niet vergis was het ook zijn stem die fragmenten uit Under The Volcano ten gehore bracht in een documentaire over Malcolm Lowry. Dylan Thomas dronk zich dood in een New Yorkse bar. Fernando Pessoa, een van de grootste dichters uit de 20ste eeuw stierf van een stukgedronken lever. F. Scott Fitzgerald was een alcoholist. Ook hij kon volgens zijn biografen slecht tegen de drank. Hemingway kon er wel goed tegen, maar schoot zich toch maar een kogel door de kop toen hij ten gevolge van het vele zuipen in Parijs en alle andere swingende steden van de wereld begon af te takelen. Richard Brautigan volgde het voorbeeld van zijn meester. Als Alfred Jarry geen geld had voor wijn of absinthe dronk hij zijn inktpot leeg. (Hoe goedkoop was die inkt dan?) Zijn eten ving hij in de Seine. Onlangs maakte Hunter Thompson er wegens verregaande aftakeling een eind aan. Ik kan nog wel een tijdje doorgaan, maar mijn geduld is op. Ik wil dit stukje beëindigen met degene waarmee het allemaal begonnen is, de leider en bezieler van de Internationale Situationniste, de grote filosoof en filmaker en revolutionair: Guy Debord. Guy Debord schoot zich een kogel door het hart. Waarom toch?

Foto: Hunter S. Thompson