DE WENK VAN ASSEPOESTER

[Nachten aan de Kant 31]

Niets schijnt mijn nachtelijk verlangen naar roes en extase, naar de nabijheid van vreemde dansende lichamen te kunnen temperen. Vreemd zijn de mensen op de dansvloer omdat ze niet spreken, alleen maar bewegen, dichtbij omdat ze net als ik lustgevoelens uitwasemen en in hun gebaren de nood aan aanraking verraden. Wijst dit verlangen van mij op een sterke verwevenheid van eros en thanatos, of is dat een al te freudiaanse interpretatie?

De voorbije twee weken beleefde ik opnieuw van die intense nachten die vooral mijn zintuigen ontregelden. De eerste nacht hoorde ik voor de zoveelste keer de lokroep van de vochtige kelder die Cinderella’s Ballroom heet. Bizar toch, die naam: de balzaal van Assepoester. Maar ook wel gepast want gedanst wordt er de hele nacht en bijna alle jongens en meisjes – ik kan ze moeilijk mannen en vrouwen noemen – hebben extravagante schoenen aan hun voeten, al zijn ze niet van glas. Over de rode schoentjes van Senga had ik het al eerder. Mogelijk liggen de punkmeisjes die er ’s nachts komen dansen overdag in lompen gehuld dicht bij hun kolenkachels in de assen te slapen.
Alles in de balzaal van Assepoester is opwinding en genot en tegelijk zelfvernietiging en pijn. Voor mijn gezondheid en mijn zenuwen zijn dergelijke nachten nefast. Mijn longen verstikken in de rook, in de stank van de riolering; mijn poriën raken verstopt van het zweet en andere exhalaties. Je bent er niet veel meer dan je lijf, met lijfelijke driften en behoeften. Of bevat de muziek die DJ Maryse draait – songs zoals Ain’t That Nothing van Television, Police and Thieves van the Clash, Step By Step van Mikey Dread, Cheree van Suicide – een minder aards element, draagt zij impulsen over die je onbewust weer meeslepen naar het engelachtige niveau van de gedichten van Shelley en TS Eliot waarin je je overdag hebt verdiept?

Eerder die avond was ik in het Pannenhuis. Er was een tentoonstelling met gigantische, tijdloze werken van Frans Gentils, adembenemend mooi. Dergelijke doeken zie je doorgaans alleen maar in luisterrijke zalen van musea hangen maar nu kon je ze hier, in deze zogeheten nihilistische new wave artiestenkroeg bewonderen. Na de vernissage was er een rhythm and blues en reggae party, maar daar zijn we niet al te lang gebleven. Assepoester en haar dubbelgangsters Lucette, Alicia en Hadaly lieten opnieuw hun lokroep horen.

Zondagochtend om acht uur strompelden we de trap op, lijkbleek, mager, mooi als bijna verwelkte orchideeën. We haastten ons niet meteen naar huis: ik had er alles voor over om eerst nog de Schelde te zien. In haar nabijheid zou ik verlost worden van de donkere gevoelens die mij kort voor de dageraad hadden overmeesterd. De warmte van de zon, de verkoelende frisse wind die ons van de rivier tegemoet waaide. De meeuwen fladderend boven het met lichtvlekken doorspekte donkere water. Aan de overkant van de brede rivier de flatgebouwen van goud, waarin mensen zoals wij liggen te slapen. Opeens heb ik het gevoel dat alle dingen om mij heen transparant worden. Ik kijk naar Senga en zie een doorzichtige engel, haar handen, haar ogen. Ik voel de vernietigende elektriciteit en het gif in mijn lichaam als vampiers wegvluchten voor dit verblindende licht.

De tweede nacht begon op een vernissage van Guillaume Bijls tentoonstelling in Ruimte Z: transformatie van de galerij in een Autorijschool Z. Sinds 1977 had ik het werk van mijn vriend van nabij zien evolueren. Hij zag in alle geledingen van de maatschappij het economisch denken de overhand nemen. De hele samenleving en al het mooiste en voortreffelijkste in de mens zou al gauw worden opgeofferd aan efficiëntie en nut. De taal die van bovenaf naar beneden druppelde was die van managementsidioten en omhooggevallen parasieten. Guillaume ging nu met veel gevoel voor humor en ironie, maar ook bijzonder kritisch, de kunst vanuit die optiek benaderen: zo ontstonden zijn kunstliquidatieprojecten. Dit was zijn eerste: zoals Assepoesters goede fee een pompoen en een stel muizen omtovert tot een koets met paarden, veranderde Guillaume Ruimte Z in een autorijschool. Al was zijn kunstgreep het tegenovergestelde van feeëriek. Er zouden in de volgende jaren nog heel wat van die projecten volgen.
We waren er samen met Gabrielle D., die waarschijnlijk bij ons in de Dolfijnstraat zou intrekken, en met Giuseppe. Ik voelde me opnieuw gezond, uitgerust en in een prima stemming. Dat bleef de hele avond en nacht zo. Geen uitbundig de nacht wegdansen dit keer, maar lachen, praten en samen drinken. Onderweg naar een café aan de Kant heb ik in Sint-Katelijne Vest aan het witgeverfde beeld van de lijdende Jezus geknield zitten bidden. Tranen van geluk rolden over mijn wangen. Wat vonden mijn maatjes van mijn performance? Van de rest van de nacht herinner ik mij weinig. Het gebeurt almaar meer dat er na zo’n nacht gaten in mijn geheugen zitten. Ik geloof dat ik Gabrielle over mijn mislukte voordracht over Dante’s Paradiso vertelde. Die was door een verkeerde aanpak misbegrepen. Ik had mijn redevoering sarcastisch bedoeld, om met het sérieux van sommige academici en intellectuelen de spot te drijven, maar omdat ik een onervaren en schuchtere spreker ben en bovendien een middelmatige acteur, werd die als een ernstig vertoog geïnterpreteerd. Het publiek was ervan overtuigd dat ik mij had overgegeven aan etherische visioenen van het paradijs en dat ik Dante’s geometrische schoonheid bejubelde. Ze hadden mijn lectuur van Dante al te romantisch en wereldvreemd gevonden. Terwijl ik met Gabrielle over die mislukking zat te praten kon ik er eindelijk mee lachen. Dat herinner ik me nog.

De volgende dag bij het ontwaken de eeuwige kater. Niemand heeft dat soort lusteloosheid beter uitgedrukt dan Kris Kristofferson in Sunday Morning Coming Down. ’s Avonds bij Guillaume en Renée ging het al beter. Op televisie zagen we the Patti Smith Group live in het schitterend programma Rockpalast. Patti Smith liet nog een keer zien dat ze de hogepriesteres van de hedendaagse rock-n’-roll is. Een spirituele en tegelijk laag-bij-de-grondse sjamaan, een punkmeisje, een afstammelinge van Elvis Presley en een jongere zus van Jim Morrison. Haar intentieverklaring was So You Want To Be A Rock And Roll Star, oorspronkelijk van the Byrds. You’re a little insane, krijste ze; het klonk als een bezwering, een mantra. Samen met gitarist Lenny Kaye en de andere muzikanten van haar band riep zij de geest op van acidrock, de sound van Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service en the Doors, lange gitaarsolo’s, ijle en dromerige muziek. Ik hoorde nostalgie naar de gouden tijd van vrede en liefde maar net zo goed ontwaarde ik in haar gestes en gymnopédie de convulsieve schoonheid van André Breton. Met haar toeschouwers leek Patti Smith brutale seks te willen hebben. Ze besefte dat ze nooit eerder voor zo’n groot publiek had gespeeld, heel West-Europa was haar potentieel publiek. Dat maakte haar zichtbaar gelukkig maar ook enigszins bezeten en overmoedig. Ik voelde diep van binnen dat er iets neerdaalde, een vonk van herinnering aan een hoopvolle tijd en de belofte van verandering, ginds in dat concertgebouw in Essen.

Foto’s: Martin Pulaski

NACHTEN AAN DE KANT (10): BLOED

marc+ik-1974

Eind januari 1978. Marc Didden staat onaangekondigd voor de deur, wat niet ongewoon was: bijna niemand van ons had in die tijd telefoon. Toch was ik verrast, vooral omdat we elkaar al lange tijd niet meer hadden gezien. Ooit waren we de beste vrienden: we zaten middagen lang over muziek te praten en jasmijnthee te drinken, gingen samen naar concerten in Théâtre 140 en Vorst Nationaal, zongen liedjes van the Kinks, the Rolling Stones en Creedence Clearwater Revival wandelend in het Zoniënwoud. Nu staat Marc, ondertussen een gerespecteerd popjournalist, in mijn werkkamer met uitzicht op de winterse Zurenborgse tuintjes, nog wit van de nachtelijke vorst. Mooie kamer heb je hier, zegt hij. En waar ben je zoal mee bezig? Ik blijf het antwoord schuldig. Wat ik doe kan ik moeilijk in woorden vatten. Het is allemaal één lang onderzoek, één lang experiment, één lange droom van proza en poëzie. Met cesuren van dansen en alcohol, met uppers voor de concentratie en downers om te kunnen slapen. Hoe leg ik dat uit aan mijn oude vriend? Dit ontregelend werken op weg naar een uitweg uit het labyrint? De mythe van Theseus en Ariadne? Nee, dat is te hoogdravend. Te weinig Bo Diddley en Chubby Checker, te weinig Keep On Chooglin’.
Later zitten we op de begane grond in de immense, betegelde keuken die tegelijk ook living en dansvloer is. Deze ruimte is niet onderkelderd: je mag er met je voeten stampen en springen, dat maakt allemaal niet uit. Uit de luidsprekers Mink DeVille’s eerste langspeelplaat, Cabretta. De muziek van Willy DeVille en zijn band is zowel verleden als toekomst. Het is geen punk, het is geen new wave, maar het is zeker niet het gnoomachtig gepriegel van bands als Yes en Emerson, Lake & Palmer. Mink DeVille is rock-‘n’-roll van nu, soul van nu, rhythm and blues van nu. Hoor je die sound, Marc, dat is het werk van de onovertroffen Jack Nitzsche. Marc kent Jack Nitzsche nog van weleer, van de Phil Spector sound, van Crazy Horse. Hij was de man achter het betoverend mooie arrangement van Neil Young’s Expecting To Fly, terug te vinden op Buffalo Springfield Again. We praten over Talking Heads, Blondie, Sex Pistols, the Clash, wat we als hoopgevende ontwikkelingen in de popmuziek beschouwen. Ken je the Stranglers, vraag ik hem. Nee, zet eens op, zegt hij. Met songs als Hanging Around, Peaches en (Get A) Grip (On Yourself) vond ik Rattus Norvegicus toen geweldig. Sindsdien is mijn liefde voor dat album bekoeld. Ondertussen drinken Marc en ik Southern Comfort. Marc heeft me op een keer in een van de vele flatjes waar hij kortstondig verbleef van die zoete drank uit Louisiana laten proeven: ik was meteen verkocht. Wat hebben we toch veel van elkaar geleerd, het meeste toen we nog studenten waren aan de filmschool. Je hebt niet echt veel tijd nodig om je leven te veranderen, in goede of in slechte richting.

1978-1980-AURORA 1 001 (2) renee strubbe

Een dag later heb ik met mijn moeder Scrabble gespeeld. Ik ben nog gauw een spel gaan kopen in de boekwinkel op de Dageraadplaats. Terwijl we daar geconcentreerd zaten te spelen, de van Dale bij de hand, stonden Guillaume en Renée opeens in de kamer. Senga, die niet graag speelt, had hen binnengelaten. Als Guillaume er is lijkt de reusachtige ruimte minder groot. Hij heeft présence, zal ik maar zeggen. Guillaume is haast meteen familiair met mijn moeder. Moeders laten hem niet onberoerd. Hij is niet zo’n wereldvreemde kunstenaar, iemand die zich superieur voelt aan gewone mensen. Hij is zelf een gewone mens en tegelijk ook heel ongewoon. Hij neemt de mensen zoals ze zijn en behandelt iedereen gelijk. Zo werd het stilaan donker.

Als ik worstel met mijn ideeën en denkbeelden, als ik mijn gedachten niet goed uitgedrukt krijg, zie ik soms plotsklaps Maldoror, het personage uit Lautréamont’s De zangen van Maldoror, voor me. Om middernacht duikt ergens in Parijs, aan de Bastille of de Madeleine, opeens een omnibus op. Het lijkt alsof hij van onder de grond tevoorschijn komt. Er zitten mensen bovenop met onbeweeglijke ogen als dode vissen. De omnibus, die zich haast om de eindhalte te bereiken, verslindt de afstand en ratelt over keien. Hij snelt voort. Maar hardnekkig achtervolgt hem een vormloze massa, te midden van wolken stof. Ik houd zo van die tekst, van zijn ritme, zijn beweging. Soms maakt hij me woedend, want staat hij daar niet te schitteren als wat? Als een perfecte metafoor van mijn, van onze machteloosheid? Die van ons allen hier aanwezig, wij die met onze bijna dode vissenogen door het lot worden meegesleept.

Een week later zitten we in de Lange Leemstraat in het appartement van Renée en Guillaume te praten en te drinken, één oog op de televisie gericht, soms twee ogen. Of acht. Sommigen noemen het de treurbuis, maar voor ons, Senga en mij, is het een magische doos: wij zullen ons pas in 1984, het jaar van Big Brother een toestel aanschaffen. Ook vanavond projecteert Guillaume weer enkele van zijn home movies. Na die goed gevulde en gemoedelijke avond wandel ik met Senga naar Cinderella’s Ballroom. Ik schrijf zoveel liever Cinderella’s Ballroom dan Cinderella, ook al moet ik er meer toetsen voor aanslaan en wordt zo de mogelijkheid groter om meer typefouten te maken. Om over de slijtage van het klavier van mijn laptop nog maar te zwijgen.

In Cinderella’s Ballroom tref ik opnieuw Marc, nu samen met zijn vriendin Denise. Hij bekijkt me nogal argwanend, vind ik. Wat doet hij hier? Waarom blijft hij niet in Brussel? Dit is toch ons territorium? Wij zijn die mensen met de bijna dode vissenogen. Ach, jongen toch, je wordt nu toch wel wat paranoïde. Dat zullen die pillen zijn. Rustig maar. We hebben allemaal van die ogen.
Een uur of zo later zie ik Luc Deleu een drankje bestellen. Dat is wel heel vreemd. Toen ik nog in Brussel woonde met mijn gezinnetje en filosofie studeerde was hij een goede vriend. Wat ziet hij er slecht uit. Vissenogen zo dood als een pier. Een schim van zijn vroegere zelf. Maar dat zal ook wel een vertekening zijn. Wat is er toch met me aan de hand? Te veel met mijn neus in moeilijke boeken gezeten en dan ook nog eens dat gezwoeg aan Stasis, die supermoeilijke tekst. Giuseppe blijft maar herhalen dat ik eenvoudiger moet schrijven. Met van die ingewikkelde teksten zal ik nooit succes hebben, zegt hij keer op keer. Je moet zo schrijven dat gewone mensen je ook kunnen lezen. Maar ik ga er tegen wil en dank mee door [1]. Luc Deleu is bij het leger. Dat verklaart veel over zijn uiterlijk. Waarom is hij geen gewetensbezwaarde? We moeten brullen om ons verstaanbaar te maken. De platen die Maryse draait brengen je in een roes maar maken verbale communicatie onmogelijk. Je komt hier niet om te praten. Bovendien lijkt het erop dat Luc en ik al vreemden voor elkaar zijn geworden. En waar zijn Marc en Denise nu? Al vertrokken, zegt Senga.

Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan [2]. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

lautreamont

[1] Tot ongeveer 1984. Dan wordt het op literair gebied enkele jaren heel stil, maar dat is een andere geschiedenis.
[2] Punk is een geestesgesteldheid, meer dan een imago. Je hoeft geen uniform te dragen om toch punk te zijn. Punks zijn individualistisch, niet communistisch, geen massamensen. The New York Dolls waren punks zonder zich in leer te hullen. Er zijn heel wat voorbeelden, ik ga ze hier niet opsommen. Alleen Blondie nog even noemen.

Afbeeldingen: Met Marc Didden in Oostduinkerke, 1974; Renée Strubbe; Isidore Ducasse alias Comte de Lautréamont.

DE APANCHENDANS VAN MAX BECKMANN

Beckmann,Max Departure, 1932-35.jpg

Max Beckmann, Het vertrek, 1932-135

Drie weken geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens vertelde ik de geschiedenis van een foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky door Daniel Kramer. Ik besefte echter al gauw dat ik voor ik mijn grote voorbeelden kon behandelen eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer kunst en literatuur mij hebben gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-monografieën over Belgische kunstenaars. Een volgend hoofdstuk ging over de rol van Salvador Dalí, een kunstenaar die aanvankelijk zeer veel indruk op me maakte, maar die ik later als een charlatan ben gaan beschouwen. Dat laatste impliceert niet dat ik meteen het hele surrealisme heb verworpen, wel integendeel. De geschiedenis van mijn overgave aan het surrealisme, mijn surrealist-worden, komt wellicht later aan bod.

Maar hoe zit het nu met Max Beckmann? Om eerlijk te zijn weet ik het niet zo goed. Ongetwijfeld is er een verband met Vincent Van Gogh en het expressionisme, een kunststroming die me al vroeg nauw aan het hart lag. Waarschijnlijk werd mijn interesse daarvoor gewekt door de De Sikkel-boekjes over James Ensor, Henri Van Straten en Frans Masereel. Voilà, ik sta weer te plassen in een urinoir in het Koninklijk Atheneum… Gelukkig was het niet dat van Marcel Duchamp want in dat geval zat ik nu nog altijd in de schulden.
Wat ik me nog herinner is dat ik omstreeks 1968 in een of ander cultuurtijdschrift een kleurenreproductie aantrof van Max Beckmanns ‘Apachentanz’ uit 1938.

max_beckmann_apachentanz_1938_kunsthalle_bremen_der_kunstverein_in_bremen_foto_larslohrisch_vg_bild_kunst_bonn_2012.jpg

Het werk, zelfs in deze povere kopie, sprak me meteen aan. Er waren de hevige kleuren, oranje, blauw en geel. Het beeld had iets carnavelesks – wat me deed denken aan sommige taferelen die ik me uit mijn dromen herinnerde, en ook aan Carnaval in Maastricht en Hasselt, waar ik in die dagen nog niet op neerkeek. En waar ik nu soms naar terugverlang. De lichamen van de twee dansende ‘Apachen’ hebben helemaal niets lenigs of extatisch; eerder zijn ze verwrongen, verkrampt. De vrouwelijke figuur zou net zo goed dood kunnen zijn. Defunctus. Het gelaat van de man lijkt droefheid, melancholie, verbittering uit te drukken. Bevinden de dansers zich op een podium? Op de gezichten van de ‘toeschouwers’ rondom hen zie je vooral grimmige blikken. Hun donkere gestalten hebben iets onheilspellends. Houdt dat verband met de omineuze groene figuur op de achtergrond?
Later las ik dat Beckman het werk schilderde toen hij in ballingschap leefde, in Amsterdam. Op 19 juli 1937, dag van de opening van de Entartete Kunst in München, was hij met zijn vrouw Quappi daarheen gevlucht. Max Beckmann zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Gedurende zijn periode in Amsterdam (1937-1947) voltooit hij enkele van de grootste kunstwerken uit de 20ste eeuw.
Maar nogmaals, dat wist ik allemaal niet toen ik die reproductie uitknipte. En ook niet toen ik ze met me meenam naar Brussel, waar ik film ging studeren. Op mijn kamer in de Karmelietenstraat had ik de ‘Apachentanz’ tegen de muur gekleefd. In die periode (1969-1970) raakte ik bevriend met een andere filmstudent, Guillaume Bijl, die een nogal wild leven leidde en heel veel wist over kunst. Af en toe bleef hij in mijn kamer overnachten, hoewel dat niet het juiste woord is. Het was overdag dat hij in mijn bed kwam slapen, als ik zelf op de filmschool zat. Hij was dan uitgeput van een hele nacht dansen met een of andere miss België. Ik vermoed dat hij me ‘sympathiek’ vond omdat ik van the Rolling Stones en Dylan hield en meer nog vanwege die kleine Max Beckmann in mijn kleine kamer. Dat ik op Roman Polanski leek  – in zijn ogen toch – droeg er denk ik eveneens toe bij. Als we elkaar ontmoetten was het altijd: ‘Dag Polanski’, ‘Hallo Fellini’, want hij leek dan weer op Federico Fellini.

Wat mij betreft was het niet door de gigantische artistieke waarde van het werk van Max Beckmann, waar ik toen maar een vermoeden van had, maar door een prentje aan de muur dat ik een vriend werd van een heel eigenzinnige kunstenaar, van wie ik de volgende jaren erg veel zou leren. In die eerste maanden in Brussel besefte ik pas ten volle dat vriendschap misschien wel van het grootste belang is voor het verwerven van kennis en inzicht in culturele aangelegenheden (en niet alleen daarin). Via Guillaume Bijl leerde ik veel over kunst en kwam ik later in Antwerpen in aanraking met veel andere unieke en boeiende kunstenaars, die vaak ook bijzonder lieve mensen waren. Hen ben ik allen dankbaar.
guillaume_bijl.jpg
Guillaume Bijl

VOOR EN NA DE REGEN 2

jandepooter

2.

Een nachtelijke ontmoeting in een huis in opbouw in Londerzeel. Malletje, Sarah (haar naam leer ik pas later kennen, de smaak van haar lippen). Negentienjarige zielsverwanten kickend op The Free.

Mijl in Londerzeel. “Ik ben de roadmanager van Jethro Tull” zegt hij & mag gratis binnen. Zijn Albert Ayler geeft hij me in ruil voor een dag Bed Peace met ex-miss België. Later voegt Rina zich aan Mijls zijde, mijn beste televisieavondvrienden. Bij jullie zag ik Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Van Kooten & De Bie. Waar ben je, Rina, zijn er nog sporen van je ziel, stofjes in de lucht die ik inadem? Wat is er met je boeken gebeurd? Met je geliefde Claire Goll? Ik mis je middernachtgesprekken, met letterlijke citaten uit interviews in de Humo – die ik zelf weigerde te lezen.

Marie liepen wij – ik was toen al een wij – jaren later in Rome tegen het lijf. Nee, mijn geheugen bedriegt me, ze fietste ons tegemoet op de Corso. Marie, die me aan Griet herinnert, Antwerpse junkie, en dan was er die andere uit de Middaglijnstraat in Schaarbeek, die in onze punkwoning in de Palfijnstraat onderdak vond & toch weer aan de spuit ging. Duchateau met zijn blikken doosjes. Met zijn pervitinepilletjes. Met – vele jaren later – zijn videocamera op onze huwelijksdag. Waar is die verdomde video, vriend? Ik wil zien wie wij waren in januari 1999 toen we innerlijk bruisend over de Anspachlaan liepen.

Ook Monique mag ik niet vergeten. Uit Alken. In mijn armen in Hasselt. In Blankenberge. Mijn eerste genotsvlees. Haar liefdesbrieven bewaar ik in een doos waar rode schoentjes in hebben gerust, die dansten op het ritme van the Slits, Clash en Television. Grijsgedraaide platen, brieven witgelezen

Paul V in Bilzen. Een Face, zoals ik. Een hele regenachtige middag speelde ik in zijn dichtbevolkte kelder ‘impromptus’ op de piano en zong de ziel uit mijn lijf. Bij The Small Faces in Diepenbeek kuste ik een Flower Power meisje. We waren twee uur lang lovers & ze dronk van mijn zakflesje Gordon’s Gin. Was ik niet zelf een Steve Marriott, een magere Tin Soldier, met lange haren & een hippe zonnebril, die ik in Maastricht had gekocht. Liefde op het eerste gezicht. Hoe heette je toch? Heb je nog altijd die modzonnebril van me? Denk je nog aan ons gekus als je de bril uit je oude prullendoos tevoorschijn haalt? Voor ons was de muziek het sacrale. Dylan’s It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry, the Pink Floyds See Emily Play, the Pretty Things’ Hey Rosalyn.

Op mijn eentje op het voordek van het ouderlijk schip. Bij het binnenvaren in het Straatsburgdok liet ik de beat weergalmen: Substitute, It’s My Life (“and I do what I want”), I’m Free, All Day And All Of The Night. Of ik zat te lezen in het provoblaadje Lynx in café de Dolfijn in Maastricht, in café Skalden in Hasselt, Witch Doctor op de jukebox, Child Of The Moon. Kickend op Mick Jagger & Keith Richard, It’s The Singer Not The Song, Got To Get Away. Een avond in juni, 1967, in the Mecca in Londen, dansend met de kleine Johannes en Lucas en de meisjes. Overal in de swinging London straten Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band en Are You Experienced?.

Mei 1968. Kicken op Let’s Spend the Night Together, Matilda Mother & op mijn eigen experimenteel toneelstuk “De droom”, waarin de in werkelijkheid voortdurend gepeste en verstoten Kikkeroog – zo werd hij genoemd, ik ben zijn voornaam vergeten – van het getreiter werd gered. Een catharsis zonder dat wij het wisten. Kickend in de kelder van het Atheneum op The Velvet Undergrounds Sister Ray, met Popov & Fiat de andere spitsbroeders. In “De droom” zaten zolang het stuk duurde drie kortgerokte meisjes zwijgend neer. Zitten, zwijgen en mooi zijn. Meer mocht niet van de prefect. Meisjes die samen met jongens repeteerden, dat was des duivels, vond de prefect. Korte rokjes en lange haren waren al schandalig genoeg.

Zo heb ik de draad toch weer te pakken: vriendschap is het allerhoogste, zoals ook Montaigne wist.

Foto: Jan Depooter (Kleine Johannes)