MOGELIJKHEDEN WAAROVER MENSEN MOETEN KUNNEN BESCHIKKEN

modigliani.jpg

Amedeo Modigliano, Nu couché aux bras levés, 1916. (De emotionele hechting van de schilder aan zijn model.)

Ook al geloof ik niet in essenties, al niet meer sinds ik me op mijn dertiende afkeerde van het katholicisme, moet ik soms toch tot een bepaalde vorm van essenties, van geboden, richtlijnen, morele normen, terugkeren. Zoals Martha Nussbaum doet in haar diepgravend werk over de menselijke emoties, ‘Oplevingen van het denken’. Essentieel voor Martha Nussbaum is bij de mens het mededogen. In een hoofdstuk getiteld ‘Mededogen in het publieke domein’ somt zij de tien – voor haar – belangrijkste mogelijkheden op waarover mensen moeten beschikken. Ik wil er op dit ogenblik een daarvan nog eens onder de aandacht brengen, met name de mogelijkheid in verband met de emoties zelf (die lijkt mij, zeker in de context van haar boek, de meest pertinente):

“Mensen moeten de mogelijkheid hebben zich te hechten aan dingen en mensen buiten zichzelf, ze moeten mensen kunnen liefhebben die hen liefhebben en om hen geven en verdriet kunnen hebben als die er niet zijn; in het algemeen moeten mensen de mogelijkheid hebben liefde, verdriet, verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te ervaren. De emotionele ontwikkeling van mensen mag niet worden verijdeld door angst en vrees.”

Waarmee ik niet wil zeggen dat de negen andere belangrijke mogelijkheden die Nussbaum opsomt voor mij onbelangrijk zijn. Je kunt ze terugvinden op pagina 357 van haar boek, een werk dat iedereen die om zichzelf en om andere mensen geeft, en niet alleen om andere mensen, maar ook om dieren en planten, zou moeten lezen, ook al is het soms een harde noot om te kraken. Maar om bewust en weldoordacht het goede te kunnen doen moet je je soms al eens inspannen.

VAN REGEN WORD JE NIET ZIEK

antwerpenstation1.jpg

Je hebt gelijk. Van regen, ook niet van de grillige en wrede van eind april, word je niet ziek. Zelfs niet als je uit een beschimmeld katholiek klooster naar buiten stapt, met je hoed op, het vilt al gauw stinkend door de beenderlijm die nat wordt, en je een doolhof betreedt van vrome chassidische straten. Niemand buiten zijn huis, buiten zijn kamer. It’s a wide open road, denk je. Maar dat is slechts schijn. Je kunt niet zomaar kiezen waar je gaat. Er zijn de beperkingen die je lichaam je oplegt. Je ontmoette een paar uur geleden nog een man die je meedeelde, van elke drie van onze leeftijdgenoten heeft er nu een kanker. Dat zei hij, dat mocht, het was tijdens een nacht van de poëzie, in dat klooster.

De bloem die me werd toegeworpen nam me de biecht af. Niet dat het een echte biecht was: ik vertelde dat ik toen ik nog gelovig was nooit had gezondigd. Ik moest elke keer – hoe vaak was dat? – mijn zonden verzinnen: ongehoorzaam, onoplettend, slordig; uiteindelijk ten prooi gevallen aan onkuise gedachten. Die onkuise gedachten hebben mij op het slechte pad gebracht, wat ik nu een goed pad vind, want dat rechte pad ging helemaal in de verkeerde richting, hemelwaarts, waar de leugens heersen van degenen die ons eeuwenlang hebben onderdrukt. In grotten, holen, labyrinten, tussen varens, op heirbanen, snelwegen, in donkere en vals verlichte steden.

Had ik toen ik zo jong was maar geweten dat het goed is te zondigen. Maar je weet nooit iets, tenzij het al laat is, donker wordt, in de herfst, als je moeder en vader begraven zijn en veel van je vrienden je de rug hebben toegekeerd.  Maar kijk, dat heb ik de waterlelie, nat waren haar voeten, opgebiecht. Waarna ik op straat stond, zoals ik al zei, tussen de schimmen, de afwezige chassidim. Waar zijn ze toch allemaal naartoe? Tien jaar heb ik in die buurt gewoond, voor hen op de bel gedrukt, in de keuken het gasvuur gedoofd, hen in het Stadspark geobserveerd, waar ze nu ook niet zijn, alleen wat joggers – en goudvissen in het water. Vreemd. Ik heb het niet zo voor Zionisten, degenen die Palestina koloniseren, maar toen in mijn straat een bom ontplofte in een bus vol joodse kinderen, heb ik begrepen dat de vijand van elke kant komt. Maar waarom komt de vijand van elke kant? Waarom is er een vijand? Dat heb ik nooit begrepen en misschien wil ik het niet begrijpen.
Wat ik nu wel begrepen heb is dat de regen niet ziek maakt, want ik ben nu al drie dagen thuis en ik ben nog altijd niet ziek. Nochtans heb ik er veel voor gedaan om het te worden.

Met natte kleren aan en mijn hoed druipend van de aprilregen zat ik bier te drinken bij een Libanees. Daarna lag ik mij te masturberen in een kleine kamer in de Diamantwijk, tot ik bijna blind werd van het licht. En dat zonder muziek! Ik streelde mezelf om de geur van de stad te vergeten, de geur van het vergaan, van afwezigheid, van riolen en donkere moerassen. Het vochtige land waarop de kathedraal, de Boerentoren en alle huizen die zich binnen de grens van de Eroev bevinden, werden gebouwd. Ik streelde mezelf om mezelf terug te vinden, en jou, die ik altijd overal zoek.

 

 

BOEKEN, DOODSKISTEN, BEGRAAFPLAATSEN

beach.JPG
Martin Pulaski, Portugal, 2010.

Ik was mijn boeken van de ene stapel naar de andere aan het verplaatsen. De boekenrekken hier in de kamer lijken op een file op de van diepe putten voorziene Vlaamse wegen. Af en toe glipt er nog eens iets, iemand tussen, maar met grote risico’s (beschadigde kaft, niet meer terug te vinden, bloedsporen in de sneeuw…). Veel stapels worden het. Die accumulatie van woorden en zinnen doet me aan mijn sterfelijkheid denken – dat weet je al. Sartre noemde boeken ooit kleine doodskisten. Wat gebeurt er met al die boeken als ik sterf, als mijn levensgezellin sterft? Mijn zoon in Parijs heeft er geen plaats voor. Liefde misschien wel. Maar we hebben er nog nooit over gepraat. Praat je over zulke dingen met je zoon? Ik zou hem kunnen vertellen dat ik graag op Montparnasse begraven wil worden. Maar daar is nog minder plaats dan in mijn rekken. Alleszins wil ik onder de grond, mijn zoon, zodat ik niet geheel nutteloos uit de wereld verdwijn. De wormen zullen mij wel lekker vinden. Denk je niet? Ik drink graag porto, dus dat moeten ze al niet aan het sausje toevoegen.

Versta me niet verkeerd. Ik ben atheïst, wat niet hetzelfde is als ongelovig. Maar ik wil zeker geen ‘begrafenis’, geen plechtigheid in een katholieke kerk. Ik wil nog minder een plechtigheid in een crematorium. Dat vind ik het ergste van het ergste. Niet alleen vanwege de afgrijselijke muziek, maar ook en vooral vanwege de aard van die oorden, dat lege, dat miserabele, die sfeer die aanzet tot haastige spoed, laat het hier maar gauw gedaan zijn, zodat we pinten kunnen gaan drinken en over onze toekomstplannen praten, of, in het slechtste geval, over het verleden.

Begraaf mij ergens in de grond, in Haspengouw, in de provincie Luxemburg, of ergens dichtbij de Schelde. Want in New Orleans of op een andere  begraafplaats aan de Mississippi zal wel niet kunnen en niet mogen. En evenmin zal het mogen in de vruchtbare Umbrische aarde, of ergens in een witte dorpsbegraafplaats in Andalusië of in het westen van Ierland.
En zing liedjes. Draai geen liedjes op een of ander apparaat. Zing liedjes. Speel ze. Dans. Een lijst heb ik nog niet. Maar ik zal er rekening mee houden dat het eenvoudige songs moeten zijn, zodat iedereen mee kan spelen en zingen. Matty Groves zou ik wel op prijs stellen, niet dan, maar nu.

Tijdens mijn onzinnige werkzaamheid sloeg ik een boek van een van mijn geliefde hedendaagse schrijvers, Hanif Kureishi, open en las dit: “It reminded me of our society’s implausible commitment to optimism, and how much the depressed are hated”. Dat staat in zijn ‘Something To Tell You’, een geestig boek dat zich tot mijn generatie richt en de generatie die na mij is gekomen. Ik herinner me nog heel goed hoe ik instemmend knikte toen ik deze zin voor de eerste keer las. Ik voelde me ellendig op mijn werk. Dacht dat iedereen me haatte en dat ik niets meer waard was. Natuurlijk is dat subjectief – ik betwijfel het zeer dat iemand met haatte. De kans is veel groter dat men onverschillig was. Maar dat opgefokte optimisme, daar vergis ik me niet in. Iedereen had plannen en over alles (en ik bedoel echt alles) werden plannen gemaakt. Niets werd aan het toeval overgelaten. De plannen waren waterdicht. Iedereen was veilig en ingedekt. ’s Avonds zat iedereen voor het scherm, en van de prins geen kwaad. Iedereen ging met zo’n vooruitzicht voor ogen tevreden naar huis. Wie had een linkerbeen? Wie doffe ogen ’s morgens. Maar na vijf vuile koffies begonnen de plannen weer wild in het rond te zoemen. En ik wachtte af in mijn web, tot het aan mij was om een fijne plaats te krijgen in een van hun perfecte plannen.  Helaas was ik een perfectionist, waren de plannen niet perfect, en was ik nog minder perfect. Een perfectionist is bijna per definitie voortdurend ongelukkig, en maakt de anderen ook vaak ongelukkig omdat hij zoveel van ze verwacht. Een perfectionist bereikt nooit de top, dat kan hij niet. Meestal wordt hij omhoog geduwd, naar een plaats waar hij onschadelijk is. Zodat de anderen hun zin kunnen doen. Een luie perfectionist? Een luie perfectionist, zoals ik meen te zijn, is een beetje zoals een schizofreen. Of als een autist. Hij weet alles maar je kunt er niets mee doen. Een luie perfectionist wordt uiteindelijk naar het strand verbannen. Daar ligt hij met pijn in de ogen in de zon, niet in staat om zelfs nog maar een regel van Rimbaud te lezen.

Ja, ja, en dan heb ik mijn boeken maar laten liggen en ben ik op het terras gaan zitten om naar de zonsondergang te kijken en een glas lekkere Portugese wijn te drinken. Op uw gezondheid, en op die van jou en van mij.

dood,begraafplaatsen,zelf,boeken,kamer,werk,depressie,hanif kureishi,songs,plannen,plannen maken,paaldanseressen,perfectionisme,luiheid,katholicisme,atheïsme,optimisme,pessimisme,computer

Martin Pulaski, Agnes A., Deborah A, Oostduinkerke 1982.

HET WEERZINWEKKENDE SPEKTAKEL VAN KERK EN NIEUWE ORDE

hugo claus,guillotine,kerk,katholiek,nieuwe orde,vlaams belang,euthanasie,lezen,boeken,revolutie,sixties,zedenschennis,media,censuur,geschiedenis,tedere anarchisten

Hugo Claus was nog maar net dood of de kardinaals en paters kwamen weer vanonder hun stenen gekropen of trokken zich aan de haren omhoog uit hun met mest gevulde vergeetputten. Ik dacht inderdaad dat het katholieke Vlaanderen al sinds omstreeks 1970 dood en begraven was. Hugo Claus had, dacht ik, in die omwenteling, samen met duizenden andere mensen van goede wil, een belangrijke rol gespeeld. Niet de schreeuw om Leuven Vlaams had veel indruk op me gemaakt, maar wel de veroordeling van Claus wegens zedenschennis omdat – als ik me nog goed herinner – in een van zijn toneelstukken drie naakte mannen de rol van god hadden gespeeld. Ik vond het niet meer dan normaal dat drie naakte mannen de christelijk god vertolkten. Een groot deel van de bevolking had met die veroordeling gelachen, Claus wellicht nog het meest. Ik dacht dat daar de belangrijkste kentering lag. Dat de bevolking vanaf de jaren zeventig niet langer godvruchtig was en niet meer gedwee luisterde naar de paus en de kardinaal. Dat de kerken leegliepen, dat zo goed als niemand nog priester of pastoor wilde worden. Ik dacht dat een nieuwe, geseculariseerde maatschappij was ontstaan.

Inmiddels heb ik begrepen dat de zo verafschuwde kerk waarschijnlijk minder schadelijk was voor het domgehouden, verblinde volk dan de terugkeer van de nationaal-socialistische ideologie. Mannen met megafoons, die haat en intolerantie predikten, die naar uitsluiting verlangden, mannen met lelijke gedachten en hoofden als van gruwelijke, denkbeeldige wezens, mannen uit nachtmerries ontsproten, die onmin zaaiden en wat uit de tijd van de bloemen was ontstaan met veel gretigheid vertrapten. Wat de kerk niet had kunnen doen, deed de nieuwe orde. En de media groeiden en verkondigden de boodschap. De media verkondigen elke boodschap waarvan ze vermoeden dat het de bevolking doet watertanden. Hoger-Lager, het Rad van Fortuin, pedofilie, de tsunami, het Vlaams Belang. Het maakt niet uit: voor de media is het een pot-pourri. De mannen die daar aan de touwtjes trekken zijn cynici. Ze weten dat het afschuwelijke een grote aantrekkingskracht heeft op bijna alle mensen. Ook wij weten dat, omdat we Edgar Allan Poe (‘The Imp Of the Perverse’) hebben gelezen en Baudelaire (‘Une Charogne’) en Rilke (‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge’), maar meestal doen we er wat dat betreft het zwijgen toe. We proberen niet over het Vlaams Belang, niet over de haat en het afgrijzen te spreken, omdat we vrezen dat we daar wel eens succes mee zouden kunnen hebben en dat willen we kost wat kost vermijden. Ik dwaal echter af.

Ik had het over de dood gewaande kardinaals en paters en hoe ze vanonder hun stenen komen gekropen. Was die tijd dan niet voorbij? De tijd bijvoorbeeld dat je van je ouders geen ‘slechte’ boeken mocht lezen. Ik dacht dat iedereen nu leest waar hij zin in heeft. Dit is toch de tijd van het absolute laissez-faire? Ik heb alvast het geluk gehad dat ik mocht lezen wat ik wilde. Nooit hebben mijn ouders er een opmerking over gemaakt als ik tot diep in de nacht een roman van Hugo Claus, een verhalenbundel van Remco Campert of essays van Simon Vinkenoog lag te lezen. Zelfs Thoreaus ‘Walden’ werd getolereerd. Ik had een klein kamertje, waar ik tegen de wand een collage had gemaakt van foto’s van the Rolling Stones, the Who, en the Small Faces, en van bloemen en blote meisjes. Dat was in 1967 of 1968. Het zal wel een mooie collage geweest zijn, maar helaas bestaat ze niet meer. Ach, bestaan of niet bestaan is relatief. Want hoeveel waardevolle voorwerpen zijn er al niet vernietigd in laten we zeggen Irak. Om het nog niet over de kinderen te hebben, de zwangere vrouwen, de jonge mannen, de meisjes in bloei…

In de krant van vorige zaterdag las ik in een eerbetoon van Christophe Vekeman aan Hugo Claus dat de schrijver, die toch veel jonger is dan ik, door een familielid bijna werd berispt omdat hij als jongen in Claus’ ‘Het verlangen’ zat te lezen. Je houdt het toch niet voor mogelijk dat iets dergelijks zich nog heeft afgespeeld in onze contreien omstreeks 1984. Zo’n stichtend dorpstafereeltje dat eerder thuis hoort in de tijd van de nu zo bejubelde expo ’58… Nee, het gebeurde in een periode waarvan ik dacht dat iedereen aan de coke, speed, of ten minste cannabis zat, 1984! Toen iedereen tegen de kernraketten betoogde. Toen iedereen politiek bewust was en over ecologie en mensenrechten praatte.

de koele minnaar

Nu begrijp ik al wat beter hoe het komt dat de nieuwe orde in de jaren ’90 zo populair geworden is. De massa verbiedt graag, sluit graag ‘het andere’ uit. De kerk deed het nog wel bij Christophe Vekeman, maar haar invloed was toch niet meer zo groot. Een andere, ten minste even gevaarlijk kerk, nam haar plaats in. Maar zoals we zagen niet helemaal. Want in diezelfde krant van zaterdag las ik op de voorpagina de titel in vette letters: ‘Katholiek protest tegen euthanasie Hugo Claus.’ Godverdomme! Meestal gebruik ik geen krachttermen, maar nu moet het. Het moet, godverdomme. Schrijvers, kunstenaars, mensen van goede wil, schop die klootzakken toch eens een geweten! Zorg er met wat jullie maken voor dat zij ‘menschen’ worden, broeders en zusters, wereldbewoners.  Laat het niet zover komen dat wij weer guillotines moeten gaan oprichten. Laat het een zachte revolutie worden. Een zachte revolutie hebben we nodig, en tedere anarchisten.

I CAN’T STOP LOVING YOU

ray charles i can't stop loving you

Waar komt die stem vandaan? Een tegelijk warme en zeer droeve stem, de stem van Ray Charles, als hij ‘I Can’t Stop Loving You’ zingt? ‘They say that time heals a broken heart / But time has stood still / Since we’ve been apart…”
Waar komt die stem vandaan? De intensiteit, de gretigheid, het verlangen en vooral het allesdoordringende verdriet dat samenhangt met een breuk. Het enige wat die stem komt verstoren zijn andere, blanke, zielloze stemmen – die de producer er waarschijnlijk aan heeft toegevoegd, om de blanke markt te veroveren.

Maar dat laatste wist ik nog niet. Toen. Ik was ongeveer twaalf jaar, een zeer gelovige katholieke jongen, een misdienaar zelfs. Een priester in de kinderkolonie in Rekem, waar ik op internaat zat vanwege astma, al vier jaar, was ervan overtuigd dat ik een ‘roeping’ had. Bij gebrek aan andere interessante lectuur zat ik altijd in het ‘Nieuwe Testament’ te lezen. Ik kende ongeveer alle evangeliën van buiten. Wat in die boeken gebeurde ging alleszins veel dieper en verder dan wat ik ‘las’ als ik in het ziekenpaviljoen lag: Nero en Suske en Wiske, en zelfs Kuifje. De priester die mij de stripverhalen bracht, evenals lege sigarenkistjes, deed altijd nogal vreemd als hij mij een kruisje op mijn voorhoofd gaf en mij ‘slaapwel’ wenste.

De evangeliën gingen bijna altijd over de strijd tussen goed en kwaad, en over Jezus die partij trok voor de meest kwetsbaren, zondaars, outsiders, verstotenen. Zo zie je die evangelische taferelen ook terugkeren in de kunst uit de renaissance. Met zulke outsiders voelde ik me al lange tijd verwant, wellicht door mijn ziekte, waardoor ik niet aan alle spelletjes kon deelnemen en vaak uitgelachen werd, verstoten zelfs, evenals door het feit dat mijn ouders schippers waren, een soort Zigeuners; alleszins geen normale mensen met een huis en een varken of een paar koeien in een wei.

Op mijn twaalfde deed ik mijn plechtige communie. Ik kreeg een echt ‘kostuum’, met lange broek, een polshorloge, zakdoeken met mijn initialen, lederen handschoenen, en nog allerlei andere parafernalia – en wat ik vooral niet mag vergeten: een missaal. Voor wie het niet weet: een missaal is een mooi boek in leder gebonden, goud op snee, met alle verhalen in over het leven van Jezus Christus. Ongeveer dezelfde verhalen als in het Nieuwe Testament. Aan de ene kant stond de Latijnse versie, aan de andere kant de vertaling, zoals je dat nu hebt met de betere vertaalde poëziebundels. Mijn exemplaar bevatte 1702 bladzijden met nog een toevoegsel van 80 bladzijden in verband met ‘feesteigen van de Belgische Bisdommen’.

Ik was bijzonder trots over mijn uiterlijke verschijning, vooral mijn haartooi vond ik zelf adembenemend. Ik dacht dat alle meisjes nu voor me in zwijm zouden vallen. Mijn ‘tante’ Barbara, een dameskapster van beroep, had mijn haren ‘bewerkt’, het was nu een vaste massa, vol ‘lak’ gespoten. Ik voelde me eigenlijk meer toegerust om in een nachtclub rock & roll te gaan dansen dan om de heilige hostie te ontvangen en de hele ermee samenhangende ceremonie te ondergaan, hoewel ik daar ook naar uitkeek. Iedereen kent zulke gevoelens en verlangens wel, als hij zowel het ene als het totaal tegenovergestelde andere wil doen. Van het ritueel kan ik me eigenlijk niet veel meer herinneren. De mis was wat plechtiger dan op andere dagen en ik geloof dat er een bisschop aanwezig was. Er werden plechtige uitspraken over onze toekomst gedaan, wij die de belofte van katholiek België vertegenwoordigden.

Daarna begon het feest. Allemaal familieleden en vrienden van mijn ouders die ik nauwelijks kende. Ik had alleen maar aandacht voor mijn achternichtje Denise, en nog veel meer voor Henriette, de dochter van de sluismeester. We zaten stijfjes aan tafel, dronken water en aten en aten, maar later zou er worden gedanst, iets wat ik nog niet vaak had gedaan in zo’n bont gezelschap. Als ik nu aan die dag terugdenk lijkt het op een dronken roes, op een tocht met een ‘dronken boot’, terwijl ik zeker weet dat ik in die tijd geen druppel alcohol aanraakte. Ik vroeg Henriette ten dans voor een tango, maar ze wees me vriendelijk af. Ik denk omdat ze geen tango kon dansen, maar dat kon ik evenmin. Ik voelde me echter zeer gekrenkt. Het meisje van mijn dromen wilde niet met me dansen! Vervolgens volgde een zwoel nummer van Fats Domino, en ik vroeg dan maar aan Denise of zij wel wilde dansen. Meteen! Ze was als smeltende chocolade in mijn armen. Maar in mijn hoofd zat Henriette. Je wilt altijd datgene en diegene wat en wie je niet hebt. Toch denk ik niet dat Denise er iets van heeft gemerkt (en ik hoop evenmin dat ze dit leest, of juist wel, want ik vond het heerlijk om met je te dansen, mooie Denise, jij die me mee inwijdde in de rock & roll).

plechtige communie 2

Mijn familie was een tragische familie. Mijn grootouders aan vaderskant waren al dood of iets dergelijks voor mijn geboorte. Inderdaad, mijn grootmoeder was vrij jong gestorven, maar wanneer precies werd me nooit meegedeeld en ik weet het nog altijd niet. Ze schijnt te zijn gestorven van verdriet, een soort verdriet zoals in ‘I Can’t Stop Loving You’, om een man die haar bezwangerd had, maar haar vervolgens in de steek gelaten. De vrucht was mijn vader, een natuurlijk kind, een bastaard. Zoon van een stalknecht of van een baron? Want mijn jong gestorven grootmoeder aan vaderskant werkte op het kasteel van Hocht. Wat daar allemaal niet gebeurde! Maar dat was voor mijn tijd, voor de geboorte van mijn vader zelfs. Het roept herinneringen op aan een toneelstuk van Strindberg. Wie is je vader eigenlijk, vader? Wist Ray Charles wel wie zijn vader was, zijn grootvader, zijn oude familie: de slaven die uit Afrika waren ingevoerd in de VS en er in New Orleans en andere steden aan de Mississippi werden verkocht? Toch doet het me meer aan het Noorden denken, aan Strindberg, aan Ibsen – de geestelijke vader van James Joyce.  Ik heb het er vaak over met mijn vrouw, want zij is ook de kleindochter van een stalknecht of een baron. Op dat gebied zijn wij elkaars spiegelbeeld. Als wij samen voor een grote spiegel staan – meestal in een hotel in Umbrië of Toscane – zie ik haar met een snor en heb ik zelf een spleetje tussen mijn benen. Op zulke momenten verlang ik niet naar haar, maar eet liever nog wat olijven en drink een laatste glas Montefalco. Dan lees ik wat in een boek van Italo Svevo, of neem ‘Dubliners’ van James Joyce nog eens ter hand, enkele minuten, en val in slaap.

Die oude man was onbekend en onbemind en er werd niet over gesproken noch gegist naar zijn identiteit. Het was het onuitgesprokene, het taboe. En de manier waarop mijn grootmoeder was gestorven was evenmin duidelijk. Vaders tante, de zus van zijn moeder, heette moe, of zo noemde iedereen haar toch. Zij was een schim in het zwart die altijd in een zetel zat met een portemonnee en een zakdoek stevig in de handen geklemd. Spreken deed zij niet. Vader zei dat zij vroeger wel had gesproken, maar dat zij er op een gegeven moment mee was gestopt. Zij sprak geen gebenedijd woord, ook al gaf zij tekenen van herkenning als ik weer eens op bezoek kwam – wat vrij vaak was. De dochter van moe was Barbara, een nicht van mijn vader, de kapster van hierboven. Zij woonde in een huis en had een man en een varken. Haar man werkte in de grindfabriek aan de rechteroever van de Zuid-Willemsvaart. Rechteroever is relatief. Voor ons was het eigenlijk de linkeroever. De grindwasserij, noemden wij de installatie, die vreselijk veel lawaai maakte. Dat hoorde je vooral op zaterdag en zondag als er alleen klokken luidden en verder nog wat gehinnik van paarden en geloei van koeien in de lucht hing en soms een bij om je hoofd zoemde. De muggen in die streek maakten geen geluid.

Elke keer als ik bij Barbara op visite kwam, mijn ‘tante’, was ik gefascineerd door moe die daar voor zich uit zat te staren, met haar zakdoek en haar portemonnee in haar hand geklemd. Waarom zeg je toch niets, moe? Zij kende het geheim, dat wist ik op den duur wel zeker. Zij wist wie de vader van mijn vader was, baron of stalknecht of iets daartussenin.

Jean, de man van Barbara zei al evenmin iets. Als hij thuiskwam van de grindwasserij was hij vuil, bezweet en moe. Soms moest hij dan ook nog eens het varken eten geven. Op mooie zomerdagen speelde ik met Denise in de moestuin. We deden dan alsof ik prins en zij prinses was. Zij was echter niet de echte prinses. De echte prinses was Henriette, en zij heerste over de ‘abri’, de schuilkelder, aan de andere kant van het kanaal. Maar soms moet een mens ontsnappen aan de verstikkende realiteit, zelfs als kind met veel fantasie, en dan was Denise mijn prinses en ik haar prins. Voor enige minuten heersten we dan over de wereld en zagen dat hij goed was. Dat stuk land is voor mijn erfgenamen, zei ik, en dat stukje voor die van jou. Goed, zei Denise. Aan onze rechterzijde knorde het varken instemmend. Ik dacht, als we dan onze beide stukken samenvoegen bezitten we de hele wereld.

plechtige communie 1

De familie aan moederszijde was veel ingewikkelder en zou ik beter een volgende keer beschrijven, want ik zit nu naar George Jones, een notoire dronkaard, te luisteren, beneveld door ik weet niet hoeveel Duvels. Mijn moeder was zuinig; mijn ene tante – die ook mijn meter was – was extreem gierig; mijn andere tante verkwiste al haar geld aan mannen en aan couponnetjes. Dat waren stukken stof die zogezegd veel waard waren, maar waar nog maar kleine hoeveelheden van over waren, voldoende bijvoorbeeld om er een rok mee te maken. Toen tante Georgette stierf  – door zelfmoord – bleek ze koffers vol te hebben met couponnetjes. Maar ook met talloze zijden sjaaltjes, waarvan ik er in mijn ‘modtijd’ nog heb gedragen. Ook van haar broches, overigens. Ik was in die latere periode een fan van Brian Jones en die man droeg toch ook broches? Dan had je nog mijn nonkel Frans die bijzonder vrijgevig maar ook erg rijk was. Hij was de peter van mijn broer. Wie zijn meter was weet ik niet meer.

Ik heb nog niets verteld over mijn peter. Hij en zijn vrouw, een nicht van mijn vader, hoorden bij de armste mensen van heel Lanaken. Slechts weinigen spraken over hen. Mijn peter, Martin, naar wie ik ben genoemd, was de dronkaard, de lanterfanter van het dorp. Ze woonden met zijn beiden in een klein huisje, kraaknet, maar zo goed als leeg. Het grootste geschenk dat ik van mijn peter ooit heb gekregen was een karamel van Côte d’Or.

Als ik me nu goed probeer te herinneren had ik alleen een gierige meter, en een straatarme peter en had mijn broer alleen een peter, een rijke vrijgevige man, een reder in Antwerpen. Wat is er dan met mijn broers meter gebeurd? Ik zei het al, wij zijn een tragische en ingewikkelde familie.

De peter van mijn broer, nonkel Frans, de broer van mijn moeder, die op vrij jonge leeftijd gestorven is aan een beroerte, heeft van mijn plechtige communie op zijn manier – met geld – een prachtige dag gemaakt, maar niet alleen een prachtige dag, hij heeft eveneens onvrijwillig geïnvesteerd in mijn emotionele en culturele toekomst. Want met het geld dat hij me had gegeven kocht ik een Philips draagbare platenspeler en vijf singles, waarvan ik mij er nu nog twee kan herinneren en die nu ook nog meetellen: ‘I Can’t Stop Loving You’ van Ray Charles en ‘Don’t Be Cruel’ van Elvis Presley – ach ja, en ook nog ‘A Steel Guitar And A Glass Of Wine’ van Paul Anka. Misschien zegt die laatste titel nog het meest over wie ik nu ben  en hoe ik nu leef.

Maar zo weten we nog altijd niet waar die stem vandaan komt? Ze komt in de eerste plaats van Ray Charles, de man die god verving door de vrouw en van gospel soul maakte. Zijn singles – en die van Fats Domino – waren de eerste platen waar blanken op durfden dansen zoals het hoorde, met de heupen en hij was de eerste die de blanke white trash-wereld binnenbracht in het zwarte bewustzijn.

Voor mij was die stem het enige echte plechtige communiegeschenk, waar ik mijn nonkel Frans, in weerwil van zijn kapitalisme – waar hij zich overigens niet bewust van was, hij leefde er maar op los – tot het einde van mijn dagen dankbaar voor zal zijn. De keuze voor Ray Charles, echter, heb ik zelf gemaakt. De stem van Ray Charles komt van mij, ook al kan ik niet zingen. De stem van Ray Charles komt van hemzelf en van de geschiedenis die hem heeft gemaakt wat hij is, was.

ray charles 1

‘I Can’t Stop Loving You’ en ‘Born To Lose’ zijn onder meer terug te vinden op de uitstekende dubbele verzamel-cd ‘the definitive Ray Charles’ op het Rhino-label.

Foto’s: Op de bovenste foto zitten we met zijn allen aan tafel tijdens het communiefeest.
De tweede foto is buiten genomen. Ik sta rechts op de foto, naast mij Henriette, en naast Henriette, Denise. De tweede foto maakt ook duidelijk, vind ik, welk verschil er al was tussen onze generatie en die van onze ouders en grootouders. Hoewel we die generaties nog imiteerden in ons gedrag en onze kleding, hadden we toch een geheel andere uitstraling.
Die twee foto’s doen me nu aan ‘Heimat’ denken. En eigenlijk is wat ik bezig ben te schrijven niet alleen een subjectieve geschiedenis van de rock & roll in mijn leven maar ook mijn eigen ‘heimat’ (dat ik nooit heb gehad).

STRINDBERG : ERKENNING OF ZELFDODING?

AUGUST STRINDBERG

Essentieel is dat de kunstenaar het geloof in de zin van zijn werk niet mag verliezen. Maar beslist hij daar zelf over? Kan hij leven zonder enige erkenning? En wat indien hij zulke erkenning uit de weg gaat of onmogelijk maakt? Betekent dat dan dat iemand die bewust voor miskenning kiest meteen ook voor zelfmoord kiest.

In ‘De Rode Kamer’ van August Strindberg lijkt het daar op. In deze verbitterde, bijtende en bijna geniale roman neemt Strindberg ongeveer alles en iedereen op de korrel, vooral omdat alles en iedereen te koop is. Het boek is verschenen in 1879 maar het zou net zo goed over hedendaagse schrijvers, journalisten en ondernemers kunnen gaan.
Een van de hoofdpersonages uit het boek, Olle Montanus, heeft zijn hele jeugd zware fysieke arbeid verricht als landarbeider. Voor de boeren bestaat de natuur alleen als iets nuttigs, ze bezit in hun ogen geen ‘schoonheid’, geen ‘ziel’, wat ze voor kunstenaars en sommige filosofen zoals Rousseau wel bezat (en soms nog bezit).
Montanus onttrekt zich aan deze nuttige arbeid, ‘de vloek van de zondeval’, en wordt artiest, wat betekent dat hij ‘nutteloze arbeid’ gaat verrichten. Hij heeft gehoor gegeven aan zijn vrijheidsbegeerte, en aan die andere drijfveer die iemand ertoe aanzet kunstenaar te worden, met name de hoogmoed. De kunstenaar wil herscheppen, beter maken, mooier maken, voor god spelen. Het is dan dat de behoefte ontstaat aan erkenning van zijn nutteloze arbeid; zonder die erkenning ziet hij al gauw zijn nietigheid in. “Deze voortdurende behoefte aan erkenning van zijn nutteloze arbeid maakt hem ijdel, onrustig en dikwijls diep ongelukkig; ziet hij zichzelf helder voor ogen, dan houdt zijn scheppingsvermogen dikwijls op en gaat hij ten onder, want om weer terug te keren tot zijn juk, als hij eenmaal de vrijheid geproefd heeft, kan alleen de godsdienstige.” Montanus verliest het geloof aan de zin (of het hogere) van zijn kunst, probeert zich weer in de ‘slavernij’ te begeven, maar dat is onmogelijk: de enige uitweg uit deze onhoudbare toestand is zelfmoord.

Strindberg zelf heeft dat echter niet gedaan, hoe vaak hij ook te kampen had met depressie, ziekelijke jaloezie, paranoia en waanzin (toestanden die hij allemaal nauwgezet en zeer eigenzinnig beschreven heeft).

Foto: August Strindberg.