EEN ONTMOETING MET EDGAR ALLAN POE

Poe xxx

“Elementary penguin singing Hare Krishna
Man, you should have seen them kicking Edgar Allan Poe.”
John Lennon

“Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.”
Dit schreef ik op 10 oktober 2013. Ik voegde eraan toe dat het maar een vluchtig idee was, de aanzet tot een project dat ik waarschijnlijk niet helemaal zou uitwerken.

De voorbije weken ging mijn aandacht naar een aantal boeken en schrijvers die ten dele mijn wereldbeeld hebben beïnvloed en zelfs bepaald. Daar wil ik nu wat dieper op ingaan. Het is mij hier niet zozeer om mijn favoriete boeken te doen: die zijn voor een groot deel pas in mijn leven opgedoken toen mijn karakter al vaste vormen had aangenomen en er nog maar weinig met mij aan te vangen was. Hoewel mijn ‘geest’ vermoedelijk nog voldoende soepel was om er favoriete boeken in op te slaan. Overigens is een uitspraak als ‘de beste boeken ooit gelezen’ erg relatief: een mens verandert, er komen uitverkoren boeken bij, andere verliezen hun plaats op de erelijst.

eisden-sinterklaasDe eerste schrijver die in dit overzicht op het raam komt kloppen is Edgar Allan Poe. Ik kwam zijn naam voor het eerst tegen in een deeltje van de jeugdencyclopedie ‘Zoek het eens op’. Ik heb het boek, dat ik als cadeau kreeg van de brave sint in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Eisden, al lang niet meer in mijn bezit. Je trof er allerlei wetenswaardigheden in aan over wetenschappen, kunst, ontdekkingen en geschiedenis. Zo kwam je merkwaardige dingen te weten over de kruisboog, de geschiedenis van de hoed, eekhoorntjes, vogelbekdieren, Lord Byron, de aardbei, het magnetisme, het paard van Troje, sprinkhanen, Molière, George Gershwin, de tomaat, de jacht op groot wild, Igor Stravinski en het kunsthart. Ik vraag me af welke logica werd gehanteerd bij de selectie van die onderwerpen. Maar goed, zo kwam ik dan toch Edgar Allan Poe op het spoor (en won ik bij de meeste quizzen waar ik in die tijd aan deelnam). Wat er precies in de korte biografie stond weet ik natuurlijk niet meer en mocht ik het wel nog weten zou het waarschijnlijk niet waar zijn. Wat ik me wel nog herinneren kan, is dat ik bij het zien van de afbeelding van de dichter en het lezen van de ongetwijfeld schaarse informatie erg nieuwsgierig werd. Meer nog: ik kreeg het gevoel dat ik mezelf zowel in het verleden als in de toekomst ontmoette. Daar zat ik dan: in 1963 als een ijverige leerling op een harde stoel in het internaat te Eisden; in 1836 als een dichter en verhaalschrijver in een vochtig, wat vervallen huis in Baltimore in de staat Maryland met mijn dertienjarige bruid, mijn nichtje Virginia Clemm (“het sombere meubilair, de donkere, versleten draperieën”); in 2046 als een aan lagerwal geraakte privédetective in een asiel in Brentwood, een onderkomen wijk van Los Angeles. Ik was een William Wilson zonder dat ik het wist. Het zou evenwel nog een lange, lange tijd duren eer ik een boek van Edgar Allan Poe in handen zou krijgen. Iedereen weet hoe lang de jaren duren als je nog een kind bent. Ondanks mijn belangstelling voor volwassen boeken ben ik lang jong gebleven. Mogelijk ben ik het nog altijd. Maar als ik in de spiegel kijk zie ik veeleer een oude, vermoeide Roderick Usher.

De-zwarte-katIn een papierwinkel in Tongeren – of was het Lanaken – vond ik in 1966 De zwarte kat en andere verhalen, een mooie keuze uit de Tales Of Mystery and Imagination. Elk verhaal was een literaire blikseminslag, elke zin betoverde me, elk woord nam me mee ver over de grenzen van het voorstelbare. Van mijn vroegere literaire helden, Hendrik Conscience, Alexandre Dumas en Victor Hugo bleef niets meer overeind. Wat waren De leeuw van Vlaanderen, De graaf van Monte Cristo en De ellendigen opeens ouderwetse en langdradige boeken! Poe’s ijzingwekkende verhalen hadden een effect vergelijkbaar met hallucinogene middelen, waar ik toen zelfs nog niet van had gehoord. Verhalen als De zwarte kat, Hup-Kikker (de vertaling van Hop-Frog; Or, the Eight Chained Ourangoutangs), Het vat Amontillado (dat mij voor de rest van mijn leven naar sherry heeft doen snakken, zelfs in coma had ik zin in een glaasje ijskoude manzanilla), Het masker van de Rode Dood, en zovele andere brachten me niet alleen aan het griezelen maar deden ook mijn fantasie op hol slaan en waren een inspiratiebron voor het schrijven van gedichten en poëtisch proza. Ik herinner me de titel van één verhaal dat ik toen schreef: Psychische ontbinding. Zelfs als ik gefolterd zou worden zou ik weigeren het te herlezen. De gevolgen van de lectuur van Poe waren niet altijd gezond. Het verraderlijke hart is waarschijnlijk de oorzaak van een nachtmerrie die ik af en toe heb: lang geleden heb ik iemand – meestal is het een vrouw, mogelijk mijn moeder – vermoord en het lijk in stukken gesneden. Nu, vele jaren later, is het zo ver: de politie klopt op de deur, ze hebben weet gekregen van mijn gruwelijke misdaad. Vliegensvlug probeer ik nog alle sporen uit te wissen. Foto’s en andere voorwerpen in mijn bezit moeten vernietigd worden. Maar het is te laat! Gelukkig denk ik zelden aan die nachtmerrie voor ik slapen ga, anders zou insomnia mijn droeve lot zijn.

the tell tale heart 1928

Eens de twintig voorbij las ik nog maar weinig in mijn geliefde Poe. Eind jaren zeventig in de reusachtige, betegelde keuken in de Dolfijnstaat in Antwerpen, waar zelfs een zuchtend uitgesproken woord spectoriaanse Wall Of Sound-allures kreeg, zong ik wel af en toe zijn gedichten The Raven en Annabel Lee, mezelf begeleidend op de rode gitaar, mij er waarschijnlijk niet van bewust dat mijn improvisaties heel goed mogelijk op die van de onfortuinlijke Usher leken: “Ik heb zo juist gesproken over de ziekelijke toestand van de gehoorzenuw die voor de lijder alle muziek ondraaglijk maakte, behalve bepaalde effecten van snaarinstrumenten.” In een kartonnen doos in de kelder bewaar ik nog altijd enkele tapes uit die dagen, waarop ik met behulp van Leo’s bandopnemer, deze en andere impromptu’s – onder meer ook How Sweet I Roamed From Field To Field van William Blake – aan de vergankelijkheid heb onttrokken.
Toen ik het werk van Lacan bestudeerde heb ik The Purloined Letter herlezen, en naar The Fall of the House of Usher keer ik wel één keer per jaar terug. De film van Jean Epstein is zelfs nog beter dan het verhaal. Toen ik de wat mij betreft beste Nederlandstalige schrijver, Geerten Meijsing, in mei 2013 in Syracuse ontmoette bleek dat hij het verhaal uit het hoofd kende. Wat mij niet had hoeven verbazen: ook hij was geobsedeerd door bleke meisjes, door drugs en alcoholisme, door decadentie, door de dood en de angst voor de dood.
Hoewel ik de Tales of Mystery and Imagination nog maar zelden ter hand neem, blijft er bij mij toch nog altijd – naarmate ik ouder word wel in mindere mate – die fascinatie voor het macabere, voor het perverse, voor het ongewone, voor ontbinding, ja, blijft er de aantrekkingskracht van de afgrond. Ook bij mij, denk ik, is de angst een primaire emotie waaraan alle andere gevoelens, zelfs die van liefde, ondergeschikt zijn.

Baltimore_1822_

Afbeeldingen: Edgar Allan Poe; Martin Pulaski keert de goede sint de rug toe met in zijn handen Zoek het eens op; De zwarte kat; The Tell-tale Heart (1928); Plattegrond van Baltimore (1828).

DE TOEKOMST VAN JORGE LUIS BORGES

Jorge_Luis_Borges_1963

Nu leeft Jorge Luis Borges nog want we lezen zijn boeken. Ook al is hij een blinde Argentijnse geest, toch leeft hij nog. Zijn personages, zoals daar zijn Funes de allesonthouder, Pierre Menard, de schrijver van Don Quichot, Juan Dahlmann, Nils Runeberg, allerhande messentrekkers, evenals zijn labyrinten, bibliotheken, dolken, denkbeeldige wezens en encyclopedieën bestaan nog.
Maar op een dag zal er niemand overblijven om de verhalen van Borges te lezen. De schrijver zal zoals iedereen die nu leeft vergeten zijn. Van zijn boeken en van alle universums die zich nu nog in zijn boeken bevinden zal zelfs geen stof overblijven.

DE BRIEVEN VAN NANNE TEPPER

tussen mes en keel 001.jpg

“Er is geen betekenis. Het leven is toevallig en het lot is wreed. Structuur is er niet in te vinden. Het was onzinnig naar een verklaring te zoeken voor mijn ongeluk, of voor de desertie (of dood) van een geliefde. De dingen dragen geen betekenis; en alle betekenis die wij eraan toe willen kennen is misleiding, of kinderspel.”
Geerten Meijsing, Tussen mes en keel

In Muntpunt, de hoofdstedelijke openbare bibliotheek, ging ik op zoek naar een boek van Ilja Leonard Pfeijffer. Dat kwam door het erg boeiende gesprek dat Piet Piryns met hem had; ik wilde dringend proza van De Grote Vriendelijke Reus lezen. Niet zozeer omdat Pfeijffer een grote drinker was, zestien cocktails per avond beweert hij, maar vooral omdat hij geweldig kan vertellen en ondanks dat drinken zeer heldere gedachten op een even heldere manier formuleert en bovendien nog geestig is. Maar dat drinken: zestien cocktails en nooit een kater! Toen ik – occasioneel – nog veel dronk had ik altijd katers die op z’n minst twee dagen duurden. Ik dronk dan zeker geen zestien cocktails: mocht ik dat hebben gedaan lag ik al lang onder de zoden. Six feet deep, zoals in de liedjes. Misschien was dat wel beter geweest. Nee, het beste is nooit geboren te worden. Dat staat in de bijbel, dat beweerden de Griekse tragedieschrijvers, dat verkondigden romantici als Shelley. Het tweede beste is er zo spoedig mogelijk naar terug te keren. Naar waar? Naar de plek van voor je geboorte: het niets. Als ik nu op een avond twee trappisten of drie glazen wijn drink heb ik de volgende dag steevast hoofdpijn.
Maar goed. In de bibliotheek vond ik niets van Pfeiffer. Wel een brievenboek van Nanne Tepper, een in België zo goed als onbekende schrijver (ten minste, dat denk ik) – zelf had ik tot vorig jaar evenmin van hem gehoord. Daar is verandering in gekomen sinds de publicatie van een brievenboek van Geerten Meijsing bevattende Meijsings deel van de correspondentie tussen hemzelf en Nanne Tepper. Tussen 1995 en 2000 schreven Meijsing en Tepper elkaar meer dan 250 brieven. De verzameling van Geerten Meijsings brieven, waar ik erg nieuwsgierig naar ben, heb ik nog niet kunnen lezen: in de boekwinkel is het boek niet te vinden. Bovendien vermoed ik dat het voor een arme man onbetaalbaar is. In ‘De kunst is mijn slagveld’, 750 bladzijden, van Nanne Tepper heb ik al wat zitten lezen. Teppers stijl beviel mij aanvankelijk niet. Ik vond hem nogal puberaal, van Giphart maakt hij Gifhart, van Sigmund Freud Siggi Mondieu, en dergelijke meer. Bovendien was de man allergisch voor Jim Jarmusch, een van de weinige hedendaagse regisseurs die nog geloofwaardige films maken. Ook de pretentie waarmee Tepper andere schrijvers, waaronder Mulisch en Lucebert, de grond inboort stoorde mij zeer. Maar een dag later, bij het lezen van de brieven aan Geerten Meijsing, nam mijn weerzin af. In het puberale, clownachtige, in de misplaatste geestigheid zag ik nu een maskerade, waarachter een groot en zelfzeker talent schuilgaat. Die zelfzekerheid echter wordt aangevreten door twijfels. Hoewel zijn roman ‘De eeuwige jachtvelden’ de literaire sensatie van 1995 werd en de Anton Wachterprijs te beurt viel, maakte het de schrijver niet gelukkig, integendeel. De brieven puilen uit van de verwijzingen naar schrijvers en componisten, wat ook als een ‘symptoom’ van onzekerheid kan worden beschouwd. Teppers liefde voor literatuur en muziek is immens. Met de grootste schrijfkunstenaars moet hij zich meten: Flaubert, Joyce, Nabokov, Faulkner. Is dat geen onbegonnen werk? Zijn kennis van en inzicht in literatuur en stijl zie je in de brieven groeien. Nanne Tepper schrijft niet alleen, hij is ook muzikant, en hij weet wat muziek is, hij kan luisteren en over wat hij hoort kan hij prachtig schrijven. Wat hij – schijnbaar achteloos – over Mahler, Mozart, Frank Zappa schrijft is grandioos… Zodoende ga ik de volgende dagen ‘De kunst is mijn slagveld’ van begin tot einde lezen – zonder mij nog aan wat dan ook te ergeren. En benevens dat van Pfeijffer zal ik nu ook het proza van Nanne Tepper moeten gaan lezen. Zal ik ooit aan ‘Oorlog en vrede’ kunnen beginnen?

Wat is dat toch met die korte zinnetjes in kranten en tijdschriften? Kunnen Vlaamse schrijvers en publicisten geen volzinnen meer bouwen? Ik hoop dat ik, ten gevolge van onbewuste imitatie, nog geen mededader ben geworden.

Tepper.jpg

‘Ik ben op geen enkele wijze in staat tot fatsoenlijk sociaal verkeer, en ik weet dat ik mensen daarmee kwets, ik weet in ieder geval dat ik jullie daarmee kwets. Vandaar dat ik maar beter met het laatste beetje waardigheid dat ik mezelf toeschrijf afscheid van jullie nemen kan. Van mij toch enkel stilte of een heel enkele keer wat somber gezeur; ik wil het niemand meer aandoen.’
Nanne Tepper aan Jack Van der Weide en Wilma Siccama

 

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.
Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.

bulle ogier hk

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis… (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja… Mijn leven is veranderd.Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in ‘Cecilia’. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: “Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten.” Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 1

2013_05_SICILIE-CANON 041.JPG

Ik was nu in het bezit van Geerten Meijsings adres, telefoonnummer en e-mailadres. Dat betekent nog niet dat er een uitgebreide briefwisseling begon, wel enkele korte mailtjes over en weer. Hij bejubelde mijn blog, vond ook de ‘prentjes’ in de marge erg leuk. Hoe speel je dat toch klaar, vroeg hij. Ik wist op dat ogenblik niet of hij ernstig was, of zich wat naïef voordeed. Kennelijk was hij werkelijk onder de indruk, vooral van de kleine foto’s van mooie, voornamelijk Franse actrices. Nu weet ik dat hij het meende.

U hebt me – ongewild natuurlijk – ertoe aangespoord om opnieuw Georges Simenon te gaan lezen. Dat was ongeveer veertig jaar geleden. Soms voel ik mij nu schuldig omdat ik mijn tijd besteed aan pulpfictie. Maar dan vraag ik me meteen af of Simenon wel pulpfictie is. Het lezen van die boeken is alvast een aangenaam tijdverdrijf.  Binnenkort ga ik toch maar eens aan ‘De ongeschreven leer beginnen’, dat boek heb ik nog altijd niet gelezen. De reden is dat ik mijn Plato niet heel goed ken, hoewel ik filosofie heb gestudeerd. Ik heb echter nooit zijn volledig werk gelezen en ken jammer genoeg ook geen Grieks.

In mei 2013 reisde ik voor de tweede keer in mijn leven naar Sicilië. Het gebeurt wel vaker dat ik ziek ben als ik op reis vertrek en schonk er bijgevolg weinig aandacht aan. Toen ik in Catania aankwam werd het hoesten erger, de koorts steeg snel. Een dag later nam ik mijn toevlucht tot antibiotica en cortisone. Zo reisde ik met mijn vrouw naar Syracuse. Ik had Geerten Meijsings personalia bij me, maar wist dat ik hem niet zou ontmoeten. Ik had nooit eerder iemand opgezocht die ik bewonderde, mijn schuchterheid en gevoel van minderwaardigheid hadden me altijd in de weg gestaan, en nu was ik nog ernstig ziek op de koop toe. Ik had Geerten ook helemaal niet verwittigd van mijn komst naar Syracuse.

In Sicilië heb ik gezien dat het onvolmaakte bijna volmaakt kan zijn en onbevredigde verlangens grootser zijn dan bevredigde en de weg wijzen naar iets onnoemelijks, al zal ik nooit in een opperwezen geloven.

Syracuse is dan ook nog eens een van de mooiste steden die ik ken, vooral het schiereiland Ortigia is een parel, met overal waar je kijkt de zaligmakende zee. Dat blauwe water en het licht dat erop schijnt, de beste middelen tegen melancholie. Geneesmiddelen, wandelingen in de stad, heerlijke wijn en eenvoudig bereide vis gaven me weer levenskracht. Ik besloot Geerten een mail te sturen: of hij zin had in een ontmoeting?

Ik ben van vandaag aangekomen in Siracusa en logeer in Ortigia, nog tot vrijdagochtend. Zou je heel graag ontmoeten. We zouden bijvoorbeeld op een avond wat kunnen gaan drinken bij Doctor Sam, waar jij zo mooi over hebt geschreven. Ik heb er vanavond naar het vuurwerk gekeken.

Ja, ze hebben er flink op los geknald en ik hoorde ook kerkklokken luiden die ik anders nooit hoor; ik denk dat het weer iets met Santa Lucìa is geweest – ik raak de tel van al die feestdagen enigszins kwijt.

Geerten stemde toe. Donderdagavond wat drinken bij Doctor Sam vond hij een goed idee. Stel maar een uur voor, schreef hij. Drinken deed hij niet meer en hij voegde eraan toe dat alles verandert en dat het in die door hem zo levendig beschreven bar lang niet meer zo als vroeger is; de scootermeisjes waren ook helemaal verdwenen.

Geweldig dat we elkaar donderdagavond kunnen ontmoeten. Ik kijk er zo naar uit, ook al is het niet mijn gewoonte om met beroemdheden, grote schrijvers, halfblinde vossen en prominenten op café te gaan. Daar ben ik veel te schuchter voor. Ik heb je in Brussel ooit horen voorlezen; toen heb ik het zelfs niet gewaagd je aan te spreken

De verwijzing naar die scootermeisjes deed me echter weer twijfelen. Kende ik het werk van de geliefde schrijver wel voldoende? ‘De scootermeisjes van Ortigia’, had ik zelfs niet gelezen, om de eenvoudige reden dat ik het boek nergens had kunnen vinden. Zou ik de afspraak niet alsnog afzeggen? Die nacht sliep ik amper. Ik was gespannen, onrustig, twijfelde of ik wel een woord zou kunnen zeggen, ik kon me zelfs de titels van Geerten Meijsings boeken niet meer herinneren, wist niets over literatuur, wist eigenlijk helemaal niets meer, was tot lichaam herleid.

2013_05_SICILIE-CANON 035.JPG

*Titel uit een e-mail van Geerten Meijsing van na onze ontmoeting.

Foto’s: Martin Pulaski, Syracuse, 12 5 2013.

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin?

nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

STIJL EN VERBLINDING

Niccolò_Machiavelli_by_Santi_di_Tito.jpg

Ten aanzien van politici – en zeker ten aanzien van invloedrijke en machtige politici met een diploma geschiedenis op zak – ben ik bijzonder voorzichtig en kritisch als zij dwepen met extreemrechtse voorgangers, ideologen, collaborateurs en zo meer. En niet alleen als zij ermee dwepen, ook als zij ze afdoen als ongevaarlijk omdat zij tot het verleden behoren. De uitspraken van Bart De Wever van de voorbije dagen zijn verwerpelijk. Voor hem is de eerste helft van de twintigste eeuw een oude geschiedenis. We moeten de problemen van deze eeuw aanpakken. Hoe cynisch kun je zijn? Hebben Rimbaud, Vermeer, William Blake, Shakespeare, the Beatles geen invloed meer op de hedendaagse mens en meer bepaald op de jeugd? De Poolse auteur Jan Kott noemde Shakespeare terecht een tijdgenoot. Hetzelfde geldt helaas voor misdadige ideologen als Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkischer Beobachter, Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder Hitler, cineaste Leni Riefensthal en vele anderen. Ik vermoed dat de huidige voorzitter van de Vlaams-nationalistische partij Machiavelli in zijn boekenkast heeft staan. Of toch niet? Misschien vindt hij het werk van die denker het lezen niet waard vanwege te lang geleden te boek gesteld?

jan kott 001.jpg

Politici en historici moeten duidelijk zijn; ze mogen de waarheid geen geweld aandoen. Het is onze morele plicht hun eventuele leugens, bedriegerijen en uitvluchten aan te klagen. Maar hoe gaan wij om met ‘bedenkelijke’ kunstenaars en schrijvers uit het verleden? En hoe met schrijvers en kunstenaars van nu die – bijvoorbeeld – fascistische, nazistische en antisemitische kunstenaars en schrijvers bewonderen? Hoe gaan wij om met Ezra Pound, Louis Ferdinand Céline, Heidegger, Paul Morand, Roger Nimier en – de door Eddy Du Perron bejubelde – Pierre Drieu la Rochelle? Hoe gaan wij om met hun werk, met onze mogelijke bewondering voor hun werk, en met de uitgesproken bewondering van anderen voor dat werk?

 

Nimier.jpg

Wat mezelf betreft wil ik op dit ogenblik alleen kwijt dat ik van Ezra Pound nooit veel begrepen heb, enkele Pisaanse Canto’s (vertaald door Paul Claes en Mon Nys) niet te na gesproken; dat ik Heidegger grondig heb gelezen toen ik filosofie studeerde en sommige van zijn boeken soms nog wel eens ter hand neem, vooral zijn ‘Erlauterungen zu Hölderlins Dichtung’ en dat ik daar geen spoor van totalitarisme en nog minder van antisemitisme in aantref; dat ik van Céline alleen ‘Reis naar het einde van de nacht’ (vertaald door E.Y. Kummer) en ‘Moord op krediet’ (vertaald door Frans van Woerden) heb gelezen, lang geleden, meesterwerken vond ik beide romans, dat ik me daar nu soms voor schaam, ook al wist ik destijds niet hoe ver het antisemitisme van Céline reikte; de andere schrijvers heb ik geweigerd te lezen.

Gabriele-DAnnunzio.jpg

Waarom breng ik dit nu ter sprake? Omdat ik al een hele tijd omcirkelende bewegingen maak rond Geerten Meijsing en meer bepaald rond mijn ontmoeting met de eminente schrijver in mei 2013. Ik wist en weet van Geerten dat hij met een aantal – vooral Franse en Italiaanse – fascistische schrijvers dweept. Hij heeft daar nooit dubbelzinnig over gedaan. Ik weet dat hij een zwak heeft voor dandy’s als Gabriele d’Annunzio, toch een proto-fascist en Pierre Drieu La Rochelle, collaborateur en antisemiet; veel meer vanwege hun stijl, hun levenswijze, hun decadentie dan hun ideologie. D’Annunzio had bijvoorbeeld verhoudingen met heel wat beroemde vrouwen; dat speelt voor onze held zeker een rol.  Het sterk door de jonge Flaubert beïnvloede werk van D’Annunzio is gedateerd, in tegenstelling tot dat van Flaubert zelf, dat tijdloos is. Of Geerten opkijkt naar de rechtse non-conformist Charles Maurras, leider van de reactionaire beweging Action Française, weet ik niet. Wel weet ik dat hij Guy Dupré en Roger Nimier (snelle auto’s!) nogal bewondert, die beiden gerekend worden tot de Huzarenbeweging, een groepje literatoren dat zich vooral tegen het existentialisme van Sartre keerde. Deze beweging ken ik maar oppervlakkig. Dat de groep zich tegen Sartre afzette lijkt me geen misdaad. En hun stijl (1) spreekt ook mij wel aan.

Nu kan het lijken dat ik Geerten toch niet als een vriend beschouw, dat mijn bewondering helemaal niet zo groot is als ik aanvankelijk beweerde. Niets is minder waar. Maar mijn achting is niet onvoorwaardelijk. Ik doe niet aan idolatrie. Geerten Meijsing is geen fascist, geen antisemiet, geen racist. Hij is veeleer een apolitieke outsider, een non-conformist, een dandy en een begenadigd auteur. Hij dweept met schrijvers als D’Annunzio vanwege hun decadentie, en ook, denk ik, omdat zij wegens hun foute politieke overtuigingen werden verstoten uit het intellectuele en maatschappelijk leven. Ik betreur deze bizarre voorkeuren van hem ten zeerste. Maar daartegenover staat zijn liefde voor zoveel schoonheid – die niet door politieke idiotie is aangetast – en voor het leven in het algemeen, daartegenover staat zijn generositeit die tot uiting komt in al zijn boeken maar ook in de schaarse interviews die hij geeft. Geerten Meijsing is een warme man die veel afgezien heeft maar die desondanks zijn levenslust en zijn humor heeft kunnen behouden.

Ω

(1)
Le style du hussard, c’est le désespoir avec l’allégresse, le pessimisme avec la gaieté, la piété avec l’humour.
C’est un refus avec un appel. C’est une enfance avec son secret.
C’est l’honneur avec le courage et le courage avec la désinvolture.
C’est une fierté avec un charme ; ce charme-là hérissé de pointes.
C’est une force avec son abandon. C’est une fidélité.
C’est une élégance. C’est une allure.
C’est ce qui ne sert aucune carrière sous aucun régime.
C’est le conte d’Andersen quand on montre du doigt le roi nu.
C’est la chouannerie sous la Convention.
C’est le christianisme des catacombes.
C’est le passé sous le regard de l’avenir et la mort sous celui de la vie.
C’est la solitude et le danger. Bref, c’est le dandysme.

Pol Vandromme, Roger Nimier le grand d’Espagne

Ω

Illustraties: Niccolò Machiavelli door Santi di Tito; Jan Kott’s ‘Shakespeare tijdgenoot’; Roger Nimier; Gabriele D’Annunzio.