DE ‘SCHIJTERIGE’ SCHOONHEID

labelle9.jpg

Gisteren met A. in het Filmmuseum nog een keer ‘La belle noiseuse’ gezien, dat wonder van licht en geluid en beweging. Voor mij een hoogtepunt in het oeuvre van de onlangs overleden Franse regisseur Jacques Rivette. Slechte of middelmatige films heeft hij niet gemaakt, maar in ‘La belle noiseuse’ overtreft de regisseur zichzelf. Het verhaal van Balzac waar de film op gebaseerd is heeft niet veel om het lijf. Het gaat over de strijd van de oudere schilder Frenhofer met zichzelf, met zijn verleden en met zijn model, een schijterige schoonheid. Emmanuelle Béart heeft als Frenhofers model Marianne gedurende ongeveer drie uur hélemaal niets om het lijf. Af en toe een kamerjas, een sigaret tussen de voluptueuze lippen. Dit kunstwerk is evenwel geen erotisch spektakel – alleszins gaat het niet om opwindende erotiek, het gaat om krampachtige schoonheid. André Breton schreef het al in ‘Nadja’: “De schoonheid zal CONVULSIEF zijn of zal niet zijn.”

Hoewel het verhaal zoals gezegd van ondergeschikt belang is, blijf je toch als betoverd vier uur lang zitten kijken naar het wrede wonder dat zich daar op het scherm ontvouwt: het ontstaan van een kunstwerk. Film is altijd illusie, maar je gelooft dat Michel Piccoli, toen 66 jaar, een echte schilder is, ook al is de hand die je ziet tekenen en schilderen die van Bernard Dufour. Rivette vertelt op ironische wijze en zijn theatrale scènes scheppen afstand. Toch leef je mee met de vier belangrijkste protagonisten, de schilder, zijn vrouw, het model en de vriend van het model. Vooral voel je empathie voor Frenhofer’s vrouw (zijn vroegere model), mede dankzij het acteertalent van Jane Birkin. Dit moet de rol van haar leven zijn; vermoedelijk was ze zich daar bewust van.

Ik zag ‘La belle noiseuse’ voor het eerst in 1991, toen ik nog maar net in Brussel woonde. Ik denk dat ik me destijds wat blind heb gestaard op de schoonheid van Emmanuelle Béart. Op haar lichaam, dat het licht van Languedoc-Roussillon uitstraalt. Wellicht was ik ook een beetje jaloers op Frenhofer, dat hij zo’n prachtig model kon hebben en in zo’n mooi huis – eerder een chateau – wonen, en met zo’n begripvolle vrouw aan zijn zijde. En ik was niet eens een schilder. Gisteren heb ik begrepen dat er geen enkele reden was en is om jegens Frenhofer zulke gevoelens te koesteren. En hoewel ik me niet met zo’n grote kunstenaar wil meten wil ik er toch aan toevoegen dat er ook geen enkele reden is om jaloers of afgunstig op mij te zijn.

la-belle-noiseuse4.jpg

HOOGSTE TIJD

heartworn2.jpg

Gisteren zag ik toevallig enkele fragmenten uit de film ‘Heartworn Highways’ van James Szalapski over de Outlaw Country-beweging in Texas en Tennessee. De documentaire werd pas in 1981 uitgebracht, maar de opnames werden al in de periode 1975-1976 gemaakt. In die tijd waren de protagonisten van ‘Heartworn Highways’, onder meer Townes Van Zandt, Rodney Crowell, Guy Clark en Steve Earle, nog onbekend. Steve Earle was pas twintig, zijn eerste volwaardige elpee, ‘Guitar Town’, zou pas in 1986 uitkomen. Van de drie of vier geziene uittreksels werd ik vrolijk en triest tegelijk. Een soort van opgetogen weemoed overviel me.
James Szalapski filmt in 1975 een uitgelaten ‘kerstfeestje’ ten huize van Guy Clark en zijn vrouw Susanna. Aanwezig zijn, naast de gastheer en -vrouw, Steve Earle, Rodney Crowell, Steve Young, Jim McGuire en enkele anderen. Hoewel alle gasten stevig gedronken hebben (en andere middelen gebruikt) zijn ze nog goed bij stem en bespelen ze hun gitaren en dobro’s met verve. Hoogtepunten zijn Steve Earle’s ‘Mercenary Song’, Guy Clark’s ‘Country Morning Music’ en ‘Stay a Litte Longer’, een duet van Steve Earle met Rodney Crowell. Het is duidelijk dat voor deze muzikanten het verleden en de toekomst niet bestaan: iedereen is in het nu. Wat niet zo ongewoon is bij dronkenschap en euforie, maar meestal bestaan er geen behoorlijke beelden – met klankband – van zo’n ‘nu’. Die euforie werkte bij mij aanstekelijk, maar zoals gezegd werd ik er ook triest van, waarschijnlijk omdat ik me niet in het ‘nu’ bevond maar in het ‘gisteren’, vier decennia geleden.

Waar was ik zelf op die kerstavond in 1975 en wat deed ik daar? Mijn herinneringen zijn grotendeels vervaagd. Ligt het aan een slecht werkend geheugen of aan de wil om te vergeten? In die tijd maakte ik vrijwillig géén foto’s: ik dacht dat ik over een fotografisch geheugen beschikte en me later nog alles zou herinneren. Ten minste, ik meen me te herinneren dat ik dat dacht.
Dit zijn enkele feiten. Ik was nog maar pas afgestudeerd, werkte bij boekhandel Corman in Brussel, woonde met A. in de Waterkrachtstraat in Sint-Joost, was arm en redelijk gelukkig. Als ik niet in de winkel stond schreef ik experimentele teksten en gedichten, vrijde uitbundig maar niet losbandig, ontmoette vrienden, dronk Jim Beam en Jack Daniels en rookte af en toe een joint (zoals de muzikanten in ‘Heartworn Highways’) en leefde, daar ben ik bijna zeker van, helemaal in het nu.

Mouchette5.jpg

Waaraan ik, naast seks en schrijven, het meeste plezier beleefde was film. We gingen twee, drie keer per week naar het Filmmuseum, nu officieel Cinematek, een benaming die ik weiger te gebruiken. Daar zagen we films die me in veel gevallen beter zijn bijgebleven dan de details uit mijn eigen leven. Een daarvan was ‘Mouchette’ uit 1967. Gisteren zag ik Robert Bresson’s meesterwerk opnieuw.
Wat vind ik het moeilijk om met redelijke argumenten aan te tonen dat het om een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis gaat. Om het even welk adjectief is te schamel, te nietszeggend. Zelfs onredelijke argumenten hebben geen zin. Uitroepen, beledigingen, vloeken, gebral, gejubel… Net zomin als gelovigen kunnen bewijzen dat god bestaat kan ik aantonen dat ‘Mouchette’ beter is dan om het even welk ander meesterwerk – in om het even welke discipline. ‘Mouchette’ maakt je sprakeloos, brengt je op het randje van het catatonische. De film verandert je leven. Of stelt op zijn minst de vraag of het niet de hoogste tijd is om je leven te veranderen.

Van kerstavond, – nacht en –dag 1975 herinner ik me vandaag niets. Was er een feestje bij iemand, hadden we zelf iets georganiseerd? Wie zal het zeggen.

mouchette3.jpg
Afbeeldingen: Guy & Susanna Clark; Mouchette (Nadine Nortier).

 

DE BETOVERING VAN BOEKEN

viva 6.jpg

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. Gisteren trof ik in Brussel zo’n onzichtbare, ondergrondse stad aan. Ik had altijd al wel een vermoeden gehad dat ze bestond, maar nu weet ik het zeker. Om vijf over tien kwam ik in het Hotel van Cleve in de Ravensteinstraat aan, goed op tijd dacht ik voor de boekenverkoop van het Filmmuseum (officieel Cinematek, een naam waar ik me nooit mee zal verzoenen), een van de fijnste instellingen van dit land. Enigszins verbaasd stelde ik vast dat er al vrij veel boekenliefhebbers in de grote ruimte aanwezig waren. In haast volstrekte stilte, alsof ze een eredienst  bijwoonden, stonden ze over tientalen dozen vol schitterende boeken over voornamelijk film gebogen. Ik zag dat sommigen al flinke stapels torsten. Het kleine publiek hier riep herinneringen op aan de tijd toen ik filosofie studeerde, evenals aan de periode dat ik ongeveer vijf avonden per week in het Filmmuseum doorbracht. Ernstige, gepassioneerde mensen, vervuld van een hartstocht voor schoonheid, voor wat ik alleen maar ‘het geestelijke’ kan noemen. Ieder voor zich maar toch verenigd in dezelfde passie.Wat een prachtige boeken voor zo weinig geld. Het stemt wel tot nadenken dat ze nog maar zo weinig waard zijn; in Hotel van Cleve gemiddeld drie euro. Nieuw hebben ze stuk voor stuk een tienvoud gekost. Sommige zijn collector’s items. Maar ze moeten dan wel een collector vinden die erin geïnteresseerd is.

Hier een lijst van de trofeeën waarmee ik naar huis ben teruggekeerd. Gelukkig was ik niet alleen of ik had de helft van wat ik had geselecteerd achter moeten laten.

pierre_clementi_theredlist3.jpg

John Ford, door Joseph McBride en Michael Wilmington, in de mooie Cinema Two-reeks van Secker & Warburg.
Faulkner and Film, door Bruce F. Kawin. Over de interactie tussen film en literatuur, met aandacht voor de verfilmingen van Faulkners romans en de originele scenario’s van de schrijver.
Abel Gance, door Norman King, British Film Institute Books. Over een van mijn favoriete regisseurs, met veel aandacht voor zijn meesterwerk ‘Napoléon’. In ‘Napoléon’ speelt Abel Gance de rol van Saint-Just, wat geen toeval is.
Fields For President, door W.C. Fields. Een pocketuitgave uit 1972, toen Fields opnieuw werd erkend als een van de grootste komieken ooit, “one of the original antiheroes so currently in vogue with today’s “let it all hang out” generation.”
Memoirs of a Mangy Lover, door Groucho Marx. “The craziest Don Juan in the history of seduction.”
Samuel Fuller, door Nicholas Graham, in de Cinema One-reeks in samenwerking met het British Film Institute. Graham onderzoekt de thema’s en methodes van de grote Amerikaanse filmregisseur.
Quelques messages personnels, door Pierre Clémenti. Pierre Clémenti was een van de antihelden van mijn generatie. Hij acteerde in films van onder meer Bertolucci, Pasolini en Buñuel. De mooie, lieve jongen zat twee jaar in een Romeinse gevangenis opgesloten vanwege bezit van een kleine hoeveelheid cocaïne, zeer waarschijnlijk door de politie zelf in zijn kamer verstopt. Zo ging de gevestigde orde in die dagen om met wat nu iconen worden genoemd, in het oog springende exponenten van de tegencultuur. Brian Jones, Julian Beck en Judith Malina zijn andere voorbeelden.
The Rolling Stone Inverviews, Vol 2, verschenen in 1973, toen Rolling Stone nog een links tijdschrift was, een van de invloedrijkste bladen van de tegencultuur. Interviews met o.m. Bob Dylan, Van Morrison, Johnny Otis en Leon Russell.
Child of Satan, Child of God – Her Own Story, door Susan Atkins en Bob Slosser. Dit heb ik gekocht om mijn honger naar de Manson Family te stillen. “When she met Charles Manson, she felt she had met the world’s savior.” Het ironische is dat Susan Atkins er duivelser uitziet nadat ze de Heer heeft gevonden dan toen ze discipel was van Manson.
Superstar, door Viva. Hier ben ik werkelijk heel blij mee. Ik zoek er al tientallen jaren naar. Ooit gelezen in een vreselijke Nederlandse vertaling. “The scandalous bestseller by the Underground film idol.” “A smashing stag movie set between covers!”.
Lovesick Blues. The Life Of Hank Williams, door Paul Hemphill. Verschenen bij Viking in 2005.
The Life and Times of Little Richard, door Charles White.
De schrijver wordt Dr. Rock genoemd, niet alleen omdat hij geneesheer is. En Little Richard? “After hearing Little Richard on record I bought a saxophone and came into the music business. Little Richard was my inspiration.” Dat zegt David Bowie.
Don’t Tell Dad. A Memoir, door Peter Fonda. Ik ken betere acteurs en regisseurs dan Peter Fonda, maar hij komt uit een bijzonder interessante familie en hij was een van de jongens die de sixties een gezicht gaven. Dit is het boek waar ik het meest nieuwsgierig naar ben.
Elia Kazan. A Biography, door Richard Schickel, uitgegeven door HarperCollins in 2005. In weerwil van zijn verraderlijke hart ben ik een groot bewonderaar van zijn werk. Hoe kan het anders, met films als ‘A Streetcar Named Desire’, ‘On the Waterfront’, ‘America America’, ‘Baby Doll’ en ‘The Arrangement’?
Adventures Of A Suburban Boy, door John Boorman. Boorman is de regisseur van onder meer ‘Point Blank’, ‘Hell In the Pacific’, ‘Deliverance’ en ‘Zardoz’. Paul Auster schrijft over dit boek het volgende: “Boorman proves himself to be a master storyteller in this beautifully and deeply affecting memoir.”

Om elf uur verliet ik de onzichtbare stad en keerde met twee papieren zakken vol  leven, lijden en dromen – maar ongetwijfeld ook inzichten en levenslessen – terug naar onze eenzame vertrekken. Nu hoop ik alleen maar dat de winter heel lang mag duren. Geen donkere, maar stralend lichte dagen, zodat de blik scherp is en de letters duidelijk afgetekend zijn op het soms al wat vergeelde papier.

the-hired-hand-peter-fonda.png

Afbeeldingen: Viva en Agnes Varda tijdens het draaien van ‘Lion’s Love’; Pierre Clementi; Peter Fonda in ‘The Hired Hand’.

HET LEVEN EEN FILM: PAPER FLOWERS

waheeda rehman.jpg

In mijn jeugd was ik vaak vrolijk, of toch opgewekt en avontuurlijk, ondanks een zwakke gezondheid en soms erge pijn. Zoals heden kende ik echter ook dagen van melancholie, maar die waren zeldzaam en duurden niet lang. Bovendien wist ik helemaal niet wat melancholie was. Soms is het beter de dingen niet te kennen, er weinig over te weten. Vooral kan het onrust voorkomen de woorden die bij dingen en verschijnselen horen niet te kennen. Waar komt die zucht naar woorden vandaan en het ongelukzalige verlangen naar kennis en weten?

Vanaf mijn twintigste ongeveer raakte ik gefascineerd door zelfmoordenaars. Is daar een verklaring voor te vinden? Ik ken er maar een: de zelfmoord van mijn tante Georgette, die door iedereen tante Jos werd genoemd. Het is echter een fenomeen dat nogal veel voorkomt. ‘The imp of the perverse’, de fascinatie die uitgaat van het verschrikkelijke, van de horror. Jeroen Brouwers lijkt wat dat betreft op mij. Hij heeft veel en mooi over zelfmoordenaars geschreven, ik denk dan in de eerste plaats aan ‘De laatste deur’. Veel heb ik over het onderwerp geleerd van A. Alvarez, auteur van ‘The Savage God’ en vriend van Sylvia Plath. Overigens is Sylvia Plath wellicht de beroemdste bewoonster van de zevende kring in Dante’s Hel.

Op 2 juni 1987 – mijn verjaardag – zag ik een eerste keer het Indische meesterwerk ‘Kaagaz ke phoo’ (‘Paper Flowers’), een film uit 1959 van de legendarische Guru Dutt. Ik had nooit eerder van de regisseur gehoord, wist hoegenaamd niet dat hij enkele jaren na het beëindigen van dit werk, destijds een flop, zelfmoord zou plegen. Toch had ik het kunnen, had ik het moeten weten: er bestaan maar weinig films die zo naar de strot grijpen als ‘Paper Flowers’. Het is een van de triestigste liefdesverhalen die ik ken. Alles straalt daar diepe melancholie uit. Nee, niet alles, gelukkig maar, anders zou je als kijker bij het verlaten van de cinemazaal meteen onder een tram of bus springen. Als je nog zit te huilen begint er alweer een grappige scène of wordt er een geestig lied gezongen: een lach en een traan, maar de traan is van lood, de lach lichter dan een papieren bloem.

guru dutt,paper flowers,kaagaz ke phoo,waheeda rehman,geeta dutt,india,cinematiek,liefde,melancholie,verdriet,ondergang,vergetelheid,troost,schoonheid

Gisteren had ik het genoegen de film eindelijk op een groot scherm te zien, in het Filmmuseum (Cinematek) in Brussel. Opnieuw een openbaring, opnieuw die melancholie, opnieuw die door merg en been gaande muziek van S.D. Burman, gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi, opnieuw die adembenemende fotografie. Een nogal geschonden kopie die desondanks een even hoge kwaliteit laat zien als die van het werk van regisseurs als Orson Welles. ‘Paper Flowers’ is uitgesproken autobiografisch. Guru Dutt speelt de hoofdrol, de trotse filmregisseur Sinha, die gescheiden leeft van zijn vrouw en dochter en zich aangetrokken voelt tot de verbluffend mooie actrice Shanti (gespeeld door Waheeda Rehman, een jonge actrice die op z’n minst even aantrekkelijk en sensueel is als Hope Sandoval). Guru Dutt had in werkelijkheid ook een liefdesverhouding met Waheeda Rehman. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw Geeta Dutt en zijn drie kinderen. De protagonist wordt verscheurd door de liefde voor Shanti en voor zijn dochter Pammi. Als Shanti de regisseur laat vallen wordt het gezin misschien herenigd: dat is wat Pammi heel sterk verlangt en waar Shanti, uit liefde voor Sinha, aan toegeeft. Overigens speelt het geroddel in de boulevardpers over haar vaders affaire  een belangrijke rol in de beslissing van Pammi om Shanti te verzoeken haar minnaar te verlaten. De moeder zal echter beletten dat Pammi haar vader nog te zien krijgt. Sinha, de regisseur, blijft alleen achter, een nog steeds trotse maar desondanks gebroken man. Hij geraakt aan lager wal, drank wordt zijn enige toevlucht. Zijn roem was van korte duur. Na de val keren al zijn vrienden hem de rug toe. Binnen de kortste keren is iedereen hem vergeten.

guru_dutt_.jpg

Ik vertel de film ogenschijnlijk na, maar eigenlijk doe ik dat helemaal niet. Het kan niet. Je moet hem zien, ondergaan, ervaren, je moet er bij zitten lachen, huilen, alle emoties moeten zich gedurende bijna drie uur van je meester maken, tot je uitgeput en aan zinsverbijstering ten prooi het licht in de zaal ziet aangaan. Het verhaal van de liefde en de val gaat ook niet alleen maar over Sinha, Shanti, Pammi en hun entourage. Het gaat over de wereld en het leven. Niets duurt hier lang, geluk is kortstondig, liefde duurt slechts een ogenblik, aan alles komt een einde, vrienden laten elkaar in de steek, geliefden gaan hun eigen weg. De tuin vol wonderlijke bloemen wordt een woestenij. Het enige wat overblijft is de herinnering aan de glinstering in de ogen van een bekoorlijke en lieve vrouw, en het zachte en troostende treuren in de stem van een zanger en een zangeres. De herinnering.

 

Afbeeldingen: Waheeda Rehman, Geeta Dutt, Guru Dutt.

GEVOELLOOS EN LEEG

repulsion cathérine deneuve

Douglas Coupland, over geen gevoelens hebben: “Waar ik mee bezig was: ik maakte me de laatste tijd zorgen omdat mijn gevoelens steeds meer begonnen te verdwijnen – het was me opgevallen dat ik steeds minder leek te gaan voelen. … Ik had het gevoel dat ik een reptiel aan het worden was, een leguaan op een steen, met een geheugen dat hard achteruitging en geen enkele compassie met wie of wat dan ook.” Douglas Coupland, Leven na God.

“En hoe is het mogelijk dat ons leven zo leeg kan worden dat zelfs een kleine goede daad al een krachtige herinnering wordt die we levenslang met ons meedragen? Hoe kan het in je leven eigenlijk zover komen?” Douglas Coupland, Leven na God

Meteen gaan mijn gedachten naar het personage Carol Ledoux in de film ‘Repulsion’ van Roman Polanski. Carol is een vrouw die zich geheel heeft afgesloten van de wereld en van haar omgeving. Ze schijnt geen gevoelens meer te hebben. Tenzij misschien  een pathologische angst voor mannen. Ze heeft geen compassie meer. Ze is alleen maar. We kijken naar haar zoals we naar een leguaan op een steen kijken. (Het personage dat Cathérine Deneuve hier zo voortreffelijk vertolkt is Belgisch. Haar familienaam is dezelfde als die van de oprichter van het Filmmuseum in Brussel, Jacques Ledoux.  Mogelijk is het een – enigszins wrang – eerbetoon van Polanski aan deze mans wiens hele wezen uit filmbeelden bestond.)

Afbeelding: Cathérine Deneuve in Repulsion van Roman Polanski