JAMES GANDOLFINI, TRAUMA’S, THERAPIEËN

tony-soprano-james-gandolfini.jpg

James Gandolfini

Van begin augustus 1997 tot najaar 2003 was ik in psychoanalyse bij een bekwame, empathische en aantrekkelijke (vrouwelijke) neuro-psychiater. De aanleiding voor de therapie was een posttraumatische shock waar ik onder gebukt ging nadat ik op een mooie, zonnige zomeravond vlakbij de Grote Markt in Brussel bijna dood was geklopt door bijzonder gewelddadige criminelen. Neus op twee plaatsen gebroken, zware hersenschudding, tanden stukgeslagen, hematoom in het bindweefsel rondom de ogen, et cetera. Voor de Brussels politie een fait-divers. Een onderzoek is er nooit geweest.

gewond1997a.jpg

Martin Pulaski, 26 juni 1997. Foto: Agnes A. of Wilfried D.

In de periode dat die psychoanalyse plaatsvond ben ik fan geworden van ‘The Sopranos’ en in het bijzonder van James Gandolfini en Lorraine Bracco, die de rol speelt van Tony Soprano’s psychiater, Jennifer Melfi. Hoewel ik zelf geen gangster ben en evenmin banden heb met de maffia, maar wel een bewonderaar van Tennessee Williams en Arthur Miller, die veel invloed hebben gehad op scenarioschrijver David Chase, en tevens een aanhanger ben van ‘niet-orthodoxe’ psychoanalyse, zag ik bijzonder veel overeenkomsten tussen mijn eigen therapie en die van Tony Soprano. Bovendien herkende ik veel eigenschappen van ‘mijn’ psychiater in Jennifer Melfi – en vice versa. Soms zat ik te huilen bij een therapeutische sessie in ‘The Sopranos’, en vroeg ik me af hoe het toch mogelijk was dat ik zo kon meeleven met een gangster. Andere keren zat ik dan weer te huilen bij mijn therapeute als ik haar als in trance een aflevering navertelde. Realiteit en fictie raakten elkaar, ruilden van plaats.

lorraine bracco.jpg

Lorraine Bracco

Ik wil niet beweren dat James Gandolfini en Lorraine Bracco de beste acteurs van de wereld waren, maar ze hebben me alvast diep geraakt en een belangrijke betekenis gehad in mijn leven. Toen mijn vrouw me vanmorgen vertelde dat James Gandolfini in Rome is overleden heb ik niet gehuild. Huilen doe ik niet meer. Waarom zou een man nog huilen? Maar ik was geschokt en diep bedroefd. Er was iemand gestorven die ik van nabij had gekend. Geen familielid, geen vriend, maar een lotgenoot, een mens met trauma’s en grote levensproblemen.

Sinds oktober 2012 ben ik opnieuw in therapie bij dezelfde mooie vrouw. Waarom? Dat wil ik voorlopig  geheim houden. Maar ik denk dat de tijd gekomen is om ‘The Sopranos’ te herbekijken. Vraag me echter niet om nog een keer naar Rome te reizen, ook al schijnen alle wegen daarheen te leiden.

Vaarwel James Gandolfini, vaarwel Tony Soprano.

DIMITRI VERHULST EN HET GELUK

jennifer-jason-leigh-eXistenZ

Gisteravond zag ik Dimitri Verhulst op televisie (alias cinema Eden). Ja, ik geef het toe, ik heb het weer gedaan, maar het was toevallig. Ik had zitten kijken naar de vierde episode van Fassbinders ‘Berlin Alexanderplatz’. ‘Een handjevol mensen in de diepste stilte’ heet dat deel. Eigenlijk is het niet geschikt voor melancholische mensen. Of juist wel, omdat het een tegengif is? Franz Biberkopf, het hoofdpersonage uit het boek en de film, is weg van zijn vriendin Lina en wil niemand meer zien; hij zuipt zich te pletter. Het is onwaarschijnlijk hoeveel die man kan zuipen. Af en toe kijkt hij door zijn raam en dan ziet hij alleen maar slechte mensen. En hij kaart met Satan.

Daarna zag ik ook nog de film ‘A History Of Violence’ van David Cronenberg. Ik houd van het werk van de Canadese regisseur, maar hij wordt almaar commerciëler. Dat is al begonnen met ‘Spider’. Waar is de tijd van films als ‘Videodrome’ en ‘Crash’? Toch heb ik mij kunnen verplaatsen in het donkere, spannende verhaal, vooral omdat er zo goed in geacteerd wordt. De cameo van William Hurt is werkelijk verbluffend. Toen die dvd afgelopen was zag ik plots het hoofd van Dimitri Verhulst opduiken. Wat heeft die man vettige haren. Of zou het gel zijn? Ik vond desondanks dat hij een aangename stem had, en bleef geboeid kijken. Mijn vriend Marc Didden, ere wie ere toekomt, heeft mij een paar maanden geleden Verhulsts ‘De helaasheid der dingen’ aanbevolen. Het is er nog niet van gekomen, maar ik zal de roman zeker lezen. Maar! Wat ben ik afgunstig op deze schrijver! Of is het gewoonweg jaloers? Waarom zou ik toch jaloers of afgunstig zijn? Omdat Dimitri Verhulst gelukkig is (dat zegt hij zelf) en ik ben het niet. En hij heeft zelfvertrouwen en ik niet. En hij kan zich verplaatsen in zijn fictionele wereld en ik niet.

Ik zit in mijn biografie opgesloten. In mijn huid waar ik niet uitgeraak. En om mijn huid zit nog een ander omhulsel, waardoorheen ik de anderen niet meer kan bereiken, en de anderen mij niet. En fictie? Soms zoek ik nog wel naar personages, maar ik vind ze niet en ik kan ze niet uitvinden. Ik heb geen toegang tot dat gedeelte van mijn hersens waar mijn fictieve personages worden bedacht. Toch ben ik op de eerste plaats jaloers / afgunstig op Dimitri Verhulst omdat hij zo gelukkig is. Met zijn vrouw en zijn werkkamer en zijn boeken en zijn vettige haren. Of is het gel? Wat niet betekent dat ik de schrijver zijn geluk niet gun. Alleen zou ik ook graag zo gelukkig zijn. Ik heb eveneens een vrouw en een werkkamer en vettige haren (zij een veel kleiner aantal dan Verhulst). Waar wacht ik dan op? Wat houdt me tegen? Misschien moet ik toch eerst eens dat boek lezen, en staat daar in hoe ik het geluk kan vinden.

Afbeeldingen: eXistenZ en Dimitri Verhulst.

GRAVEN

kerkhoven,graven,ferrara,giorgio bassani,michelangelo antonioni

Foto: Martin Pulaski.

Het valt me nu op dat ik in Ferrara veel tijd doorbracht op kerkhoven. Eerst op het Certosa, de zeer uitgestrekte stedelijke begraafplaats. Bij een meisje in een soort van kantoortje gingen we vragen of ze ons de weg kon wijzen naar het graf van de onlangs overleden filmregisseur Michelangelo Antonioni. Hij is geboren in Ferrara en werd er ook begraven. Het meisje wist in welke windstreek zijn stoffelijke resten zich bevonden, maar meer niet. Misschien zou de verantwoordelijke van het kerkhof het wel weten. Die persoon was echter evenmin onvindbaar, zodat we zelf maar op zoek zijn gegaan. Zoveel doden… Ik keek vooral uit naar een graf vol verse bloemen. Tevergeefs, het kerkhof was te groot, het was ‘onbegonnen’ werk. Eerder die dag hadden we al voor de gesloten deur van het Antonioni Museum gestaan. Daar worden naar verluidt zijn aquarellen tentoongesteld. De deur van het museum leek wel een naamloos graf. In het Palazzo dei Diamanti, een prachtig en beroemd gebouw er vlakbij, wist men alleen maar dat het Antonioni Museum voorlopig gesloten was en niet wanneer het weer open zou gaan.

Op een andere dag bezochten we het Joods Kerkhof, op zoek naar het – imposante, stelde ik mij voor, waarom eigenlijk? – graf van de Ferrarese schrijver Giorgio Bassani. Ik heb wel veel graven van Bassani’s gevonden, wellicht familieleden, maar geen Giorgio. Het Joods Kerkhof is werkelijk indrukwekkend. Je moet eerst bij een mevrouw aanbellen om binnengelaten te worden. Mannen moeten hun hoofd bedekken met een keppeltje. Zeer bevreemdend vond ik de graven van tientallen Finzi’s en Contini’s, persoonsnamen waarvan ik aannam dat ze verzonnen waren. Kennelijk schreef Bassani minder fictie dan ik dacht, zijn zijn romans veeleer kronieken, autobiografische geschriften, geen ‘echte verzinsels’. Rest nog de vraag of er ‘echte verzinsels’ bestaan.

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

Haruki Murakami

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen.

Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 – had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend vanwege zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?

SHAKESPEARE’S HELDEN

LMG140031

Deze monotone dagen zijn het dieptepunt van het jaar. Overdag is er niets dat me boeit en kan ik ook nergens energie uit putten. Vaak als ik me zo moedeloos (futloos of hoe zal ik het noemen – niet: melancholisch) voel, denk ik aan de woorden van Patti Smith:

Sometimes my spirit is empty
Don’t have the will to go on
I wish that someone would send me
ENERGY!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

en meestal hoor ik dan ook de melodie van dat lied, hoor ik die ergens in mijn hoofd en dan gaat het beter, want dan voel ik me niet meer alleen in deze grauwe, suffige toestand. Vandaag echter kon ik er niet bovenop geraken, ik bleef moe en futloos.

s’ Avonds gaat het beter. Om tien uur ga ik in bed, dan ben ik wat rustiger, dan kan ik tenminste lezen. Gisteren tot 3 uur ’s ochtends: ik wilde Hamlet uitlezen, en het is me gelukt. Daarna was het tijd voor King Lear.

Het is alsof ik ’s nachts, in Shakespeare’s theatrale wereld, pas echt tot leven kom, alsof ik dan, in mijn passiviteit (van het lezen), pas echt actief word. Wat zijn de mensen, ikzelf inbegrepen, banaal in vergelijking met de helden van Shakespeare, wat is het leven zinloos en kleurloos vergeleken bij het leven dat Shakespeare’s personages leiden.

King Lear, Cordelia, Gloster, Glosters zoon Edgar (en zijn smeerlap van een broer Edmond): mensen van vlees en bloed, elk van hen een wereld op zichzelf, een afgrond, een noodlot. Wie, van allen die nu in leven zijn, kunnen wij daar tegenover, of daar naast plaatsen ? Bush, Saddam, Koningin Paola, Mijnheer Leterme, Brad Pitt, Angelina Jolie, Bob Dylan, Bono, Sharon, Kate Ryan? Het lijken mij eerder figuren van bordkarton dan helden of zelfs gewoon maar hartstochtelijke mensen.

Misschien ligt de kracht, de onverwoestbaarheid van Shakespeare’s personages in hun wezenlijke onechtheid, in hun ‘fictionaliteit’. Maar ook aan fictieve helden is onze tijd arm. Er zijn geen helden, geen personages meer. Onze laatste mythische helden – en dat was ook al mijn mening in 1980 – waren de gunfighters, de desperado’s, de outlaws, de killers, de sheriffs en de marshalls uit de western. Niet John Wayne, Henry Fonda, Gary Cooper, Joan Crawford maar de personages die zij vertolkten. Zij hebben nog steeds nut en waarde voor het leven. Kunstenaars als Andy Warhol hebben dat overigens goed gezien.

Maar meteen trek ik al in twijfel wat ik hierboven heb beweerd. Want eigenlijk verafschuw ik helden; en heldenverering nog meer. Maar ik doe niet echt aan heldenverering: ik wilde in de eerste plaats een onderscheid maken tussen echte en onechte personages, helden. “What’s real & what is not”. Mijn paradoxale vaststelling dat fictie echter, reëler is dan de realiteit verbaast me enigszins. Voor dergelijke conclusies moet ik ongetwijfeld op mijn hoede zijn.

Als je schrijft ben je eenzaam? Je bent altijd eenzaam. De eenzaamheid weegt minder zwaar als je ze niet als tijdverlies ervaart, wel als een mogelijkheid om met jezelf in het reine te komen. Als een manier om jezelf langzaam te openen, als een blikje sardienen. Wat je te bieden hebt zijn die sardienen. Kom ze maar opeten!

Ik heb een mooie nieuwe cd gekocht van Beth Orton: Comfort Of Strangers. Later meer daarover. Nu ga ik proberen te slapen.

Afbeelding: Cordelia comforting her father (detail), George William Joy

SHAKESPEARE’S HELDEN

mercede mccambridge johnny guitar

Het is me vaak overkomen dat ik me innerlijk leeg voelde. Even vaak moest ik dan onwillekeurig denken aan de woorden van Patti Smith [1]:
Sometimes my spirit is empty
Don’t have the will to go on
I wish that someone would send me
Energy!
en meestal hoor ik dan ook de melodie van dat lied, hoor ik die ergens in mijn hoofd, met als gevolg beterschap, want dan voel ik me niet meer alleen in deze ellendige toestand.

’s Nachts zoek ik soms soelaas in Shakespeare’s theatrale wereld, die dan voor mij pas echt tot leven schijnt te komen, alsof ik dan, in mijn passiviteit (van het lezen), werkelijk actief word. Wat zijn de stervelingen, ikzelf inbegrepen, banaal in vergelijking met de helden van Shakespeare, wat is ons dagelijks bestaan zinloos en vooral kleurloos vergeleken bij het leven dat Shakespeare’s personages leiden.
King Lear, Cordelia, Gloster, Glosters zoon Edgar (en zijn smeerlap van een broer Edmond): mensen van vlees en bloed, elk van hen een wereld op zichzelf, een afgrond, een noodlot. Wie, van allen die nu in leven zijn, kunnen wij daar tegenover, of daar naast plaatsen ? George Bush jr., Fidel Castro, Madonna, Tom Cruise, Guy Verhofstad, Condoleeza Rice, Koningin Paola, Bob Dylan, Osama Bin Laden, Philip Dewinter? Het lijken mij eerder figuren van bordkarton dan helden of gewoon hartstochtelijke mensen.
Misschien ligt de kracht, de onverwoestbaarheid van Shakespeare’s personages in hun wezenlijke onechtheid, in hun ‘fictionaliteit’. Maar ook aan fictieve helden is onze tijd arm. Er zijn geen helden, geen personages meer. Onze laatste idolen waren de gunfighters, de desperado’s, de outlaws, de killers, de sheriffs en de marshalls uit de western. Niet John Wayne, Henry Fonda, Gary Cooper, Joan Crawford of Mercedes McCambridge maar de personages die zij vertolkten. Zij hebben nog steeds een waarde voor het leven.
Maar echter trek ik al in twijfel wat ik hierboven heb beweerd. Want niet zelden verafschuw ik helden (dat doe ik althans in theorie); en heldenverering nog meer. Maar ik doe niet echt aan heldenverering: ik wilde in de eerste plaats een een onderscheid maken tussen echte en onechte personages, helden. “What’s real and what is not”. Mijn paradoxale vaststelling dat fictie echter, reëler is dan de realiteit verbaast me enigszins. Voor dergelijke conclusies moet ik ongetwijfeld op m’n hoede zijn.

[1] Het zijn niet haar eigen woorden. Ze komen uit de film ‘Privilege’ van Peter Watkins, waar Paul Jones ze zingt.

Foto: Mercedes McCambridge in Johnny Guitar van Nicholas Ray