OVER LEZEN IN TIJDEN VAN COVID-19 (2021)

Vanwege de letterlijk hartverscheurende omstandigheden die het leven van Agnes en mezelf in het voorjaar ontwrichtten, had ik weinig tijd om iets anders te doen dan voor mijn geliefde te zorgen. Af en toe las ik wel wat, maar dat was eerder sporadisch en niet echt met mijn hoofd erbij. Vanaf juni kwam ik wat literatuur betreft opnieuw op gang. Lezen gaat bij mij altijd samen met schrijven. Het lukte mij opnieuw om wat ‘op papier’ te zetten. Ik nam de draad van Nachten aan de Kant (of ook Antwerpse Nachten) weer op, met een zonnige onderbreking in de vorm van herinneringen aan een verblijf in de Provence.

In die eerste maanden heb ik vooral genoten van de bitterzoete autobiografie van Bulle Ogier, J’ai oublié. Het enige boek waarover ik dit jaar een stuk schreef. Daarin onder meer dit: “J’ai oublié heeft mij zin gegeven om alles wat ik het voorbije jaar op Netflix – en andere streaming-diensten – heb gezien, meteen te vergeten. Wat was de cultuurwereld die Bulle Ogier beschrijft rijk in vergelijking met de opgewarmde, smakeloze kost die ons nu wordt voorgeschoteld.”
In dezelfde periode las ik De opgang van Stefan Hertmans, zijn beste fictie tot nu toe. In dat boek trekt hij al zijn registers open; zijn schrijfkunst, inzichten en kennis bereiken daarin hun zenit. Erg mooi en goed geschreven vond ik Al het blauw, van Peter Terrin. Herkenbaar en toch bevreemdend. Hoewel de plaatsen van handeling naamloos blijven lijken we ze toch goed te kennen.

Van mijn vriend en geestverwant Pascal Cornet, die ik jammer genoeg nog altijd niet in het echte leven heb ontmoet, las ik twee delen van zijn voortreffelijke en diepgravende autobiografie. Hij heeft ze in eigen beheer moeten uitgeven. Zijn er dan geen uitgevers meer die een originele stem herkennen? Het beste en welsprekendste boek over kunst was Funny Weather van Olivia Laing. Ik weet niet weer hoe ik haar heb ‘ontdekt’. Mijn keuzes zijn nogal willekeurig; ze hangen meestal van het toeval af. Soms laat ik mij iets aanbevelen of laat ik mij leiden door een recensie. Olivia Laing schrijft in een subjectieve stijl over Patricia Highsmith, Jean-Michel Basquiat, David Bowie, Agnes Martin, vrouwelijke schrijvers die drinken, Patti Smiths ‘Land’, Wolfgang Tilmans, etc.

In literair opzicht zal 2021 voor mij altijd het jaar van Joan Didion blijven. Al is altijd een relatief begrip. Ik ben haar werk veel te laat beginnen te lezen, daartoe verleid door de schitterende documentaire ‘Joan Didion: The Center Will Not Hold’ van Didions neef, Griffin Dunne. Tot voor enkele dagen was ik nog verdiept in Blue Nights, over de dood van haar dochter Quintana en haar eigen aftakeling. Nu is ze er zelf ook al niet meer. Over schrijven deed ze deze opmerkelijke uitspraak: “In many ways writing is the act of saying I, of imposing oneself upon other people, of saying listen to me, see it my way, change your mind. It’s an aggressive, even a hostile act. You can disguise its qualifiers and tentative subjunctives, with ellipses and evasions —with the whole manner of intimating rather than claiming, of alluding rather than stating—but there’s no getting around the fact that setting words on paper is the tactic of a secret bully, an invasion, an imposition of the writer’s sensibility on the reader’s most private space.” [Uit ‘Why I Write’, terug te vinden in de verzamelbundel ‘Let me tell you what I mean’.]

Mogelijk door de opkomst en groei van extreemrechts en de populariteit van allerhande fascisten en volksmenners in dit land en elders in Europa en de Verenigde Staten, ben ik mij wat gaan verdiepen in nazi-Duitsland. Onthullend vond ik vooral LTI, De taal van het derde rijk, van Victor Klemperer. Ik zag veel overeenkomst met de taal die we op sociale media lezen en met die van nogal wat nationalistische politici. Een uitdrukking als ‘dor hout’ voor oudere en zwakkere mensen, om maar één voorbeeld te geven, is ronduit nazistisch. Meeslepend en aangrijpend was voor mij de fictie van Hans Fallada. Zijn Alleen in Berlijn (Jeder stirbt fur sich allein) is een waarschuwing voor wat ons opnieuw te wachten staat. Je ziet de voortekenen overal. Het spinnenweb, het debuut van Joseph Roth, is even onheilspellend, al behoort het niet tot zijn beste werken.

Om mij te ontspannen las ik nogal wat biografieën. Jennifer Otter Bickerdike’s You are beautiful and you are alone is een uitstekende biografie van fotomodel, actrice, zangeres en songschrijver Nico. In de zeer leesbare maar weinig opzienbarende biografie The double life of Bob Dylan – 1941-1966, alweer een lijvig boek over Dylan van de betweter Clinton Heylin, vind je weinig nieuwe informatie. Mijn probleem is dat ik, eens voorbij pagina 30, boeken bijna altijd uitlees. Er zijn ergere problemen, ook al is tijdschaarste er een van.

Opnieuw stelde ik vast dat ik te vaak online zit te lezen en dat ik die teksten, hoe magnifiek ze soms ook mogen wezen, meestal meteen weer vergeet. Mijn voornemen is om dat minder te gaan doen. Mijn andere voornemen is om opnieuw gedichten te gaan lezen. Toen ik jonger was, was ik verslaafd aan poëzie. Nu blijven die mooie dunne boekjes gesloten. Wat een verloochening is van bijna alles waar ik sinds mijn vijftiende voor sta. Je moet je leven veranderen. Maar kun je dat nog? Je hebt zo weinig zelf in handen.



Boeken 2021 (geen chronologische lijst)

Joseph Roth, Tarrabas

Joseph Roth, Het spinnenweb

Elena Ferrante, Het verhaal van het verloren kind. Napolitaanse romans 4

Stefan Hertmans, De opgang

Annie Ernaux, De jaren

Bulle Ogier, J’ai oublié

Herman Melville, Moby Dick (vertaald door Barber van de Pol)

Margot Vanderstraeten, Mazzel Tov

Peter Terrin, Al het blauw

Tommy Wieringa, De heilige Rita

Sylvie Simmons, I’m your man. The life of Leonard Cohen

Olivia Laing, Funny Weather. Art in an emergency

Victor Klemperer, LTI. De taal van het derde rijk

Hermann Broch, Barbara. Novelle

Joan Didion, Where I was from

Joan Didion, Play it as it lays

Joan Didion, South and West

Joan Didion, De verhalen die we onszelf vertellen

Joan Didion, The year of magical thinking

Joan Didion, Blue Nights

Haruki Murakami, Eerste persoon enkelvoud

Tracy Thorn, My rock ‘n’ roll friend

Jennifer Otter Bickerdike, You are beautiful and you are alone. The biography of Nico

Clinton Heylin, The double life of Bob Dylan – 1941-1966. A restless, hungry feeling

Pascal Cornet, De elfde teen

Pascal Cornet, Populierendreef 29

Hans Fallada, Alleen in Berlijn

Hans Fallada, Wat nu, kleine man

Robert Walser, De bediende

Burhan Sönmez, Labyrint
James Salter, De kunst van fictie

Dave Eggers, Het Alles

Harrie Lemmens, Licht op Lissabon. Stadsverhalen

OMTRENT SABAUDIA (EN PAOLO SORRENTINO)

amico-di-famiglia_

Opgedragen aan Bernardo Bertolucci en Pier Paolo Pasolini.

Tijdens het kijken naar Paolo Sorrentino’s L’amico di famiglia dacht ik terug aan een verblijf in Sezze en een bezoek aan Sabaudia in de zomer van 1996. Niet alleen omdat ik mijn buik vol heb van mijn geliefde Italië was ik met enige tegenzin naar die film beginnen te kijken. Het afbraakwerk waar Berlusconi mee begonnen is wordt nu door schurken als Matteo Salvini voltooid. De hatelijke Benito Mussolini had nog een zeker gevoel voor schoonheid en poëzie. Zo was hij een bewonderaar van het futurisme van Marinetti (een bewondering die wederzijds was). Bij de machthebbers van vandaag blijft daar weinig van over. Als ik in de toekomst nog naar Italië ga, wat ongetwijfeld zal gebeuren want mijn zoon woont er, zal het met dezelfde weerzin zijn als waarmee ik mij aan L’amico di famiglia overgaf. Daar komt nog bij dat ik een liefde-haatverhouding heb met regisseur Paolo Sorrentino. Ben ik de enige levende ziel die niet van La grande bellezza houdt? Bijna alles aan die film is wat mij betreft fake. De film lijkt wel een Italiaanse versie van Curtis Hansons geestige Wonder Boys, wat evenmin een meesterwerk was maar het personage van Michael Douglas als opgebrande schrijver was wél geloofwaardig. Jep Gambardella (rol van Tony Servillo, een acteur die ik niet mag) daarentegen is van bordkarton. La grande bellezza werd vergeleken met La dolce vita. Laat me niet lachen! Waar is Marcello, waar Anita Ekberg, waar de gracieuze en langoureuze Nico? Sinds ik schoorvoetend heb durven toegeven dat ik niet van De grote schoonheid houd, wil zelfs mijn beste vriendin me niet meer zien.

Maar L’amico di famiglia was anders. Mogelijk is de film even cynisch als ‘La grande bellezza’, met een even onuitstaanbaar hoofdpersonage, de zeventigjarige Geremia De Geremei, een achterbakse en gemene woekeraar, een lelijk en venijnig ventje. Nu echter kwam ik er al gauw achter dat een cynisch hoofdpersonage niet noodzakelijk betekent dat de bedenker ervan een vergelijkbaar mens- en wereldbeeld heeft. Cynisme zou wel eens een methode kunnen zijn om het cynisme van de politiek en de samenleving te lijf te gaan, in dit geval ten tijde van Berlusconi. Zou het mogelijk zijn dat het cynisme van Paolo Sorrentino een aanklacht is tegen gedegenereerd kapitalisme, geldzucht en woeker? Overigens vind je die afkeer van woeker al terug bij Mussolini-bewonderaar en antisemiet Ezra Pound, lees er de Pisaanse Canto’s maar op na. Maakt dat ook van Sorrentino een antisemiet? Zeker heeft die akelige Geremia De Geremei semitische trekken. Hij heeft inderdaad wat van Shakespeare’s Shylock, terwijl je De koopman van Venetië toch moeilijk een racistisch stuk kunt noemen. Hath not a Jew eyes?, et cetera.

Sabaudia_35

Het verhaal is gesitueerd – en de film gedraaid – in en rond Sabaudia, een stadje in het vroegere moerasland Agro Pontino. Dat werd ten tijde van Mussolini drooggelegd, zogezegd om de malariaplaag uit te roeien maar zeker ook om de bevolking te imponeren met grootse bouwwerken in modernistisch-fascistische stijl. Het moeras is inderdaad verdwenen, al wordt in de film nog wel een dikke mug dood geklopt. Dichter en filmregisseur Pasolini toont al in 1974 aan de hand van Sabaudia aan dat het fascisme niet bij machte geweest is om de eeuwenoude schoonheid van Italië kapot te krijgen.[1] De fascisten waren een bende misdadigers die in Italië tijdelijk de macht gegrepen hadden maar geen vat hadden op de cultuur, de esthetiek en de creativiteit van het land. Wat Mussolini en zijn medestanders niet was gelukt zag Pasolini in die dagen wel reeds gebeuren ten gevolge van het snel oprukkende consumentisme.
Mussolini legde het moeras letterlijk droog, Trump en zijn soortgenoten doen het nu op symbolische wijze. Voor Trump staat het moeras voor democratie, goede smaak, cultuur, hoffelijkheid, bereidheid tot dialoog en compromis. Voor volksmenners van nu – ook bij ons, kijk maar eens naar de mannen van N-VA en Vlaams Belang – zijn dat stuk voor stuk verwerpelijke verworvenheden. Zo wordt dan Sorrentino een beetje een profeet: je ontwaart in L’amico di famiglia al het hedendaagse extreemrechtse Italië, opgetrokken op de ruïnes van Berlusconi’s media-imperium.

Ik dacht terug aan die warme dag in juli 1996 toen ik was aangekomen in Sezze, in de provincie Latina en gelegen in de heuvels boven Sabaudia, ongeveer 150 kilometer ten zuiden van Rome. Samen met een twintigtal jongeren uit diverse landen van de Europese Unie verbleef ik daar een week in een dorpsschooltje voor een reeks seminaries over de multiculturele samenleving. Veel details van de lezingen zijn me niet bijgebleven. De sprekers op het seminarie waren stuk voor stuk Italiaanse intellectuelen die uitsluitend Italiaans spraken. De vertaling naar het Frans was zo erbarmelijk dat ik mij inspande om de taal van Dante zelf te verstaan. Het filosofisch, politiek en religieus discours klinkt niet zo heel anders in Italië dan in Frankrijk: er worden dezelfde basisbegrippen gehanteerd. Maar het schrille gezang van de miljoenen cicaden om ons heen maakte ook dat moeilijk. Vaak had ik op de koop toe hoofdpijn van de miserabele wijn uit kartonnen dozen die we ’s avonds bij het smakeloze eten kregen. Het project “Dialogo interculturale e convivenza” werd gesubsidieerd door de Europese Unie. Misschien zat de maffia er ook wel voor iets tussen, dacht ik oneerbiedig. Want waar ging het mooie budget naartoe? Zeker niet naar die giftige wijn. Naar ons ‘hotel’ dan? De hele groep verbleef in de sterk vervallen lagere school Colli di Susi; overnachten moesten we in een klaslokaaltje en voor alle deelnemers samen was er maar één douche en één toilet. Of moesten we aan den lijve ondervinden wat armoede betekende en wilden de organisatoren zo onze compassie doen toenemen?

Wat ik van de lezingen begreep was dat de armen armer worden, de rijken rijker. Ten gevolge van het kapitalisme en de erbarmelijke werk- en levensomstandigheden ontstaan er grote migraties van het zuiden naar het noorden. De vijandschap ten aanzien van vreemdelingen en vluchtelingen neemt toe. Vooral begreep ik dat we meer compassie nodig hebben. Dat waren duidelijke inzichten. Tweeëntwintig jaar later is het alleen maar erger geworden.

pasolini

Er waren die week zoals het betaamt ook vrije momenten. Zo kwam het dat ik op een middag met mijn vrienden Isabelle D. en Hotman H. in een café aan de Strada Lungomara zat. Ik had me verbaasd over de foto’s aan de wand van Bernardo Bertolucci en Stefania Sandrelli, die er ooit te gast waren, en liet nu mijn blik rusten op de vredige Tyrreense zee.
Ik had tevoren met onze gids, mijnheer Mancini, een wandeling in het stadje Sabaudia gemaakt. Mijnheer Mancini was een van de projectleiders. Hij was afkomstig uit Brooklyn maar nu woonachtig in Italië. Zijn vader was destijds uit deze streek vertrokken naar New York en had tijdens de tweede wereldoorlog als Amerikaanse onderdaan en piloot bij het Amerikaanse leger de dorpen rond Sezze mee gebombardeerd. Ondanks of misschien net door deze tragische contradicties was zijn zoon, onze mijnheer Mancini, een beminnelijk man. Hij was tot zijn grote spijt geen familie van de componist Henry Mancini, zei hij terloops op een vrije avond, terwijl we op weg waren naar een ijssalon pal tegenover La Fontana dei Quattro Fiumi van Gian Lorenzo Bernini op Piazza Navona in Rome.
Vanuit mijn antifascistische overtuiging, nog verhevigd door de voordrachten van de Italiaanse filosofen, – vooral het pathos van hun vertogen had aanstekelijk gewerkt – was het voor mij onmogelijk om die fascistisch-modernistische architectuur te appreciëren. Ik vond het allemaal even lelijk en deprimerend. De strakke, harde lijnen deden me aan die verschrikkelijke gebouwen aan de Kunstberg in Brussel denken en uiteraard ook aan de EUR-wijk in Rome. Was dit alles maar moeras gebleven, dacht ik in alle stilte. Sommige gedachten mag je natuurlijk niet uitspreken, maar het is al goed mama, dat is het leven en alleen maar het leven.

L’amico di famiglia veranderde niets aan het negatieve beeld dat ik mij in 1996 van Sabaudio heb gevormd. Toch wil ik er graag nog eens terugkeren en met de heldere blik van Pasolini naar de stad kijken en mijn ogen daarna laten rusten op de Tyrreense zee en mij proberen voor te stellen hoe Bernardo Bertolucci  zo lang geleden naar diezelfde zee heeft gekeken.

[1] Now we find ourselves in front of the structure, the shape, the profile of another city bathed in a sort of grey lagoon light, although surrounded by a beautiful Mediterranean maquis. This is Sabaudia. I can’t tell you how much we intellectuals laughed about the architecture of the regime, about cities like Sabaudia. But now, observing this city closely, we feel something totally unexpected. There is nothing unreal or ridiculous about Sabaudia’s architecture. With the passing of the years, this lictorian architectural style has become the meeting point between metaphysical and realistic linked feelings. On the one hand, it evokes metaphysic related feelings in the most genuine European meaning of the word ‘metaphysic’ because it reminds us, for example, of De Chirico’s metaphysical painting. On the other hand, it evokes realistic related feelings because you can see even from a distance that these cities are truly suitable for human beings. One feels that there live regular families, human beings, complete living beings who are fully immersed in their umility.
How did this almost miraculous fact happen? How come that a ridiculous, fascist city suddenly seems to be charming?
We must examine this case a little more closely: there is no doubt that Sabaudia has been created by the regime, but actually there is nothing fascist about this city, apart from some external aspects. Therefore, I say that fascism, the fascist regime, was nothing else than a group of criminals who came to power. It wasn’t able to do anything, neither to affect the Italian reality, nor to scratch its surface. Therefore Sabaudia, although arranged in a rationalistic, aesthetising, academic way, is not rooted in the fascist regime by which it was created, but rather it is rooted in the Italian provincial reality that has been tirannically dominated and never conquered by fascism. In other words, it was the provincial, rustic and paleo-industrial Italian reality that created Sabaudia, and not fascism.
Now, instead, the opposite is the case. The regime is a democratic one, but fascism was unable to obtain both acculturation and homologation that today’s consumer society succeeds in obtaining by destroying the several micro-realities that made up Italian society in the past. This acculturation is actually destroying Italy. Therefore, I can state with absolute certainty that the true fascism consists in the power of today’s consumer society, which is destroying Italy. This happened so fast that we basically did not realise it. Everything happened in the last five, six, seven, ten years. It has been a kind of nightmare, in which we saw Italy around us destroying itself and then disappear.
And now, perhaps awakening from this nightmare and looking around us, we realise that there’s nothing to do.
Pier Paolo Pasolini, 7 februari 1974 (vertaald uit het Italiaans)

Latium_et_Campania

Afbeeldingen: L’ amico di famiglia; Sabaudia; Pasolini; landkaart van Latium