MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

bar bradleys londen

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.

Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.
Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

Foto: Bradley’s Spanish Bar, London. M.P.

CORTISONE, BETTYE LAVETTE, CHRISTOPH MARTHALER ET LES AUTRES

hell - bettye lavette

Opeens was ik terug in Brussel, een imaginaire stad leek het wel, en ik moest afkicken van Cortisone. Ik ben geen drugverslaafde, maar ik was nogal ziek geweest en had het spul veel te lang gebruikt. Mijn vader heeft het moeten nemen op het einde van zijn leven, hij had veel pijn en hij was nog nooit ziek geweest. Hij trok zijn eigen tanden. Dokters of tandartsen vertrouwde hij niet. Na zijn dood ben ik zes jaar lang bij een psychiater geweest, twee keer per week. Niet vanwege die van hem maar vanwege mijn eigen gewisse dood. Macho’s hadden mijn hoofd half tot moes geklopt en ik had liggen bloeden als een lam in het midden van de Kiekenmarkt in het centrum van Brussel. De automobilisten reden voorbij en deden alsof er niets aan de hand was of hadden gewoonweg niets gezien. De ambulance kwam me uiteindelijk wel van de straat rapen, samen met de politie. In die tijd (1997) bestond de Brusselse politie kennelijk uit idioten en racisten. Gelukkig heeft mijn vader dat allemaal nooit geweten.

Net als toen moest ik nu afkicken van die verdomde Cortisone en tegelijk doen alsof er niets aan de hand was. Gaan werken, naar een concert, naar het kunstenfestivaldesarts, naar het verjaardagsfeestje van een boezemvriendin. Waarom kies ik nu het woord ‘boezemvriendin’? Ik zou het nooit gebruiken in een gedicht. Aan mijn psychiater, die dezelfde naam heeft als mijn jarige boezemvriendin, kan ik het niet meer vragen. De analyse is afgebroken. Door mij. Ik heb haar vorige week gezien in het Théâtre National en me meteen verdekt opgesteld achter een muurtje. De laatste keer dat ik met haar had afgesproken, op een zaterdag in oktober vorig jaar, was ik de afspraak namelijk vergeten. Ik was bezig mijn koffers te pakken om op studiereis te vertrekken naar Jaén, en in die drukte was ik de hele hoochiekoochie vergeten. Pas de volgende maandagochtend, in het vliegtuig naar Granada, herinnerde ik me onze afspraak. Nadien durfde ik haar niet meer bellen om enige uitleg te geven. Ik voelde me schuldig omdat ik de afspraak was vergeten. En nu zag ik haar vanuit de verte in dat theater en het enige wat ik kon doen was toneel spelen. Heb ik al verteld dat ik toneelspeler wilde worden, toen ik jong was? Neen? Dan zal ik het later eens een keer uit de doeken doen. Maar niet nu. Ik heb over die gemiste carrière overigens zeer veel gepraat met ‘mijn’ psychiater. Of ik nog bang ben op straat? Ja, tenzij ik voldoende bier heb gedronken in café Dada.

Over het werk zal ik het evenmin hebben. Franz Kafka heeft dat op geniale manier beschreven in ‘Het proces’. Wat kan ik daar dan nog aan toevoegen? Kill your darlings?

Zonder Cortisone en zo weinig mogelijk alcohol naar het concert van Bettye Lavette. Was het beter of slechter dan vorig jaar? Ik stel de vraag maar ik beantwoord ze niet. Ik denk dat Bettye Lavette inzette met The Stealer (van de onvolprezen Free), gevolgd door He Made A Woman Out Of Me (een prachtige en zeer dubbelzinnige song over verkrachting/seksuele initiatie) en The Sparrow van Dolly Parton. Het grote verschil met vorig jaar was de duidelijke vermoeidheid van zowel de zangeres als de band. Hoe lang zijn ze al van stad tot stad aan het trekken? Van land tot land? Nu ze eindelijk enig succes hebben? Vorig jaar was Bettye opeens weer hip. De aasgieren van de pers en de modieuze popmuzikanten waren toen in groten getale aanwezig in de kleine AB club. Nu echter heeft naar mijn weten één perspersoon een stukje geschreven in een of andere nitwitkrant (met alle respect), terwijl de veel grotere zaal zwart zag van het volk. So you all brought your friends with you, sprak Bettye Lavette. Het laatste nieuws heeft de ‘hippe’ en ‘coole’ mensjes bereikt: soul is opnieuw niet meer hip. Wel, dan heb ik dit te melden: soul is altijd hip. Er is geen enkel genre dat altijd hip is, behalve soul. Hoewel Bettye moe was, was ze toch ook nog sterk en gaf ze haar hele ziel aan het gewillige publiek. Het was een fijn publiek, zo zonder aasgieren. Echte kippenvelmomenten waren Close As I Get To Heaven en I Do Not Want What I Have Not Got (waarbij, dat moet ik toegeven, mijn gedachten afdwaalden naar Sinéad O’Connor, en naar de roofmoord in het Centraal Station, en naar het gedicht Brot und Wein van Hölderlin en naar Paris, Texas, vooral het begin met Harry Dean Stanton in de woestijn). Overigens vind ik Joy de slechtste song van Lucinda Williams en begrijp ik daarom niet waarom Bettye Lavette precies deze heeft uitgekozen. Maar dat zijn details. Long live Bettye!

Vrijdag, in de KVS, stelde ik vast dat de culturele elite maar 1,50 of 2 euro betaalt voor een glas wijn (terwijl de rockliefhebbers 4 euro moeten betalen, alvast in de AB, een waanzinnige prijs, voor een instelling die waanzinnig veel subsidies krijgt). Maar het zij zo, ik mag me niet opwinden, laat iemand anders dat maar doen vanavond. Christoph Marthaler is een genie. Zoals hij in Winch Only, gebaseerd op Poppea van Monteverdi, de familie met alles erop en eraan (en het verborgene ook heel open en bloot, hoewel er geen letterlijk bloot aan te pas komt) ten tonele voert en ontrafelt, dat doet heden niemand. De familie is het grote mysterie. Dat was al zo bij Aeschylos, dat was zo bij Shakespeare, en dat is nog altijd zo bij Marthaler. Een mysterie dat er niet om vraagt om te worden opgelost. We kunnen de familie haten, als we jong zijn bijvoorbeeld, dat is een stadium waar we door moeten, lieve ouders, hatelijke ouders, het maakt niet uit, of we kunnen ze liefhebben. Maar de familie blijft altijd een mysterie. Koffie en koekjes of geen koffie en koekjes. De kinderen blijven een mysterie. De bloedverwanten. De broers en de zussen. De tantes en de nonkels. De neven en nichten. De hele reutemeteut. Socialisten, vieze tisten, flaminganten en fascisten, communisten, soul freaks, nitwits, Proustianen, Yes fans, slotenmakers, Call girls, we kennen ze allemaal en we haten ze en we hebben ze lief. En ze zingen allemaal liedjes van Monteverdi en van Mireille Mathieu. In ieder geval doen ze dat bij Marthaler. De man toont ons de typische familietriangel, maar dan dubbel en dik gespleten. De familieleden zitten te zuipen, elkaar uit te schelden, achterbaks naar elkaar te verlangen, domme spelletjes te spelen, dierengeluiden te produceren, liedjes van Wagner en van the Kinks (I Go To Sleep) te zingen, te slapen (waarbij je als toeschouwer ook in slaap valt), en zo verder. En dan is er de zoon die alleen maar Mireille Mathieu wil horen. En die krijgen we dan ook te horen, de echte singles op een echte platendraaier uit de sixties. Ook de hoesjes worden getoond. Af en toe krijg je zelfs een stukje Monteverdi te horen, uit L’incoronazione di Poppea, waar het stuk op gebaseerd is. Of roept de vader ‘Ta gueule!’. En dat speelt zich allemaal af in een huis waarvan de ene kant het Centraal Station van Brussel is (voorbijdenderende treinen inclusief) en de andere kant het Justitiepaleis (het lelijkste en mooiste gebouw van Brussel). De meubels in het huis komen uit datzelfde Paleis (de architect, Poelaert, heeft zelfmoord gepleegd, anders hadden ze dat plein nooit naar hem genoemd): de dochters hebben ze er gewoon gepikt. Hoe zou je zelf zijn, als dochter in een prettig gestoord gezin? Overigens herkende ik meteen een van die meubelstukken: ik had erop gezeten tijdens een van de drie ‘verzoeningspogingen’ tijdens mijn echtscheidingsprocedure. Niet dat we die poespas wilden. Het was van te moeten. In ‘Het Proces’ staat dat ook allemaal al beschreven. Maar niet de dimensie die Christoph Marthaler en zijn gezelschap er aan toevoegen. Beter kan niet. Bovendien is het allemaal bijzonder grappig. Je lacht je meerdere breuken op één avond. Ik stel voor om meermaals te gaan. Dan moet je nooit meer gaan werken. Kafka lezen wordt dan ook overbodig.

En dan moest ik het nog over het verjaardagsfeestje van I. hebben, mijn boezemvriendin. Gelukkige verjaardag, lieve vriendin. Het was een onvergetelijk feest, in dat volkscafé daar in Gent. En we zijn goed thuisgeraakt. Nu ben ik moe en moet ik de dromen tegemoet zien. Ik ben een oude, vermoeide gek. How am I different?

 

SCENES UIT HET SCHIPPERSLEVEN

ford consul

Om even te ontsnappen aan deze sombere februaridag keer ik even terug naar het Berlijnse café Oranium en ik drink ik in mijn gedachten van dat lekker Tsjechisch bier van het merk Krusevice, 50 cl voor 3.50 €. Het is een mooie augustusavond geworden. Waar hebben Laura en ik het over? Over het wonder dat Berlijn heet, een van onze uitverkoren steden, over het vele groen in de stad, over de verbluffende en avontuurlijke architectuur, over het bijna perfecte openbaar vervoer, over het Oosten en het Westen, over de ongedwongenheid, over de openheid voor elk verschil.

Maar dan raakt ons gesprek op een zijspoor: de familie, mijn familie rukt zich los uit de schaduw. Of gaat het eerder om een hoofdspoor? (Ik denk nu aan een song van the Rolling Stones, ‘Have You Seen Your Mother, Baby, Standing In the Shadow? De toen graag provocerende heren hadden zich voor de foto op het hoesje als vrouwen gekleed en geschminkt, waarbij ten minste één van hen in een rolstoel zit.)

Van de rijnaken – wij noemden dat schepen – van grootmoeder langs moederskant herinner ik me alleen nog de Honorine, die naar haar, mijn grootmoeder was genoemd. Mijn grootmoeder leed aan astma, maar was desondanks energiek.
De Rocco, het schip van mijn ouders, dat zij na lang zwoegen hun eigendom mochten noemen, was toen zij de binnenscheepvaart voor bekeken hielden niets meer waard. Zij hadden het genoemd naar Rocco Granata of naar ‘Rocco en zijn broers’, een film met Alain Delon (want mijn ouders gingen graag naar de ‘cinema’, elk dorp had er toen nog wel één, maar meestal gebeurde dat toch in Antwerpen).

Ik weet niet hoeveel miljoen Belgische franken ze in het schip hadden geïnvesteerd; de Belgische overheid was bereid hen een oprotpremie van honderdduizend frank uit te betalen als ze ermee ophielden. Dat deden ze dan maar. Het schip verkochten ze als oud ijzer. Dat was in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw: de eerste grote energiecrisis, de heerlijke autoloze zondagen, Roxy Music en David Bowie. Na 25 jaar schipperen hield mijn vader ermee op, hij werd arbeider, ging werken in een sloperij (waar ook het schip van mijn ouders werd gesloopt).

Mijn ouders waren lange tijd zelfstandigen geweest. Ze hebben nooit geld geleend. Als ze al iets kochten, betaalden ze dat met baar geld. Mijn vader schafte zich zijn eerste auto aan in 1957 of daaromtrent, het was een zwarte Ford Zephyr; ik vond het een prachtige auto. Later ruilde hij hem in voor een witte Ford Consul Capri (niet zeker van het model), die was nog mooier, nog hipper. Een televisietoestel kwam er pas in 1963 of 1964.

In de korte periode toen mijn vader het plan had opgevat een bungalow te kopen in Neerharen liep ik met een lekker gevoel rond. Het is bij vage plannen gebleven, mijn moeder was er tegen, zij dacht dat ze nooit zou kunnen wennen aan zo’n dorp. Zij was de scheepvaart gewoon, of anders de metropool Antwerpen, waar haar zussen en haar broer woonden. Zelf droomde ik van een leven aan de wal, ik wilde geen schipperszoontje zijn. Ik wilde niet anders zijn dan de anderen.

Het was de tijd dat ik Edgar Allan Poe gaan lezen. Ik had een exemplaar van ‘Zoek het eens op’ gekregen van Sint-Nicolaas, op de nieuwe schippersschool in Eisden. De vader van Jos, mijn vriend die veel later ‘zelfmoord’ pleegde, was er directeur. Het was een minzame man. Onlangs zat er overigens een uitnodiging voor een reünie van de alumni van die school in de bus. De bijeenkomst was op dat ogenblik al twee weken voorbij: de post werkt traag in Anderlecht. Brussel is volstrekt corrupt. Het is de vuilste grote stad van de wereld, omdat de meeste politici hier ofwel corrupt ofwel machtsgeil zijn. Zij liggen niet wakker van de ‘derdewereldstraten’ en de stront op de trottoirs, van een mank lopend openbaar vervoer met uiterst onbeschoft personeel, van de pisbakstations, van de grijze, half ingestorte huizen (waar Les Fleurs Du Mal goed gedijen), van de stadskankers, van de afwezigheid van rustige, groene plekken en veilige buurten. Brusselse politici zijn enggeestiger dan dorpspolitici. (Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Pascal Smet, die de taximaffia wil aanpakken en een groot zwembad wil laten aanleggen.) In dat exemplaar van Zoek het eens op stond een kort artikel over de schrijver van Annabelle Lee en The Fall Of the House Of Usher. Die geschiedenis heb ik hier al eens uit de doeken gedaan. Maar wat geeft het, herhaling houdt ons in leven. Er stond een prentje bij. Donkere priemende ogen. Poe had mijn hart veroverd. Was mijn ziel verkocht aan de duivel?

Mijn vader was een boerenzoon. Toen ik geboren ben had hij al bijna geen naaste familie meer. Zijn moeder was al dood. Waarschijnlijk had ze te veel afgezien als dienstbode in het kasteel van Hocht. Misschien was ze er wel verkracht door een baron of een stalknecht. Mijn grootvader ken ik niet. Er werd niet over gesproken. Niemand weet zogezegd wie die man was. Niemand heeft het ooit geweten. Ik ook niet. Misschien ben ik van adel, of ben ik een afstammeling van een ‘lagere soort’. Zoon van een dienstbode, zoals August Strindberg. Mijn levensgezellin en haar broers en zussen beweren dat zij van adel zijn. Hun vader was ook een natuurlijk kind. Vreemd hoe wij ons eigen verleden gaan zoeken in de anderen. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot het theater van Luc Perceval, al van in het begin. Toen wist ik nog niet dat hij een schipperszoon is. Mij maakt het niet uit of ik van adel ben. Ik dacht dat die mensen allemaal hun hoofd hadden verloren tijdens het schrikbewind, maar kennelijk is dat niet zo. Ik heb alvast nog een hoofd en mijn bloed is rood, zoals dat van de meeste ‘bloedmooie meisjes’ waarop hier in een commentaar werd gealludeerd. Ik vind bloed niet mooi. Rood echter wel. Als bloed geen bloed was zou ik het heel mooi vinden. Mijn vader was een mijnwerker, in de koolmijn in Eisden-Cité. Inmiddels is die al lang gesloten. Ik hield van de omgeving van de mijn, speelde graag cowboy en soms indiaan, in navolging van Brut Lancaster in ‘Broken Arrow’, op de ‘terrils’. Daar vond ik ook magisch glinsterende stenen, waarvan ik dacht het goud was. Ik had er een Hollands vriendinnetje dat heel graag liet zien hoe ze plaste. Het duurde even voor ik begreep wat dat betekende, ‘plassen’. Wij noemden dat ‘pissen’. Ik zie het meisje nog altijd bukken, terwijl ze naar me kijkt, en duidelijk met veel plezier, zo voor me gehurkt de zwarte aarde bevochtigt met haar goudgeel vocht. Een goudgeel mooi meisje!

Mijn vader ontmoette mijn moeder tijdens de oorlog op de kermis in Neerharen. Ook daar heb ik nooit veel over gehoord. Bestond er toen al een rups? Kort daarna zijn ze getrouwd. Twee zeer verschillende werelden doorkruisten elkaar. Eén zijn ze nooit geworden, denk ik, maar ze zijn wel vijftig jaar samengebleven, tot de dood hen scheidde. Ik denk niet dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gekend. Hij heeft er me nooit over verteld en er was ook niemand aan wie ik er iets over kon vragen. Zijn nicht Berb en haar man waren zeer zwijgzaam. Zijn tante, die Moe werd genoemd, was catatonisch. Ze kleedde zich altijd in het zwart als een Italiaanse weduwe en kwam nooit uit haar ‘crapaud’. Haar rechterhand omklemde steeds een kleine portemonnee en een rood zakdoekje, alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten, hoewel ik dat nooit heb zien gebeuren. Mijn vader had heel wat vrienden in Neerharen. Goede mensen. Ze kenden elkaar uit het verzet. Op het einde van zijn leven deed mijn vader niets anders meer dan andere oud-strijders en mannen uit het verzet gaan ‘begraven’. De overgebleven oud-st
rijders speelden tot in het ruggenmerg doorzinderende muziek op de begrafenis van mijn vader. Ik heb daar kort na de begrafenis een gedicht over geschreven, met als titel ‘dorpstafereel’:

’s Morgens in de vroegte
als het blauw begint
zetten oude mannen met medailles
hun lippen aan het koper.

Ze lijken van ver te komen
als zij het enige vredeslied blazen,
ze staan daar omdat het zo moet
onder de zon die ieders rug breekt.

Hij is verast, dat wilde hij zo. Ik had hem veel liever in de grond geweten, met een mooie grafsteen erboven. Een dode mens hoort in de grond. Niet in een kastje in een grijze muur. Ik wandel graag op kerkhoven. Brussel heeft mooie kerkhoven, oorden van rust en dagdromen. Die zijn nog niet afgebroken, die kerkhoven Er rijdt zelfs een bus met als bestemming Cimétière de Bruxelles / Kerkhof van Brussel. Hoewel ik weinig weet over mijn vader, zou ik veel over hem kunnen vertellen. Toen ik klein was zag ik hem als een held. Maar hij was geen held. Hij heeft bijvoorbeeld nooit iets opgeblazen. Hij heeft nooit een nazi doodgeschoten. Ratten, ja, dat wel. Hij heeft heel wat ratten doodgeschoten.

Ik begrijp dat ik meer moet vertellen over mijn vader. En over mijn moeder. Over die kant van de familie. Daar zijn zoveel verhalen over. En mijn broer, en mijn nicht in Canada. Een kleine familie, maar dapper! Ik heb nog veel tijd nodig, en veel woorden, en weinig dementie en al helemaal geen Alzheimer.

SCHIJN BEDRIEGT: OVER VRIENDEN EN FIGURANTEN

4-8-2013_002

Het valt me op dat er mensen en dingen zijn waar ik niet of weinig of uitzonderlijk over schrijf. Noem ik de naam van mijn levensgezellin Agnes, de vrouw die veel van mijn zorgen met me deelt (en vice versa natuurlijk, hopelijk is er enig evenwicht)? Schrijf ik iets over mijn goede vriend Patje, met wie ik een radioprogramma maak? Over Paul, schilder en filosoof? Over Eddy en Rita, fijne en intelligente mensen. Rita en Jules, vrienden die onlangs nog op visite waren. (Rita herinnerde mij aan de periode dat Johan Reygaerts in de boekwinkel werkte)? Over mijn zoon Jesse, die zo intelligent en creatief is, en die me bijzonder dierbaar is? Over mijn ex, van wie ik al een eeuwigheid gescheiden ben, maar aan wie ik mooie herinneringen heb, zeker aan onze eerste jaren? Over Bart en Brecht, die collega’s, maar ook vrienden zijn. Over Inge V, met wie ik graag op reis en op restaurant ga, en met wie ik graag over boeken praat. Over Inge F, met wie ik graag op restaurant ga en over het leven praat en die me altijd moed inspreekt? Over Didi, een hele lieve en bijzondere vrouw, sterk en moedig, die me zeer genegen is, maar die ik veel te weinig zie. Over haar dochter Deborah, die in zowat alle delen van de wereld heeft gestudeerd, een heel mooi en bijzonder intelligent meisje? Haar vader Yves, met wie ik destijds wijn dronk en over T.Rex, Eddie Cochran en klassieke muziek praatte? Over JFK Canard, een ex-taxichauffeur en kunstenaar die ik al eeuwen ken? Over Jan en Isabelle uit Gent, jonge vrienden met veel gevoel voor humor en vol levenslust. Over Inge VD, al jarenlang mijn psychoanalytica, maar nu niet meer (vrees ik)? Over mijn broer François, die in armoede leeft, maar niet echt ongelukkig lijkt (hij heeft wel eigen huis)? Over Gerrit, mijn vriend, dichter en psychiater. Over Bruno, die in een Atheens ziekenhuis ligt. Over Marc T, dichter en taalproever, een man met wie ik enige jaren samenwerkte aan het tijdschrift Brutaal (de titel heeft men van ons gepikt, voor een of ander taalproject)? Over Georges, schooldirecteur, toeverlaat van kunstenaars en dichters en bezieler van Brutaal? Over Gerda, uit Brugge, een collega en een goede vriendin. Over Marc, met wie ik een boekje schreef in één exemplaar en ruzie maakte over één van zijn films, maar die toch mijn vriend blijft tot het einde van mijn dagen? Over Gottfried Van Salzburg, die tekeningen voor mijn dichtbundel maakte? Over Louis en Liesje? Over degenen die ik nu even vergeet. Waarom schrijf ik zelden over hen? Uit narcisme? Dat denk ik niet. Ik moet er over nadenken, maar ik denk dat ik het antwoord ken. Wil ik deze mensen niet vooral beschermen, wil ik niet verhinderen dat zij door de wereld aan stukken worden gereten, ook al is deze cyberwereld de vriendelijkheid zelve?

Ik probeer discreet te blijven en niet teveel ‘vertrouwelijkheden’ van degenen die mij dierbaar zijn aan (vaak) onbekenden prijs te geven. Ik vertel hier mijn verhaal, waar zij allen ongetwijfeld een rol in spelen, maar een rol die ik bewust of onbewust tot figurantenrol herleid. Zij verdienen beter. Het zij zo. Op dit ogenblik kan ik niet anders.

Foto: Jesse, François en Agnes in Lanaken