DE DOOD VAN VADER

vader-vriend (2)

Nog altijd in een onrustige, gespannen periode. Wie ben ik, waar kom ik vandaan? De vragen die veel mensen zich stellen. Ook uit de dagboeknotitie hieronder valt iets te leren, denk ik. En niet alleen over mezelf. Wat ik beschreef was een andere wereld en tegelijk is het nog steeds dezelfde, die waarin we vandaag leven. De wereld waarin we ons die vroegere wereld herinneren en ons afvragen waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan.

Dit is een dagboeknotitie uit 14 mei 1993. Ik was toen tweeënveertig:

Vader zal gestorven zijn precies op het moment dat ik gezeten op bus 17 voorbij Sint-Barbara reed. Op mijn walkman ‘I’m Scared’ van John Lennon. De hele rit lang, van Genk naar Lanaken, gingen er vreemde gevoelens in mij om… Meer iets tussen gevoelens en gedachten, tussen verdriet en euforie, tussen herinnering en anticipatie.

François heeft de hele nacht tot acht uur vanmorgen bij vader gewaakt. Om elf uur leefde vader nog. Jef en Paula zijn even langs geweest. Om twaalf uur was hij al dood. Hubert is het nieuws komen brengen, heel voorzichtig.
Ik was net thuis aangekomen. Er lag een verse biefstuk op tafel, klaar om gebakken te worden. We wisten niet wat ermee aan te vangen. Een stuk vlees. De dokter, mevrouw Vaas, kwam net langs voor moeders been. Dat is ontstoken, eigenlijk mag ze niet meer lopen, zegt de dokter. Ze krijgt elke dag een injectie, antibiotica. De bloemkool was zo plat geworden dat ze niet eetbaar meer was. We hebben alleen nog wat tomatensoep met balletjes uit blik gegeten.

François is erg van streek maar wil of kan dat niet tonen. Maar verbergen kan hij het ook niet. We zijn al een heel eind voorbij Sint-Barbara gereden voor iemand van ons dat doorheeft. De reactie van François op dit symptoom van shock is: vloeken. We hebben kleren uitgekozen om onze dode vader aan te trekken. Zijn donkergrijs gestreept pak, met vest. Ik kies een gekleurde stropdas, dat zal hem beter staan: hij moet zelf niet rouwen.

In de kamer waar hij dood ligt is het verstikkend heet. De geur van zijn dood is er blijven hangen. Toch ziet hij er nu beter uit dan gisteren, toen hij nog leefde. Hij is bevrijd. Hij is ook niet langer vastgebonden. Er zit een windsel rond zijn hoofd, zodat zijn mond niet openvallen zou. Nu herken ik vader al wat meer zoals hij vroeger was, niet langer opgezwollen van de ziekte en de medicijnen.

Terwijl hij daar zo ligt moeten we de kamer leeg maken: de kasten, de tafel, de vensterbank. Ik gooi alle fruit, hoe goed en gezond het er ook uitziet, in een plastieken zak voor de vuilnis. Maar ik vind dit allemaal bijzonder ongepast. Waarom hebben ze hem niet eerst weggehaald? Ook zijn schoenen en pantoffels en een aantal doosjes geneesmiddelen stop ik in die zak. Die zal ik straks in de vuilnisemmer gooien, ook als zij dat niet willen. Zij willen alles bewaren, zelfs de pantoffels die mij zo sterk aan zijn lijden van vorige zaterdag herinneren, aan zijn witte, erg opgezwollen voeten. Zijn voorhoofd is al koud. Even lijkt het of zijn rechteroog beweegt. Zou er helemaal niets van hem overblijven?

In de cafetaria wachten we tot de verpleegsters hem zijn pak hebben aangetrokken en hem naar het mortuarium hebben gebracht. Hij ziet er goed uit, zoals het hoort. De gekleurde stropdas staat hem uitstekend.

Bij begrafenisondernemer Bertels wordt duidelijk dat ik nu over een aantal dingen moet beslissen. Hoewel ik dit nooit eerder heb gedaan gaat het haast vanzelf. Wel vind ik het vreemd dat de winkelbediende, een jonge vrouw, daar zo kan zitten glimlachen. Tussen de bloemstukken en met waarschijnlijk een aantal lijken achter haar rug.
Een begrafenis is niet goedkoop. Die van mijn vader komt zeker op 120.000 frank. We hebben nochtans niets duurs gekozen.

Ik geloof dat ik iets zal schrijven voor het doodsprentje.

Vanaf acht uur, als A. al is aangekomen uit Brussel, beginnen we de adressen op de omslagen te schrijven. Dat is niet zo eenvoudig omdat er geen adressen zijn. Hubert en Maria, die ons daarbij helpen, doen een aantal suggesties. Ma is erg in de war en begint om het minst te brullen. Dat is wel begrijpelijk – brullen is iets typisch voor schippers – maar je krijgt het er desondanks van op je heupen. Meermaals moeten we telefoonboeken raadplegen om adressen te checken. Het trouwboekje moet nog naar Bertels. Ik lees de drukproef van de doodsbrief na. We eten die biefstuk op. Samen met A. drink ik rode wijn.

Ik kan maar moeilijk naar bed. Bekijk nog foto’s van vroeger. Toen alles schijnbaar zo goed ging. We kunnen nooit meer terug naar die tijd. Nu vader dood is voel ik opeens een grote verantwoordelijkheid.

De volgend ochtend, na een korte maar vrij rustige slaap. Jef en Paula zullen nog een aantal doodsbrieven op de bus doen. Jacqueline is er om schoon te maken, maar iedereen loopt in de weg.

Foto: vader (rechts), datum onbekend maar lang geleden.

KWETSBARE LICHAMEN

nieuw begin, begin, 2018, dagboeknotitie, herfst, winter, 2017, ziekte, pijn, terugblik, binnen, binnenskamers, isolatie, afzondering, asociaal, vrienden, afspraken, koorts, visioenen, dromen, melancholie, troost, familie, ouders, schoonvader, agnes, moeder, broer, foto's, fotografie, sneeuw, woorden, dood, wout vercammen, guche vercammen, antwerpen, provo, kunst, kunstenaars, conscienceplein, pannenhuis, bitter, ziel, stilte, niet vergeten

Begin in weerwil van veel een nieuw begin. Maar kun je dan al je eerste notitie van het jaar aanvangen met klachten over ziekte? Sta me toe te noteren dat 2017 op gebied van gezondheid voor mij ronduit een slecht jaar was. Het kan altijd erger, en dat is het ook voor mij soms geweest. Het dieptepunt was 2011, toen ik drie maanden lang in ziekenhuiskamers verbleef (maar zelfs een septische shock heeft me toen niet klein gekregen)… Nee, zo erg was wat het kwetsbare lichaam betreft het afgelopen jaar niet. Toch waren oktober, november en december maanden van kwellingen, pijn, ongemakken en daarmee samenhangende angsten en depressie. Ten gevolge van dat fysieke en mentale onbehagen sloot ik me nog meer dan anders af voor mijn vrienden en voor elke vorm van sociaal leven. Het kostte me veel moeite om naar theater, concert of de bioscoop te gaan. Tijdens een week in Porto zat ik soms halve dagen in het appartement dat we huurden aan Praça do Marquês de Pombal, niet alleen vanwege de regen. Meerdere afspraken, in Porto, Antwerpen, Brussel, moest ik afzeggen of verplaatsen. Het ergste was misschien nog dat ik op dertig december hoge koorts kreeg, waardoor ik twee van mijn trouwste en oudste vrienden, die ons in Bredene hadden uitgenodigd voor ons traditionele samenzijn tijdens de nieuwjaarsfeestdagen, ongetwijfeld heb teleurgesteld. Maar ik was zo zwak dat ik me niet eens recht kon houden. Tot eten en drinken was ik al helemaal niet in staat. Pure ellende, ook al omdat ik me zo schuldig voelde, terwijl zo’n koortsaanval toch niet iets is waar je voor kiest.
Wat ik in dergelijke situaties probeer te doen is zoveel mogelijk troost putten uit de denkbeelden en visioenen die uit mijn koortsige roes voortkomen. De nacht van dertig december ging ik onder meer terug naar 1975, toen ik pas was gaan samenwonen met A. Haar vader was niet bepaald op me gesteld. Toen A. bij haar vader was weggegaan had hij haar gewaarschuwd dat ze binnen zes maanden, of al veel eerder, terug bij hem zou zijn. De gevoelens die ik daar toen bij had kwamen nu weer helder naar boven. Misschien ging het zelfs om gevoelens die ik toen niet heb gehad, of meteen had verdrongen? Nu voelde ik een diep verdriet. Wat had die man, mijn toekomstige schoonvader, tegen me? Waarom heeft hij me tot zijn dood nooit willen aanvaarden als zijn zoon? Mijn ouders, die toch ook niet de meest vooruitstrevende mensen van België waren, ontvingen A. meteen met open armen.
Troost putten? Terwijl herinneringen als deze me toch ook triest maken. Maar het is een verwarde en zelfs warme melancholie. De denkbeelden vloeien in elkaar over. De herinneringen aan de strenge schoonvader, mijn tedere en gastvrije moeder. Hoe toen ik nog een kind, een puber was, mijn vriendjes bij ons thuis altijd welkom waren. Mijn moeder een en al aandacht en meegaandheid, zonder zich evenwel aan ons op te dringen. Zonder onze jeugdige dromen met allerlei regeltjes en bevelen te beschadigen. Aan mijn broer die ik nooit meer zie. Ja, die verschijnt nu ook op het toneel. Wat verwijdert ons van elkaar? Ik moet zeker nog eens naar hem toe voor de oude familiefoto’s, sommige zijn wel honderd jaar oud. Of ouder. Portretten van familieleden, mensen van wie ik de gezichten niet meer herken, de namen niet heb kunnen onthouden. Of misschien wel. Dat valt nog te bezien.

nieuw begin, begin, 2018, dagboeknotitie, herfst, winter, 2017, ziekte, pijn, terugblik, binnen, binnenskamers, isolatie, afzondering, asociaal, vrienden, afspraken, koorts, visioenen, dromen, melancholie, troost, familie, ouders, schoonvader, agnes, moeder, broer, foto's, fotografie, sneeuw, woorden, dood, wout vercammen, guche vercammen, antwerpen, provo, kunst, kunstenaars, conscienceplein, pannenhuis, bitter, ziel, stilte, niet vergeten

Nu ik hier in deze roes terechtgekomen ben en de woorden op dikke sneeuwvlokken zijn beginnen te lijken, een ordeloze dwarreling van niet voltrokken gedachten, verneem ik dat Wout Vercammen dood is. Ik ben sprakeloos. De woorden dwarrelen zelfs niet meer. Ze eten zichzelf en elkaar op. De eerste dode van het jaar. Wat kan ik zeggen over Wout? Dat ik hem graag zag? Het is allemaal zo lang geleden. De jaren tachtig in Antwerpen, die glansrijke periode zonder toekomst. Wout was in dat maffe theater een van de protagonisten, een van de pioniers van de nieuwe tijd, die was begonnen met de happenings van provo op het Conscienceplein. De plek waar we elkaar in de jaren zeventig en tachtig nog altijd ontmoetten. In het legendarische Pannenhuis. Nu kom ik nooit meer op dat pleintje. Er is niets meer overgebleven van toen. Alles is opgeofferd aan de vooruitgang, de groei. Het geld. Niet bitter worden, Pulaski. Wout Vercammen is dood. Ik denk aan zijn levensgezellin, Guche. Een dierbare vriendin, een zielsverwante. Een klein stuk uit mijn ziel gehapt, een groot stuk uit die van haar. Wout is dood. Stilte. Maar geen vergeten.

Afbeeldingen: familiefoto’s M.P.

HET BOEK ASTRID

neerharen5 001

Boeken zou je kunnen schrijven over Astrid. Maar wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin er niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘* van het bewustzijn leidt.

Deze kroniek heeft in 2005 de vorm aangenomen van een blog. Tot dan was de kroniek bijna altijd privé geweest, nu werd hij openbaar. Tot dan kon ik schrijven wat ik wilde over wie of wat ik wilde. Rekening houden met wat of wie dan ook was niet nodig. Dat was een mooie compensatie voor het dagelijks leven waarin ik voortdurend met alles en iedereen rekening houd, wat mij jarenlang tot passiviteit, die soms extreem was, heeft gedwongen. In mijn schrijven was ik in zekere zin vrij: ik was nergens verantwoordelijk voor. Ik kon van reële of verzonnen personages tot in de kleinste details hun slechtheid beschrijven, maar net zo goed kon ik hun vaak onbestaande schoonheid en heiligheid bezingen. Dat laatste deed ik doorgaans in wat ik ‘gedichten’ noemde. Voor de wereld buiten mij maakte het geen verschil. Tot 2005 kon ik beslissen of ik mijn kroniek – of delen ervan – al dan niet openbaar zou maken. Of uitgevers konden dat doen, in het geval ik me tot hen richtte, wat zelden gebeurde. Dat laatste waarschijnlijk omdat ik vooraf wist dat ze mij de vrijheid die ik in het schrijven bezat, als het enigszins wilde lukken, zouden afnemen door het in een leesbare vorm te gieten, of mij daar toe te dwingen.

Sinds 2005 is de kroniek een blog. Hoewel ‘blog’ een lelijk woord is ben ik sindsdien gedwongen al wat ik schrijf daar naar te richten. Het gaat om een kracht, een verlangen, waar ik geen vat op heb, om een soort van zinsverbijstering. Soms verlang ik in extreme mate naar die uitingen, naar die in zekere zin toch erg banale vorm van openbaar maken: er bestaan miljoenen blogs. Maar gaandeweg heeft de vrijheid van het schrijven, van de kroniek mij bang gemaakt. Deze openbaarheid legt mij evenzeer aan banden. Een blog is net zo goed een keurslijf als een boek uitgegeven bij een gerespecteerde of verwenste uitgever. De vorm moet niet noodzakelijk leesbaar zijn, hoewel je toch altijd, en steeds meer, gelezen wilt worden. Omdat een blog openbaar is moet je vooral rekening houden met de inhoud, met de beschrijving van je personages, met wat je het ‘reële’ zou kunnen noemen – hoewel filosofen beweren dat je het ‘reële’ het zwijgen oplegt zodra je het in een relaas onderbrengt. Het is onmogelijk om in de openbaarheid om het even wat te doen. Dat geldt ook voor het schrijven. Ik heb het niet eens over de banaliteit van het legale, maar over de ernst van de morele verantwoordelijkheid.

Zoveel woorden heb ik nodig om te zeggen dat ik er aangaande Astrid, mijn overleden ex-schoonzus, grotendeels het zwijgen moet toe doen. Een bloemrijke elegie zal nog wel worden toegestaan (zou ik mezelf toestaan). Wat ik vanuit de vrijheid die ik me nog enigszins kan voorstellen zeer betreur. Zoals ik betreur dat ik in de openbaarheid niet over mezelf kan schrijven, over mijn** vrouwen, over de vrouwen naar wie ik verlangde en verlang, over mijn vrienden, over mijn ouders, over de hele mikmak die het echte leven wordt genoemd. Het enige wat ik kan doen is van Astrid en van alle anderen een andere maken. Haar een masker opzetten, een ander lichaam geven en een andere naam. Dat zou ik kunnen doen. Zoals, bijvoorbeeld, Boris Vian deed, toen hij zich Vernon Sullivan noemde. Een van zijn onder dat pseudoniem uitgebrachte boeken draagt de titel: ‘J’irai cracher sur vos tombes’. Maar ben ik dan nog een kroniekschrijver? Is mijn tekst dan nog een relaas en ben ik dan nog een heel klein beetje vrij?

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

*Martha Nussbaum noemt het ‘upheavals’.
**Het bezittelijk voornaamwoord drukt hier uiteraard geen bezit uit.

Foto’s:

Boven: Astrid schiet Jean-Pierre in de rug.
Onder: Mijn broer en ik.

HERINNER JE JE ASTRID?

broer+astrid.jpg

Astrid is nu bijna zes maanden dood. Heeft ze van haar ouders de naam van de geliefde Belgische koningin gekregen? Ik weet het niet. Hoewel ze vijftien lange jaren met mijn broer lief en vooral leed heeft gedeeld heb ik nooit een gesprek gehad met haar ouders. Wel met haar jongere zus, Lucienne, maar met haar praatte ik net zomin over het vorstenhuis als over de familie. Nolf, de vader, was een groentenboer. Van hem herinner ik me alleen nog zijn stofjas en zijn aftandse bestelwagentje. Van Astrids moeder niets meer. Van haar broer alleen maar dat hij zelden zijn kamer verliet. Hij zal wel een zonderling geweest zijn. En Lucienne? Lucienne was een tijd lang mijn vriendinnetje, maar dat is een ander verhaal. Van haar bezit ik een foto, waardoor ik weet hoe ze eruitzag.

Het is allemaal erg lang geleden. We leven nu in een andere wereld; niets lijkt nog op hoe het in die dagen was, zelfs de muziek en de boeken niet. Niets kan die tijd weer oproepen, zelfs de herinneringen zijn aangetast door de dagen, maanden, jaren die daarna gekomen en gegaan zijn, en door het nu. Elk ogenblik vervormt, verminkt de herinneringen of wist ze uit.

Ik was erbij toen mijn broer Astrid ontmoette. Ongeveer dertien jaar zal ik geweest zijn. Het gebeurde waarschijnlijk in het laatste jaar van mijn gevangenschap in het Kinderdorp van Rekem, waar ik de geliefde jongen was van de juffrouwen, vooral van de stagiaires, en een doorn in het oog van Moeder Overste. Die laatste was van mening dat ik te veel wist en, erger nog, te veel naar de muziek van de duivel luisterde. De twist dansen, wat ik ‘s avonds soms deed met een van de stagiaires, was, denk ik nu, nog zondiger dan in de appel van de kennis bijten. Het was mijn geluk dat ik niet lang meer in het Kinderdorp zou moeten blijven. Mijn ouders, die er mij niet met slechte bedoelingen hadden laten opsluiten, hadden na drie jaar gedaan gekregen dat ik elk weekend naar huis mocht. De eerste jaren was dat alleen maar met Kerstmis, Pasen en in de grote vakantie.
Op zaterdagavond mocht ik soms mee naar de Metropole, het danscafé van Leontine. Daar werden vooral Duitse schlagers gedraaid. Ik herinner mij nog ‘Leila’ van Die Regenpfeifer, ‘Sag’ Mir Was Du Denkst’ van  Conny Froboess & Peter Kraus en ‘Schuld war nur der Bossa Nova’ van Manuela, singles die al grijs aan het worden waren. Elke keer als mijn vader en mijn broer een pintje bestelden, en mijn moeder een koffie of een limonade, kreeg ik een reep chocolade. Mijn voorkeur ging naar bananensmaak.
In de Orchidee was het zwoeler dan in de Metropole. Er was een dansvloer met verlichte glazen tegels. Paars, blauw en rood – de kleuren die ik ook van op de kermis kende. Ook daar namen ze mij, ondanks mijn jeugdige leeftijd, soms mee naartoe. Mijn broer danste er met de meisjes op de opwindende muziek van Elvis, Fats Domino, Paul Anka en Brenda Lee. Van die meisjes vond ik Astrid de mooiste, de aantrekkelijkste, degene die het beste danste. Dat meisje, drukte ik mijn broer op het hart, moet je lief worden. Ik denk dat mijn advies niet echt nodig was. Na die eerste avond was François stapelgek op Astrid.

Ongeveer een jaar later waren ze man en vrouw. Over die vijftien jaar huwelijk zou je een boek kunnen schrijven, zoals de mensen zeggen. Meerdere boeken. Een romance, een zedenschets, een William Faulkner-achtige streekroman, vol geraas en gebral, een tragedie. Verwacht iets dergelijks niet van mij. Hoewel ik Astrid niet helemaal aan de vergetelheid zal prijsgeven. Alzheimer heeft vijftien jaar tijd gehad om dat te doen, net zo lang als het huwelijk, dat ergens in het begin van de jaren tachtig in een café in Heusden, terwijl ik er met mijn geliefde op ‘Da Ya Think I’m Sexy’ danste, op dat ogenblik ook al een roestige single, op de klippen liep.

STILTE

match factory girl 2.jpg

Een paar dagen geleden zag ik voor de zoveelste keer ‘Het meisje van de luciferfabriek’ (Tulitikkutehtaan tyttö) van Aki Kaurismäki, een film die niet verjaart, alsof hij buiten de tijd werd gemaakt. Wat mij dit keer bovenal opviel was de stilte, de vele scènes zonder dialoog. Misschien was ik vergeten dat ik die eigenschap vroeger ook al opgemerkt had.

Wat heerlijk toch, zulke stille mensen en bijna geen lawaai, alleen wat rommelige rockabilly en ‘zigeunermuziek’ – en af en toe een gebenedijd woord. Was het vroeger, toen ik nog een kleine jongen was, bij ons ook niet zo? Waren met name de Vlamingen geen in zichzelf gekeerde, zwijgzame mensen? Misschien vergis ik me, maar ik herinner me die oudere generaties zo. Ook mijn ouders spraken weinig; mijn moeder wat meer dan mijn vader. Die zwijgzaamheid is niet altijd een zegen. Zo heb ik met mijn vader nooit een gesprek gehad, waardoor ik nu bijna niets over hem weet. Als het in mijn psychoanalyse over mijn vader gaat moet ik er bijna altijd het zwijgen toe doen. Omdat er van mijn familie bijna niemand meer overblijft, zeker niet van de generatie van mijn ouders, kan ik ook aan niemand meer iets over hem vragen. Aan mijn oudere broer? Hij is al net zo zwijgzaam als mijn vader. En van het vele drinken zit zijn geheugen vol gaten. Ik kan bijvoorbeeld niemand vragen welke rol mijn vader gespeeld heeft in de weerstand. Waarom mijn ouders in Lanklaar gedomicilieerd waren, een gemeente waar ze nooit hebben gewoond. Of hoe mijn halfbroer heet – want dat ik een halfbroer heb, dat weet ik wel zeker.

Nicolas-de-STAEL.jpg

Al gaat er in het leven weinig boven een gesprek met een vriendin of een vriend houd ik van stilte. Van stille mensen, van stille schilderijen, zoals die van Giorgio Morandi en Nicolas De Staël, van stille muziek, zoals die van Claude Debussy, Karen Dalton en Nick Drake, van stille wegen en van straten op een zondagmiddag als de winkels toe zijn, van de stille geluiden in bossen. Ik heb een afkeer gekregen van bijna alle televisieprogramma’s, het inhoudsloos gekwetter en getetter en betweterig gebrabbel. Geef mij dan maar het getsjilp van de vogels of muziek die daar op lijkt, die van Olivier Messiaen bijvoorbeeld. Wat hebben die drukke mensen toch allemaal te vertellen? ‘Praatjesmakers’ noemde iemand hen onlangs terecht. De radio zet ik ook bijna nooit meer aan. Al dat gewauwel. Zelfs het nieuws maakt een neurotische wrak van me, zeker als het belangrijkste item de moeilijkheid betreft om met de auto van Geel in Brussel te geraken. Neem dan toch de trein. Af en toe luister ik nog wel eens naar Klara, omdat de stemmen daar wat zachter zijn, maar dan schrik ik opeens op van de deprimerende tonen van Vivaldi en draai ik vliegensvlug de knop om.

Maar vergis je niet: ik houd van stemmen, ik vind het fijn naar je te luisteren, naar je woorden, je lach, en niet één lied van Sam Amidon of Neko Case werkt me op de zenuwen. Ik mis alleen die zwijgende Vlaamse boeren uit mijn kinderjaren, toen ik geheel verdiept was in een of ander avontuur van Bob Morane of me liet meeslepen door de opzienbarende ontdekking van dr. Fleming. Daarom ben ik diep gelukkig met de films van regisseurs als Aki Kaurismäki. Wat hij toont is geen mooie wereld, maar alles bij hem straalt schoonheid uit. Hij schijnt geen lelijkheid te kennen. En is de ergste lelijkheid niet het lawaai?

match factory girl 3.png

Foto’s: Het meisje van de luciferfabriek; Nicolas de Staël; Het meisje van de luciferfabriek.

 

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was, en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen – ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis en net als de personages die de liedjes die ik zo graag hoorde bevolkten geen echt vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Ik ben geen zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt, ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten ‘Vrouwe van Neerharen’. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren zeer vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen – bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af en kreeg ik vrienden. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van mijn vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.

1968m 001

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Mijn beste vrienden wonen er, maar ik kon er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, veel meer dan in New York, Londen of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland. Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Maar waarom lig ik dan zo vaak wakker?

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken


MIJN NAAM IS NIET MIJN NAAM

2013MATTI_JAC 001.jpg
Tekening: Jan Van den Eynden

Tijd voor echte genealogie, heel wat moeilijker en delicater om over te schrijven dan over ‘geestelijke verwantschappen’. Mijn naam is mijn naam niet. Ik heb het daar al eerder over gehad, niet in de zin van Rimbaud dat ik een ander(e)ben, of van Fernando Pessoa met zijn vele heteroniemen. Wat ik bedoel is dat ik – vaak – niet de naam van de ‘vader’ draag.  Voor een deel is mijn reële afstamming matrilineair: mijn vaders naam was niet de naam van zijn vader maar van zijn moeder. Mijn vader heette Mathieu Brouns, met zoals in Russische romans veel variaties op zijn voornaam. Brouns was de familienaam van zijn ongehuwde moeder. Ondanks veel navragen en opzoeken heb ik nooit kunnen achterhalen wie zijn vader – en mijn grootvader – was. Misschien een boer, misschien een soldaat, misschien een baron. Dat laatste is zeker een mogelijkheid omdat mijn grootmoeder – die al overleden was toen ik geboren ben – als dienstbode op een kasteel heeft gewerkt. Maar het kan net zo goed een stalknecht zijn geweest. Dat een man nooit weet of hij wel de echte vader van zijn kinderen is, was al een belangrijk thema in de toneelstukken van August Strindberg. Sindsdien is er inzake vaderschap wel een en ander veranderd.
Aanvankelijk heette ik net zoals mijn vader Mathieu Brouns. Sinds de jaren des onderscheids heb ik het bijna altijd moeilijk gehad met zowel de voornaam als de familienaam. Waarom toch had ik dezelfde naam? Toen ik ontdekte dat mijn vader een ‘natuurlijk’ kind was, werd het voor mij nog ingewikkelder. Toch is er ook een korte periode geweest dat ik trots was op die afstamming, en wel in de periode dat ik een voorstander was van het matriarchaat, een feminist zo je wilt.
2013vader 001 (3).jpg
Kaart van krijgsgevangene van mijn vader, Mathieu Brouns.

De familienaam kon ik niet zomaar verwerpen; voor alles wat officieel is gebruik ik hem nog altijd. Mijn voornaam pasten mijn ouders zelf aan: al gauw gingen ze mij Mathi noemen in plaats van Mathieu, om toch een onderscheid te maken. Waarom hadden ze me dan niet meteen bij mijn geboorte een andere voornaam gegeven? Marcel, Arthur of Gustave, of iets dergelijks?
Ik was als kind wel al tevreden met die ‘nieuwe’ voornaam, maar omstreeks mijn vijftiende veranderde dat. Eerst ging ik me Matty noemen, omdat dat Engelser klonk – Engels, de taal waar ik verliefd op geworden was door de popmuziek, vooral door de teksten van Neil Sedaka en Bob Dylan. Later veranderde ik hem om mij nu onbekende redenen in Matti. Ik vermoed dat ik de y achteraan meer bij een hond vond passen – of hield het verband met mijn toenemende afkeer van wiskunde met de eeuwige x en y?  Maar Matti… Wat een originele voornaam, vond ik! De familienaam liet ik zoveel als mogelijk achterwege. Toen ik ongeveer twintig was ontmoette ik een Fin die ook Matti heette. In Finland heten alle mannen Matti, zei hij. Ik was een beetje teleurgesteld, maar treurde niet want in dezelfde periode ontdekte ik het stuk van Brecht, ‘Herr Puntilla und sein Knecht Matti’. Fijn dat ik een ‘held’ was, maar ik was nog liever een heer geweest dan een knecht. Later, op reis in Finland, stelde ik vast dat maar de helft van de mannelijke bevolking Matti heette. Er waren ook nogal wat Aki’s e Henri’s en dergelijke. Matti had me maar de halve waarheid verteld.

In 1995 na heel veel twijfel aan mezelf en zelfhaat (vervlochten met de afkeer van die vreselijke naam) koos ik resoluut voor een pseudoniem: Martin Pulaski. Het probleem was echter dat al mijn vrienden, kennissen en collega’s me als Matti Brouns kenden. Hoe kon ik hen ertoe brengen me voortaan als Martin Pulaski te begroeten? Onbegonnen werk.
Zo komt het dat ik sindsdien twee namen heb, een officiële en een ondergrondse – de eerste zoals ik al schreef toebehorend aan de bureaucratie, de tweede aan mijn verbeelding en aan alles wat artistiek is in mijn bestaan. Sinds internet en vooral de sociale netwerken, mijn blog, flickr, myspace, facebook en zo meer, is Martin Pulaski een openbaar bestaan gaan leiden, terwijl Brouns alleen nog maar voorkomt op allerlei documenten (belastingbrief, rekeninguittreksels, et cetera). Matti zonder meer ben ik voor mijn vrienden en dat zal nu wel nog een tijd zo blijven.

Ongetwijfeld is dit bijzonder interessant materiaal voor psychoanalytici en wellicht nog veel meer voor mensen die overal op zoek gaan naar onthullingen. Aangezien heel mijn leven in mist gehuld is en het – zoals vandaag in deze streken – altijd stormt om mij heen en overal waar ik kom de bliksem inslaat, aangezien ik overal waar ik vertrek verschroeide aarde achterlaat, aangezien ik toch ook meestal onzichtbaar ben, en aangezien zeker wat en wie ik ben voor velen een raadsel is, betekenen deze woorden weinig, en is er nog steeds even weinig onthuld. Of heb jij, lezer, geen geheimen dan?

barcelona0009