JUBEL EN WAANZIN

friedrich-hoelderlin

Wellicht is ‘Hanky Panky Nohow’ van John Cale, terug te vinden op de werkelijk sublieme elpee ‘Paris 1919’, het mooiste lied dat ik ken. Althans, zo denk ik er nu over; morgen kan het al een van de ‘Kindertotenlieder’ van Mahler zijn, of, kleine kans, ‘Mes mains sur tes hanches’, van Salvatore Adamo:

Sois pas fâchée si je te chante
Les souvenirs de mes quinze ans
Ne boude pas si tu es absente
De mes rêveries d’adolescent.

Op ‘Mes mains sur tes hanches’ kon je alvast heel goed op slowen en bij de ‘Kindertotenlieder’ kun je onbeschaamd je tranen laten vloeien. Maar wat doe je bij ‘Hanky Panky Nohow’? Op de eerste plaats laat je figuurlijk gesproken alles vallen en luister je; al van bij de eerste noten wordt je meegenomen naar ergens anders, een melodieus utopia, waar vreemde wetten gelden. Dat er wetten gelden maakt John Cale duidelijk in de tekst:

There’s a law for everything
And for elephants that sing to keep
The cows that agriculture won’t allow.

Het lijken mij ook weer van de mooiste en meest diepgaande regels die ooit door een populair componist/tekstdichter op papier zijn gezet. Bijna altijd als ik John Cale die woorden hoor zingen gaan mijn gedachten naar Hölderlins gedicht ‘Mnemosyne’. Wat doe je dan? Je neemt de ‘Gedichten’ van Hölderlin uit het rek met de dichtbundels, en zoekt op hoe Hölderlin over een gelijkaardige wet als in ‘Hanky Panky Nohow’ schreef. En vervolgens schrijf je de eerste regels over met de vertaling erbij, want het is geen gemakkelijk gedicht:

Reif sind, in Feuer getaucht, gekochet
Die Frücht und auf der Erde geprüfet und ein Gesetz ist,
Dass alles hineingeht, Schlangen gleich,
Prophetisch, träumend auf
Den Hügeln des Himmels.

(Rijp zijn, in vuur gedoopt en gestoofd / de vruchten en op aarde geproefd, en het is een wet, / profetisch, dromend op / de heuvlen des hemels, / dat alles in ’t vuur gaat, slangen gelijk. Vertaling: Ad den Besten).

Dan herinner je je het einde van de jaren zeventig, toen je elke dag Hölderlin las en er bijna gek van werd, er bijna gek van wilde worden, omdat je de waanzin aantrekkelijk vond. Nu echter weet je al een tijdje dat de waanzin niet aantrekkelijk is en vraag je je af of Höldelin niet erg geleden heeft, al die jaren in zijn kamer in de toren in Tübingen. Ja, waarschijnlijk heeft hij veel geleden. Er bestonden geen anti-psychotica geen anti-depressiva, geen benzodiazepines. Wel waren er koudwaterbaden en dwangbuis.

Maar als Hölderlin in de waanzin is verzonken, wat is er dan met John Cale gebeurd, een man die ook een moeilijk pad bewandelde? Ik denk dat hij en wij allen blij mogen zijn dat hij de jaren zeventig – voor hem en voor velen onder ons jaren van echte, uitbundige én uitzichtloze waanzin – overleefd heeft, en dat hij er nu gezond uitziet, sterk zelfs. Maar jubelende, euforische liederen als ‘Hanky Panky Nohow’ schrijft en zingt hij niet meer. Dit is geen tijd voor jubelende, euforische liederen. Dit is zelfs geen tijd voor melancholie. Ik weet niet meer wat voor tijd dit is.

NAAR AANLEIDING VAN JONI MITCHELL’S RIVER

joni-mitchell

Ik ben nooit volwassen geworden. Soms gedraag ik me echt pathetisch en dwaas. Eergisteren toen ik terugkeerde van de Delhaize (in dat afschuwelijk Westland Shopping Center – ik noem het altijd ‘wasteland’ en waan me dan heel even TS Eliott) had ik opeens een intens gevoel, echte euforie, waarschijnlijk veroorzaakt door het mooie weer, maar zeker ook door Joni Mitchells ‘River’. Ik had de oortjes van mijn iPod in, die op shuffle stond. Opeens hoorde ik de jingle bells van ‘River’ mijn oren binnenstromen en het leek alsof ik Joni’s stem voor de eerste keer hoorde. Of liever, ik was ervan overtuigd dat ik Joni’s echte stem voor de allereerste keer hoorde, haar stem zoals ze werkelijk klinkt. Dat was een zeer aangrijpend moment, waarbij de tranen over mijn wangen rolden. En meteen schaamde ik me – voorbijgangers zouden een man van middelbare leeftijd tranen zien storten, een belachelijk zicht. Toch bleef dat gelukzalige gevoel voortzinderen, blij dat ik eindelijk nog eens iets had gevoeld.

Later, mijn gedachten nog steeds in de VS, doemde George Bush op voor mijn geestesoog. Ik veracht de man, hoe kun je hem niet verachten? Maar dan dacht ik eraan hoe moeilijk het voor hem moet zijn om met die haat van de halve wereldbevolking te moeten leven. Bijna kreeg ik medelijden met de man. Bijna. Daarna las ik gelukkig twee interviews met Mark Eitzel waarin hij zijn gal uitspuwt over de Amerikaanse politiek in het algemeen en de neocons in het bijzonder. Mijn medelijden veranderde gelukkig weer in ongezonde verontwaardiging en verachting. Mark Eitzel, die ik tot de tien beste levende songschrijvers reken, had me mijn kortstondige verblinding al heel snel doen inzien.

anderlecht,shopping center,leven,dood,droom,muziek,fenix,drive-by-truckers,euforie,ingmar bergman,joni mitchell,river,ts eliott,pop,popcultuur,mark eitzel,stem,film,wilde aardbeien,boeken,stendhal,john lennon

Gisteravond zat ik naar Ingmar Bergmans ‘Wilde Aardbeien’ te kijken en opnieuw had ik die intense ervaring: dit is van het mooiste en subliemste wat ik ooit heb gezien. (Het leven is een droom en een droom is het leven. De dood als het spiegelbeeld van het leven. De wilde aardbeien van de jeugd, die al ‘Strawberry Fields Forever’ aankondigen.)

Stilaan krijg ik het gevoel dat ik mezelf uit mezelf opnieuw laat ontstaan. De ziel van de muziek, de illustere boeken, waaronder het meesterwerk ‘Lucien Leuwen’ van Stendhal, de schitterendste films, maar ook mijn eigen woorden en de antwoorden van vrienden zijn het goede vuur dat mij tot as herleidt waaruit ik als een feniks (Ο Φοίνιξ) herboren word. Nee, ik zal nooit volwassen worden. John Lennon vergiste zich toen hij zong ‘the dream is over’. Er komt geen einde aan de droom en er komt geen einde aan het leven.

Ik draag deze tekst op aan mijn blogvriend Roen en aan the Drive-By Truckers.

WIR BAUEN EINE NEUE STADT

berlijn1998-1

Nooit ben ik zo euforisch geweest als in augustus 1998 in Berlijn. Berlijn was toen de grootste bouwwerf van Europa. De eerste dag dat ik er verbleef zag ik al het contrast tussen de antieke architectuur, bewaard in het Pergamonmuseum, en die van het Berlijn dat toen werd gebouwd, het Berlijn van de 21ste eeuw. Vooral de omgeving rondom de Potsdamer Platz. Vanuit het Pergamon ontwaarde ik door een klein raam daar buiten de nieuwe tijd, die ik boeiender vond dan al de Egyptische, Griekse, Arabische schoonheid in het museum.
Een dag later raakte ik bijna buiten mezelf van de lelijke schoonheid van de DDR-gebouwen aan weerszijden van Unter Den Linden en rondom de Alexanderplatz. De Alexanderplatz was zo leeg en zo desolaat en zo radicaal verschillend van het beeld dat ik er me van had gevormd door de lectuur van het boek van Alfred Döblin (en het ademloos bekijken van het televisiefeuilleton van Fassbinder op basis van dat boek) dat ik er bijna voorbij was gelopen.

Berlijn is de indrukwekkendste stad die ik ooit heb bezocht. Alleen al door de ruimte. Maar als de bouwwerven verdwenen zullen zijn? Als de kitsch werkelijkheid zal zijn geworden, of als de prachtige bouwwerken van de grote architecten er ‘definitief’ zullen staan? Ik geloof dat ik er dan niet meer zal terugkeren. Gedane zaken nemen geen keer.

Ik denk dat vooral ‘zonderlingen’ naar Berlijn gaan, mensen die geen genoegen nemen met het bestaande, die kicken op de geschiedenis, op het tragische in ons, op ruïnes en bouwwerven, op het afgrijselijke verleden en op de mogelijkheden die de toekomst biedt. Op de chaos die zichtbaar overwonnen wordt. De typische geur van Berlijn in 1998 was die van beton.

Met dank aan Palais Schaumburg voor de titel.

Foto: Martin Pulaski, Berlijn 1998

WELKOM BIJ DE BARBAREN

hitte,brussel,spraakverwarring,pornografie,seks,heidegger,marco ferreri,bunuel,nerval,rimbaud,metro,pissen,surrealisme,ecriture automatique,blowjob,paul butterfield,michael bloomfield,blues,robert johnson,liederlijkheid,henri michaux,babylon,geert mak

Opnieuw in de hete kamer. De hitte maakt me euforisch, geeft me zin in een slapeloze nacht, hier thuis tussen mijn boeken en muziek of liever nog in de gevaarlijke straten en cafés van de stad. But goodbye to all that. De rust wacht op mijn omhelzing, de nacht zonder beven en zonder schaduw. Alsof ik de nachtzon weer wil oproepen, die van Gérald de Nerval, maar dat mag ik natuurlijk niet doen. Dat is iets van vroeger, nog iets van voor Bunuel, dat is de tijd van de romantiek, toen er nog post bestond en postduiven, zelfs. Toch blijf ik naar heldere dagen en heldere nachten verlangen. Vraag mij niet om twee uur helder bewust in een kunstmatig verlichte kamer door te brengen want dan vraag je gewoonweg troubles, diepe messteken zo je wil. Ik kan wel een godganse nacht in een kelder doorbrengen met luide muziek, sigarettenrokende zelfverminkers, in het gezelschap van hun aan levercirrhosis lijdende vaders, en kleine rode peertjes aan het plafond. Maar dan moet ik zelf ook stomdronken zijn van stella of rode wijn afkomstig uit wat de vertaler van Rimbaud een negorij noemde. Wack wack! De bedenking die ik me maak bij deze zelfcensuur is: waarom geen aangeklede bruidegom en pissijnen in de straten van de stad in plaats van in het museum. Nu pist iedereen in de metro en vele bejaarden vinden het enig om met hun roestige karabijnen de schaarse straatverlichting kapot te schieten. Of anders rijden ze je met hun gebrekkigenwagentjes zonder zelfs hun wenkbrauwen te fronsen van het trottoir. Dat had Marco Ferreri al voorspeld, net zoals de andere dingen die we elkaar en onszelf volgens hem zouden aandoen: uit verveling ons doodeten en drinken, van wanhoop als een cultuurtoerist in zee duiken op de plaats waar Lord Byron doodging in bed – van een lichte koortsaanval (in zijn strijd tegen de Turken).

Alles is mogelijk, je werpt een dobbelsteen op tafel en sneller dan de bliksem zit je met een geletterde slet op schoot, met slechte adem weliswaar, zodat je bedankt voor een blowjob. Neen, jongens waar gaan we met de wereld naartoe? Het is allemaal om over naar huis te schreeuwen, als huis nog bestond. Maar we gaan allemaal overal op reis naartoe, en huizen bouwen we om er uit te weg te gaan en met in het achterhoofd dat het toch ook kleine WTC’s zijn. “Maar wil de mens ooit nog in de nabijheid van het zijn komen, dan moet hij eerst leren in het naamloze te bestaan. Hij moet de verleiding van het publieke domein evenzeer onderkennen als de onmacht van het privé-domein.” Heidegger vat het weer mooi samen.

En zo komen we bij de blues terecht en Paul Butterfield, met I got a mind to give up living and go shopping instead, met de ijzige gitaarstukjes van Michael Bloomfield. Beide heren rustend in het veld van de afwezigheid, slachtoffers van hun hybris, hun hete kamers, hun verveling en natuurlijk ook van de worp van hun dobbelstenen. Les jeux sont faits, mon ami. De hele namiddag hoorde ik Robert Johnsons Come On In My Kitchen. Liederen van liederlijkheid, bluf en doodsverachting. Geen mens die er niet van onder de indruk is. Maar wat is ons bestaan daar ver van verwijderd. Van die wereld die we barbaars mogen noemen, een barbaarsheid die natuurlijk ook verloren onschuld is, iets wat we niet kunnen noemen, zoals Beckett zei, iets wat we niet kunnen thuisbrengen, unheimisch, it’s just no longer here, with its satin eyes. Of precies het tegenovergestelde: want zijn wij dan niet de barbaren, zoals Henri Michaux vaststelde, al zeventig jaar geleden of zo, toen hij door Azië reisde, het land van de opgaande zon en het papier en het gekruide eten? Come on in my kitchen because it is going to be raining outdoors. Perfecte pornografie. Maar wij zijn blanke broeders en weten geen weg met onszelf en met onze seks en met ons doodsverlangen en met het einde van onze cultuur.

Je weet ook wat Heidegger zegt over de taal. “De taal is het huis van het zijn. In haar behuizing woont de mens. De denkers en de dichters zijn de behoeders van deze behuizing. Hun waken is het volbrengen van de openbaarheid van het zijn, voorzover zij deze door hun zeggen ter sprake brengen en in de taal bewaren.” De schrik voor Babylon slaat me op het hart als ik dat lees. Of voor anti-Babylon, de domme ontkenning van de absolute spraakverwarring die Brussel heet. Want wat schrijft Geert Mak (en het is de waarheid): “Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze officieel tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dit geldt ook voor ander Europese talen. (…) …overal elders bestaat, ondanks de problemen, een sterke wil om elkaar te verstaan. In Brussel niet. Hier heerst nog altijd een opvallende verkramptheid rondom het verschijnsel taal.” Wat nu gezongen? Elders het geluk gezocht? Het nieuwe Babylon. Ik wil jullie niet ontmoedigen, beste vrienden, maar de toestand is niet rooskleurig. Misschien hebben Faust en Johnson hun ziel voor niets aan de duivel verkocht? En wat is er met dat vuur gebeurd dat Prometheus van de goden stal? Een foto van een goede vriendin, geportretteerd als surrealistische nachtgodin, kan misschien enkele minuten troost bieden. Anders zul je zuster morfine moeten opzoeken of ander gezeik op een andere weblog.

Foto: Agnes Anquinet door Martin Pulaski, Antwerpen 1977.