DE GEEST VAN EMILY DICKINSON*

emily-dickinson2.jpg

Voor Emily Dickinson en het Griekse volk.

Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.

In het zonlicht – heerlijk – begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar – de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

“Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren”.

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het – mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.

De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken – rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten – wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in de hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg – naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het witte geweld van de vogels. Veilig – voor de leugens van God.

Ω

*Oorspronkelijk verschenen op 16 juni 2006 (Bloomsday).

EEN MIDDAG IN HET TER KAMERENBOS

IMG_0686.JPG

Ze is nog eens op visite geweest. De muze. Ik weet niet hoe dat met vrouwen zit, maar voor mij is de muze altijd een vrouw. De muze hing aan een stevige tak, die zich over het donkere water in de grote vijver van het Ter Kamerenbos boog. Zo leek het alleszins, want goed kon ik haar niet zien; misschien zat ze er wel op, als een amazone. Want aan een tak hangen lijkt me wat ongewoon voor een muze. Verliefde stellen in roeibootjes konden hem moeilijk ontwijken. Sommigen, kussend en ver weg van deze wereld, raakten verstrikt in de kleinere, groenere takjes, maar gaven daar niet om.

Dat zij de muze zagen of hoorden betwijfel ik. Ik wel, ik zag haar en hoorde haar fluisteren. Was ze er niet voor mij verschenen? Maar ik dwaalde af. Misschien verlangde ik ernaar om ook in zo’n bootje te zitten, verstrengeld met een geliefde; ik weet het niet. Zomaar, zonder reden, dacht ik opeens dat ze moe was. Ze moest dringend gaan rusten. Neen, ze was al in slaap gevallen. Daarom keerde ik haar de rug toe, en de verliefde stelletjes in de boten keerde ik ook de rug toe.

Ik geloof nu dat ik dat niet had mogen doen. Ze had me stellig nog wat rudimentaire, maar rijkgeschakeerde woorden toegefluisterd. Vruchtbare grondstof voor stevige bloemen – noem ze bloemen van het kwaad, of wat je maar wilt. Het is echter moeilijk om lang bij de muze te blijven – en afstand te houden, want zoals ik al zei: ze is altijd een vrouw, en ik heb haar nooit in een andere gedaante gezien dan in die van een buitengewoon aantrekkelijke vrouw. Sommigen beweren echter dat zij vaak, of bijna altijd, een belle dame sans merci is, of een femme fatale. Dat is heel goed mogelijk. Maar elke regel kent uitzonderingen. En als het hier dag is, is het ergens anders nacht.

Die nacht, nadat ik als een prairieroos na een hete dag, in slaap was gevallen vertelde een oude vriend uit Baarle-Nassau me dat een dichter die me zeer dierbaar is, iemand die ik al sinds 1975 bewonder en als een voorbeeld zie, in zijn jeugd antisemitische pamfletten heeft geschreven. Ik was geneigd hem te geloven. In zijn stem klonk overtuigingskracht en hij beweerde dat hij het kon bewijzen. Hoe kon ik zijn laster, want ik voelde meteen aan dat het ook dat was,  verzoenen met het verheven beeld dat ik al zo lang van hem heb? Ik nam me voor die aantijging uit mijn memorie te bannen. Nooit zou ik die vriendschap met jou – door wat dan ook – laten aantasten Wat later vroeg iemand me wie mijn favoriete vrouwelijk dichter is. Ik wilde meteen het antwoord geven, maar haar naam ontsnapte me. Iedereen weet dat je schuldig bent als je geen antwoord geeft… De naam Emily Dickinson.

Wat had ik die droom zo graag niet gedroomd! Ik geloof dat ik nooit van die laster zou hebben gehoord als ik de muze daar in het idyllische Ter Kamerenbos niet de rug had toegekeerd.
Ω

Foto: Martin Pulaski, 20 juli 2005.

DE GEEST VAN EMILY DICKINSON

emily dickinson

Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.
In het zonlicht – heerlijk – begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar – de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

“Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren”.

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het – mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.
De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken – rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten – wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in mijn hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg – naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het wit geweld van de vogels. Veilig – voor de leugens van god.