BLUES (ZONSONDERGANG)

Voor Brecht De Meulenaere

De zon kwam op en nu gaat ze weer onder, zei ze.
Zo ver en zo nabij, zei hij.
En wat heb jij ondertussen gedaan, zei ze.
Ik heb een paar huizen gebouwd, zei hij.
Huizen, zei ze, en je handen dan?
Huizen van woorden, zei hij.
Je hebt niet stilgezeten, dat zie ik, zei ze.
Toch wel, zei hij, ik heb ook wijn gedronken.
Je ziet er nochtans niet dronken uit, zei ze.
Het was met een vriend, zei hij.
Daar aan de vijvers van Elsene zeker, zei ze.
Ja, zei hij, daar.
Je weet wel, zei hij, waar meisjes voorbijlopen met zilver en goud.
En je vriend dan, zei ze.
Met hem heb ik gepraat en geweend, zei hij.
Wilde hij weer naar Noorwegen terug, zei ze.
Ja, zei hij, naar de meren en de bergen daar en de stilte.
Dat dacht ik al, zei ze.
Je zou het eens moeten weten, zei hij.
Hoezo, zei ze.
Er kwamen zangers voorbij, gitaristen, zo droef, zei hij.
En toen kon je niet meer spreken, zei ze.
We werden overstemd door hun blijdschap, zei hij.