DE VRUCHTBAARHEIDSSYMBOLEN OP HET KERKHOF

vampyr1

Ik zit met Laura in een 4×4, zij achter het stuur. We rijden een berg af, over een kronkelige weg, rechts van ons gaapt de afgrond. Ze rijdt snel en roekeloos langs de afgrond, tot we door de vangrails gaan en in de lucht zweven. We maken allerlei bewegingen met onze ledematen en onze rompen om toch maar in de lucht te blijven. Tot mijn verbazing lukt dat. Maar dan zie ik dat we eigenlijk niet in de lucht hangen, maar op een bijna onzichtbare weg naast het normale rijvak zijn beland. Ik wijs Laura hierop en zij begeeft zich nu snel weer op de normale weg naar beneden. Tot we aan het oude kerkhof in de vallei komen, waar we uitleg krijgen van een paar jongens, met donkere huid. Ze hebben iets van Zigeuners, maar waarschijnlijk zijn het Kosovaren. Achter de zerken staan muurtjes, met dwarse openingen, je kunt ze vergelijken met schoorstenen maar dan rechthoekig, iets meer dan een meter lang, dertig à veertig centimeter breed, een meter hoog. Er groeien stokachtige gewassen uit de dwarsopeningen, donkergrijs, asachtig van kleur, maar ze zijn niet dood aangezien ze groeien. Ze groeien uit de graven. Alle graven op dit kerkhof zijn goed onderhouden. Als er iemand wordt begraven, wordt aan het hoofdeinde van het graf zo’n open muurtje gemaakt; daarin worden stukken hout gelegd, die bevrucht worden door de lichaamsvochten van de overledene. Een jongen vertelt ons dat zij eigenlijk van vissers afstammen. Dat verklaart waarom zij om hout te gaan vergaren om hun doden mee te geven nog altijd op zee gaan. Alleen hout dat zij op het zeeoppervlak vinden mag worden gebruikt voor de graven. Alleen daaruit groeien de asgrijze stokken. Die worden zo’n twee tot drie meter hoog. Ze hebben een doordringende geur. Ik vraag me af of dit nu een echte lijkengeur is.

Later in de auto zijn we vrolijk en maken grappen. We hebben een sterk drankje gekregen. Mag je eigenlijk van die stokken eten als je vegetariër bent, had ik nog aan de Kosovaarse jongens gevraagd. De jongens hadden gelachen om mijn grap. Ze worden in ieder geval gebruikt bij huwelijken, zeiden ze, want zo’n stok is in deze streken een vruchtbaarheidssymbool.

Dit alles vertelde ik Else, zij het minder vlot en minder literair, terwijl ik door het raam keek. Ik voelde aan dat zij me bekeek terwijl ik vertelde. Wat zou zij denken, dacht ik? Zou zij allerlei betekenissen geven aan de beelden in deze droom? Zal zij deze droom zelf verder dromen als zij straks een dutje doet?

MAG IK MET DIE VROUW NAAR BED?

psych2

Ik herinner me dat ik het met Else over de prachtige roman ‘De behandeling’ van Daniel Menaker had. Het gaat, zoals de titel al laat vermoeden, over een behandeling bij een psychiater. Ik vertelde haar over de pyschoanalyst in dat boek, hoe hij zijn patiënt, de verteller, vaak allerlei dingen suggereert, zelfs advies geeft, bijvoorbeeld om met een bepaalde vrouw naar bed te gaan; zie je dan niet dat zij iets voor je voelt, zegt hij.

Ik zei tegen Else dat dit toch al vrij ver ging, de patiënt laat zich gemakkelijk beïnvloeden, hij bevindt zich in een ondergeschikte positie. Op die manier kan hij niet langer vrij beslissen – en is het nu niet precies dat waar het allemaal op neerkomt, waarom je in therapie gaat: je wil zelfstandiger worden, vrijer, gemakkelijker kunnen beslissen, kunnen argumenteren en weloverwogen kiezen… Een orthodoxe psychoanalyse is het zeker niet, zei Else. Ach, het speelt zich ook af in de jaren ’70 en in de Verenigde Staten, in die tijd en vooral in dat land werd er waarschijnlijk wel meer geëxperimenteerd dan hier en nu. Maar zou jij dan graag hebben dat ik je advies geef, dat ik je dingen aanbeveel, vroeg ze? Ik weet het niet goed, zei ik. Dat maakt het leven natuurlijk gemakkelijker, als je bij iemand terecht kunt om raad te vragen. Maar aan de andere kant word je dan weer afhankelijk van die persoon en dat is toch ook niet goed.

“Men denkt zich voor de wereld te openen en boet daarvoor met blindheid in de naaste omgeving. Onbegrijpelijk is de hoogmoed, waarmee je erover beslist wat je aangaat en wat niet. Alle lijnen der ervaring zijn je voorgeschreven, zonder dat je het weet, wat zonder letters nog niet te begrijpen zou zijn, blijft ongezien en de wolfachtige eetlust, die zich weetgierigheid noemt, merkt niet wat hem ontgaat.”
(Elias Canetti, De Behouden Tong, 320.)

MIJN UREN BIJ ELSE

Lange tijd ging ik bij een psychiater te rade. Ik moet echt radeloos geweest zijn. Maar ze was niet alleen een psychiater, ze was eveneens een mooie, aantrekkelijke vrouw. Zeven jaar lang ging ik bij haar. Twee keer per week, bijna een uur onderweg naar haar toe, veertig minuten tegenover haar in de zetel, bijna een uur terug naar huis. Ze heeft vast veel aantrekkingskracht op me uitgeoefend, want ik weet wel zeker dat ik niet gek of zwaar depressief was of iets dergelijks. Een van mijn grootste problemen was, denk ik nu, dat ik mij te normaal vond worden. Het bijzondere dat ik altijd gedacht had te bezitten leek mij uit de handen te glijden, me te ontglippen, zoals men zegt. Ik ben bij Else op visite geweest van 1997 tot 2004. Dat is een lange tijd. Ik vermoed dat ik met niemand anders, met uitzondering van mijn levensgezellin, zoveel uren samen heb doorgebracht.

Op een avond vroeg Else me waarom ik haar niet wilde kwetsen, iets wat ik tijdens de vorige sessie had gezegd. Ik kon het moeilijk verklaren. Het spreken viel me opeens heel moeilijk, kennelijk ten gevolge van opkomende hoofdpijn en duizeligheid. Een dikke tong leek ik te hebben. Eigenlijk wil ik niemand kwetsen, zei ik. Het is een rationeel uitgangspunt. Zeker vrouwen wil ik dat niet aandoen. Nee, niemand, ik wil niemand kwetsen. Ik probeer agressiviteit te vermijden, ik wil zachtaardig zijn. Daar zitten ook egoïstische motieven achter: ik wil dat de mensen mij liefhebben, mij graag zien. Als ik hen kwets, maak ik dat alleen maar moeilijk voor ze en dat wil ik vermijden.
Maar als je je gevoelens van woede, van boosheid onderdrukt, dan ben je niet vrij, dan ga je daar onder gebukt, zei ze. Je gaat al gauw de rol spelen van het slachtoffer, van de zieke, van de zwakke. Dat mag niet blijven duren, want zo bereik je niets.

Het feit dat ik normaal – een kleine burger – dreigde te worden leek Else helemaal geen probleem te vinden. Ze weigerde een regel van me te lezen. Dat was niet goed voor de therapie, meende ze. Nochtans beweerde ik aan writer’s block te lijden en hoopte ik dat zij me daarvan zou kunnen genezen. In mijn gedachten was zij mijn ideale lezeres, maar zelfs het weinige wat ik nog schreef scheen haar koud te laten. Dat schrijven zal wel terugkomen, zei ze. Dat ik mijn oude dagboeknotities zat te herwerken – bij gebrek aan inspiratie, aan nieuwe ideeën – vond zij wat vreemd. Je investeert je energie in het verleden. Is dat om iets moois na te laten aan de nabestaanden? En nu dan?

Dat boeken hun magische aantrekkingskracht verloren hadden was evenmin een drama. Mijn compulsief boekenkopen zou er door afnemen, dacht ze. De last van zoveel ongelezen boeken zal minder zwaar worden. Maar dat ontkende ik. Die last blijft even zwaar, zei ik, wordt zelfs zwaarder. En ik blijf als een geobsedeerde kopen, boeken en CD’s, stapels, meer dan ooit tevoren. Bovendien beleef ik er nog maar weinig plezier aan, of ik moet eerst champagne of Southern Comfort of zo drinken. Dat kost mij fortuinen, nog veel meer dan deze sessies.

En nu zit ik aan die uren bij Else te denken, die duizenden mooie uren dat ze mij aan het woord liet en me ongetwijfeld zat te bekijken, terwijl ik daar buiten ergens in een boom in de tuin mijn diepste gedachten zocht, of in de patronen op het tapijt een woord terugvond dat ik al jaren begraven had. Wat hield ik van die uren met Else, ook al moest ik door de bijtende kou om haar te bereiken! En als ik van die uren hield, hield ik dan ook niet van Else? Wilde ik niet voor altijd bij haar blijven? Wilde ik niet dat uren dagen werden en dagen weken en weken maanden, tot het aardedonker zou worden en stil, tot alle woorden waren opgebruikt?