EEN ONTMOETING MET EDGAR ALLAN POE

Poe xxx

“Elementary penguin singing Hare Krishna
Man, you should have seen them kicking Edgar Allan Poe.”
John Lennon

“Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.”
Dit schreef ik op 10 oktober 2013. Ik voegde eraan toe dat het maar een vluchtig idee was, de aanzet tot een project dat ik waarschijnlijk niet helemaal zou uitwerken.

De voorbije weken ging mijn aandacht naar een aantal boeken en schrijvers die ten dele mijn wereldbeeld hebben beïnvloed en zelfs bepaald. Daar wil ik nu wat dieper op ingaan. Het is mij hier niet zozeer om mijn favoriete boeken te doen: die zijn voor een groot deel pas in mijn leven opgedoken toen mijn karakter al vaste vormen had aangenomen en er nog maar weinig met mij aan te vangen was. Hoewel mijn ‘geest’ vermoedelijk nog voldoende soepel was om er favoriete boeken in op te slaan. Overigens is een uitspraak als ‘de beste boeken ooit gelezen’ erg relatief: een mens verandert, er komen uitverkoren boeken bij, andere verliezen hun plaats op de erelijst.

eisden-sinterklaasDe eerste schrijver die in dit overzicht op het raam komt kloppen is Edgar Allan Poe. Ik kwam zijn naam voor het eerst tegen in een deeltje van de jeugdencyclopedie ‘Zoek het eens op’. Ik heb het boek, dat ik als cadeau kreeg van de brave sint in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Eisden, al lang niet meer in mijn bezit. Je trof er allerlei wetenswaardigheden in aan over wetenschappen, kunst, ontdekkingen en geschiedenis. Zo kwam je merkwaardige dingen te weten over de kruisboog, de geschiedenis van de hoed, eekhoorntjes, vogelbekdieren, Lord Byron, de aardbei, het magnetisme, het paard van Troje, sprinkhanen, Molière, George Gershwin, de tomaat, de jacht op groot wild, Igor Stravinski en het kunsthart. Ik vraag me af welke logica werd gehanteerd bij de selectie van die onderwerpen. Maar goed, zo kwam ik dan toch Edgar Allan Poe op het spoor (en won ik bij de meeste quizzen waar ik in die tijd aan deelnam). Wat er precies in de korte biografie stond weet ik natuurlijk niet meer en mocht ik het wel nog weten zou het waarschijnlijk niet waar zijn. Wat ik me wel nog herinneren kan, is dat ik bij het zien van de afbeelding van de dichter en het lezen van de ongetwijfeld schaarse informatie erg nieuwsgierig werd. Meer nog: ik kreeg het gevoel dat ik mezelf zowel in het verleden als in de toekomst ontmoette. Daar zat ik dan: in 1963 als een ijverige leerling op een harde stoel in het internaat te Eisden; in 1836 als een dichter en verhaalschrijver in een vochtig, wat vervallen huis in Baltimore in de staat Maryland met mijn dertienjarige bruid, mijn nichtje Virginia Clemm (“het sombere meubilair, de donkere, versleten draperieën”); in 2046 als een aan lagerwal geraakte privédetective in een asiel in Brentwood, een onderkomen wijk van Los Angeles. Ik was een William Wilson zonder dat ik het wist. Het zou evenwel nog een lange, lange tijd duren eer ik een boek van Edgar Allan Poe in handen zou krijgen. Iedereen weet hoe lang de jaren duren als je nog een kind bent. Ondanks mijn belangstelling voor volwassen boeken ben ik lang jong gebleven. Mogelijk ben ik het nog altijd. Maar als ik in de spiegel kijk zie ik veeleer een oude, vermoeide Roderick Usher.

De-zwarte-katIn een papierwinkel in Tongeren – of was het Lanaken – vond ik in 1966 De zwarte kat en andere verhalen, een mooie keuze uit de Tales Of Mystery and Imagination. Elk verhaal was een literaire blikseminslag, elke zin betoverde me, elk woord nam me mee ver over de grenzen van het voorstelbare. Van mijn vroegere literaire helden, Hendrik Conscience, Alexandre Dumas en Victor Hugo bleef niets meer overeind. Wat waren De leeuw van Vlaanderen, De graaf van Monte Cristo en De ellendigen opeens ouderwetse en langdradige boeken! Poe’s ijzingwekkende verhalen hadden een effect vergelijkbaar met hallucinogene middelen, waar ik toen zelfs nog niet van had gehoord. Verhalen als De zwarte kat, Hup-Kikker (de vertaling van Hop-Frog; Or, the Eight Chained Ourangoutangs), Het vat Amontillado (dat mij voor de rest van mijn leven naar sherry heeft doen snakken, zelfs in coma had ik zin in een glaasje ijskoude manzanilla), Het masker van de Rode Dood, en zovele andere brachten me niet alleen aan het griezelen maar deden ook mijn fantasie op hol slaan en waren een inspiratiebron voor het schrijven van gedichten en poëtisch proza. Ik herinner me de titel van één verhaal dat ik toen schreef: Psychische ontbinding. Zelfs als ik gefolterd zou worden zou ik weigeren het te herlezen. De gevolgen van de lectuur van Poe waren niet altijd gezond. Het verraderlijke hart is waarschijnlijk de oorzaak van een nachtmerrie die ik af en toe heb: lang geleden heb ik iemand – meestal is het een vrouw, mogelijk mijn moeder – vermoord en het lijk in stukken gesneden. Nu, vele jaren later, is het zo ver: de politie klopt op de deur, ze hebben weet gekregen van mijn gruwelijke misdaad. Vliegensvlug probeer ik nog alle sporen uit te wissen. Foto’s en andere voorwerpen in mijn bezit moeten vernietigd worden. Maar het is te laat! Gelukkig denk ik zelden aan die nachtmerrie voor ik slapen ga, anders zou insomnia mijn droeve lot zijn.

the tell tale heart 1928

Eens de twintig voorbij las ik nog maar weinig in mijn geliefde Poe. Eind jaren zeventig in de reusachtige, betegelde keuken in de Dolfijnstaat in Antwerpen, waar zelfs een zuchtend uitgesproken woord spectoriaanse Wall Of Sound-allures kreeg, zong ik wel af en toe zijn gedichten The Raven en Annabel Lee, mezelf begeleidend op de rode gitaar, mij er waarschijnlijk niet van bewust dat mijn improvisaties heel goed mogelijk op die van de onfortuinlijke Usher leken: “Ik heb zo juist gesproken over de ziekelijke toestand van de gehoorzenuw die voor de lijder alle muziek ondraaglijk maakte, behalve bepaalde effecten van snaarinstrumenten.” In een kartonnen doos in de kelder bewaar ik nog altijd enkele tapes uit die dagen, waarop ik met behulp van Leo’s bandopnemer, deze en andere impromptu’s – onder meer ook How Sweet I Roamed From Field To Field van William Blake – aan de vergankelijkheid heb onttrokken.
Toen ik het werk van Lacan bestudeerde heb ik The Purloined Letter herlezen, en naar The Fall of the House of Usher keer ik wel één keer per jaar terug. De film van Jean Epstein is zelfs nog beter dan het verhaal. Toen ik de wat mij betreft beste Nederlandstalige schrijver, Geerten Meijsing, in mei 2013 in Syracuse ontmoette bleek dat hij het verhaal uit het hoofd kende. Wat mij niet had hoeven verbazen: ook hij was geobsedeerd door bleke meisjes, door drugs en alcoholisme, door decadentie, door de dood en de angst voor de dood.
Hoewel ik de Tales of Mystery and Imagination nog maar zelden ter hand neem, blijft er bij mij toch nog altijd – naarmate ik ouder word wel in mindere mate – die fascinatie voor het macabere, voor het perverse, voor het ongewone, voor ontbinding, ja, blijft er de aantrekkingskracht van de afgrond. Ook bij mij, denk ik, is de angst een primaire emotie waaraan alle andere gevoelens, zelfs die van liefde, ondergeschikt zijn.

Baltimore_1822_

Afbeeldingen: Edgar Allan Poe; Martin Pulaski keert de goede sint de rug toe met in zijn handen Zoek het eens op; De zwarte kat; The Tell-tale Heart (1928); Plattegrond van Baltimore (1828).

ADOLESCENTIE IN LIMBURG

gris gris

Eergisteren vertelde ik Laura nog een paar dingen over mijn adolescentie in Limburg. Er waren, zoals bij Marcel Proust, twee kanten : de kant van Hasselt (mijn vrienden Jan en Luc) en de kant van Neerharen (mijn vrienden Valère, Jean-Pierre, Martin, Jean en mijn vriendinnen Anita, Linda en Sylvia). Die twee werelden liet ik niet met elkaar in aanraking komen. Er is veel te vertellen over die periode, het midden van de jaren ’60. Je had de lokroep van de ‘misdaad’ – meer bepaald spionage – ontstaan uit fantasieën over James Bond met zijn Lüger en zijn goudgelakte vriendinnetjes. In Eisden Cité toonden wat oudere, gevaarlijkere jongens mij hun fonkelende knipmessen. Zelf had ik een luchtkarabijn en een luchtpistool, waarmee ik soms wel eens op vogels en zelfs op kippen schoot. Die kakelden dan alleen maar even en dan zochten ze weer verder naar iets eetbaars in de ondankbare aarde. Gaia bestond toen natuurlijk nog niet. Dan waren er ook de verlokkingen van de Congo Bar en de Paddock waar je gin fizz en zelfs pure Gordon’s Gin kon drinken. Ik was altijd de leider van de groep in Neerharen. Maar leiders worden verraden, dat moet je erbij nemen, ook al ben je Napoleon Solo II. En toen kwam 1967: flower power en een nieuwe wending in het leven van talloze jongeren. Weegaloze jaren braken aan. Mijn achttiende verjaardag. De twee kanten kwamen voor het eerst samen: Luc, Henri, Jan, Anita en nog een ander meisje (haar naam voor altijd weg, nee, die staat wellicht in een dagboek uit die tijd). De meisjes uit Neerharen waren welkom op mijn feestje, de jongens kwamen uit Hasselt. Doctor John the Nighttripper, zoals hij toen nog heette. Die voodoo had nog nooit iemand gehoord. En niemand maar dan ook echt niemand kende White Light White Heat. Hoe dat in 1968 klonk, dat kon je aan geen mens vertellen. It’s like telling a stranger about rock and roll. Daar dansten we dan op: Doctor John, the Velvet Underground… En op Vincebus Eruptum van Blue Cheer. De vader van Anita was rijkswachter, geloof ik, of toch politieagent, Anita zelf een fan van Engelbert Humperdinck. En waarom ook niet. Op Anita’s zus Linda, een onderwijzeres, was ik verliefd, maar zij had al een verloofde. Slechts één avond heeft ze mij gegund, meer niet. Waarom maar één avond en geen twee of helemaal geen, las ik ergens. Je bent natuurlijk nooit origineel in deze tijden van walging en afgrijzen. Wist je al dat de paus dood is?

Op 7 juni vind je mij in het Koninklijk Circus, bij Mercury Rev. Er is nog niet veel veranderd. Vorige zaterdag luisterden we in Antwerpen naar liedjes van the Mamas en the Papas en the Searchers en dansten we in Gent op Jackie DeShannon en Big Star. De bruid danst nog steeds rock & roll of struikelt, blind van dronkenschap, en valt in een ondiepe put. De taxichauffeur wacht stoïcijns, of is het onverschillig, tot het stof is weggewaaid. Over de vreemde gebeurtenissen van gisteren vertel ik morgen of later, veel later. Je moet de dingen doseren. De weinig slaap die je is gegund moet je als was het een vrouw of een grote teddybeer knuffelen tot je ervan in slaap valt!