DE OUDE DUIVEL GENAAMD TIJD

[NACHTEN AAN DE KANT 16]

“Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.”

goddog2

In onze levens en in de wereld hangt alles met alles samen. In mijn terugblik op de muziek waar ik in de jaren zestig en zeventig van hield – en in veel gevallen nu nog steeds – ben ik in het jaar 1978 en in mijn stad aan de Schelde aangekomen. Op slag zit ik weer in mijn werkkamer in ons Dolfijnhuis, hoor in de grote betegelde kamer op de gelijkvloerse verdieping opnieuw Some Girls en Darkness on the Edge of Town weerklinken en zie de vrienden van toen voor me, net zoals ikzelf ruim veertig jaar jonger dan vandaag, en neem me voor om op café te gaan, bij voorkeur naar het Pannenhuis op het Conscienceplein, bij Greta en Toulouse.

De opening van de expo van werken van Leo Steculorum is net achter de rug. Na afloop zijn Senga en ik nog met Leo en Wout Vercammen kip en frieten gaan eten in het Kiekenkot. Sinds 2 december 2019 zijn er in deze kroniek een tweetal dagen voorbijgegaan. Maar wat gaat het leven in de objectieve werkelijkheid onverbiddelijk zijn gang: acht maanden lang is in de rivieren het water naar de zee gestroomd en sinds Nieuwjaar zijn er 630.000 mensen gestorven aan een nog altijd mysterieus virus.

Daar gaat de deurbel. Wie kan dat zijn, ik verwacht niemand, en zit net goed in de flow van mijn tekst. Ik kijk even door het raam en zie dat het Guy Bleus is: dan is het goed. Ik heb hem sinds vorige zomer niet meer gezien, of vergis ik mij nu? Ik leg een plaat op van Mink DeVille, Cabretta, en we praten een poos over wat er de voorbije maanden in onze levens is gebeurd. Opnieuw valt op hoe onze manieren van denken gelijk blijven lopen. Al gauw krijgen we zin om nog een keer de stad in te trekken. Voor we ons naar het Pannenhuis begeven gaan we een hamburger eten in de Quick, een van onze favoriete restaurants. Terwijl we staan te bestellen vraagt Guy aan het meisje dat ons bedient of hij de zaakvoerder van dit filiaal kan spreken. Hij moet even wachten tot zo’n gladde jongen hem te woord wil staan. Ik ben geïnteresseerd in een job bij jullie, zegt Guy, ik wil dolgraag een Quick Boy worden. Hij krijgt meteen alle informatie en een sollicitatieformulier mee.

Hoewel het nog niet donker is als we het Pannenhuis binnenstappen, ziet Ria er toch behoorlijk dronken uit, al is ze niet bezopen. Heb ik Ria ooit wel eens zat gezien? Met haar valt altijd te praten, ook nu weer. Zoals steeds moet er eerst wat ijs gebroken worden, wat over de werkloosheid gesakkerd, over de crisis waar maar geen eind aan komt. Voor we het weten hebben we het over Geeraard de Duivel en Jacoba Van Zottegem. Uiteindelijk zijn we niet ontevreden met onze status van misfits. Stel je voor dat we flikken zouden zijn, of ambtenaren van de RVA, of nakomelingen van die vervloekte Geeraard.

1 aguirrewrathofgod

Luc Van Tendeloo komt aan onze tafel zitten. Hij leeft van de Openbare Onderstand, daar bak je ook geen zoete broodjes van. Dat belet hem niet om vaak naar de bioscoop te gaan. Hij heeft nog maar pas Aguirre, der Zorn Gottes gezien. IJskoud in de King Kong, maar wat een film, en wat een regisseur, die Werner Herzog, roept hij uit, zijn lippen vol bierschuim. Prachtig, zeg ik, die stroom dat is toch een manifestatie van het heilige. Ja, en je beseft ook dat logica zo weinig betekent, zeker in de wildernis en in het licht van de eeuwigheid, zegt Luc. Mensen die geobsedeerd zijn door zuiverheid, moeten we wantrouwen, zeg ik. Dat zeker, zegt Luc. Echt angstaanjagend, haast satanisch, die Klaus Kinski, voegt hij eraan toe. Onlangs zei iemand me nog dat ik op hem lijk, zeg ik. Jij lijkt helemaal niet op Kinski, zegt Ria.
Ik vertel over ons laatste bezoek aan Guillaume en Renée. Jabberwocky was op tv, die film van Terry Gilliam met Michael Palin. Hij is een kuiper die allerlei dolle avonturen beleeft. Zo moet hij een strijd op leven en dood voeren met het monster Jabberwocky. Alleen als Michael Palin Jabberwocky kan doden krijgt hij de hand van Griselda Fishfinger, de prinses. Wel grappig en goed gemaakt maar ik heb me de hele avond moeten inspannen om de zweetvoeten van Renée niet te ruiken. Hoewel die geur goed bij de film past. Bij Griselda Fishfinger, vraagt Ria. Eerder bij Koning Bruno the Questionable, zegt ik.

Guy zit aan de toog, met Greta te praten. Toulouse legt nog een keer the Shangri-Las op de platendraaier. Guy zal daar om hebben gevraagd. I’m all packed up and I’m on my way and I’m gonna fall in love / But at the moment it doesn’t look good / At the moment it will never happen again. Als we die avond naar huis terugkeren, vertelt Guy me dat hij het met Greta over een nieuwe tentoonstelling heeft gehad, hij wil een performance met geuren doen, wanneer weet hij nog niet. Smell art, voegt hij eraan toe. Soms kan een mens niet duidelijk genoeg zijn.

jabberwocky2

Ik heb voor het eerst gebruik gemaakt van de metro, zegt Ria. Metro? Twee stations, Opera en Groenplaats, waar zelfs de drie mannen en de paardenkop wegblijven. De paardenkop zal in een kroeg op de Paardenmarkt zitten. En waarom komen er in dat Vlaams spreekwoord geen vrouwen voor? Allemaal vermoord door Geerard de Duivel misschien. Of door zijn donkere zoon.
Heb je Giuseppe onlangs nog gezien, vraagt Luc. Jazeker, zeg ik, eergisteren nog. Om vijf uur ’s morgens werd er wel twintig keer aan onze deur gebeld. Ik wilde of durfde niet gaan kijken om te zien wie het was. Giuseppe natuurlijk, wie anders. ’s Middags stond hij opnieuw voor de deur. Had zeker Duvels zitten drinken in de Cereus. Hij had een cadeautje voor me: een prachtige Duitstalige filmencyclopedie. Ik was er opgetogen mee, ook al stond er een stempel in van de bibliotheek waar Giuseppe sinds kort aan het werk is. Dat boek wil ik wel eens een keer zien, zegt Luc. Je mag het eens uitlenen, zeg ik, maar je moet dan wel je kruiwagen meebrengen.

Guy is nu weer bij ons komen zitten. Omdat ik het ook allemaal niet meer zo goed weet vertel ik mijn vrienden dan maar een droom die ik afgelopen nacht had. Hoewel ik weet dat alleen psychoanalytici naar dromen luisteren, als ze al niet in slaap vallen, want dat zie je natuurlijk niet.
In een concertzaal zit ik naast een aardig meisje. Maar terstond staan er twee agenten van de Geheime Politie achter me. Ze bevelen me om op te staan en grijpen me stevig bij de armen. Wat gebeurt er, vraag ik. U moet bij mijnheer Pauwels komen, zegt die met de snor. Gina komt huilend de betonnen trap afgerend, haar ogen helemaal rood. Dit betekent het einde voor jou, Martin, zegt ze. De agenten dwingen me diezelfde betonnen trap op te gaan, hoger en hoger, tot waar het erg donker wordt. Ze leiden me naar een duistere ruimte met in het midden een grote kooi. De Agent zonder snor opent de getraliede deur van de kooi, de andere duwt me naar binnen. Ik val neer op de koude cementen vloer. De deur gaat op slot. Er staan nu zeker wel een vijftal mannen rond de kooi en allemaal lachen ze me uit. Zie die dwaas daar liggen! Ik lig met mijn hoofd boven een zwart gat dat heel diep lijkt en waar een kille, onaangename geur uit opstijgt. Dan kijk ik omhoog en zie een opening in de wand voor me. Door die opening kan ik de concertzaal zien en het bevallige meisje dat naast me zat en het podium en wat er zich op dat podium afspeelt: een wel erg kort optreden van Ravi Shankar, niet langer dan vijf minuten, gevolgd door een onbenullige gitarist die van geen ophouden weet. De snobs in de zaal vinden het allemaal schitterend, maar ik schuimbek van woede om dit bedrog. Het mooie meisje probeert me te kalmeren, maar dat lukt niet. De organistoren vinden mijn gedrag beneden alle peil. Twee agenten grijpen me bij de armen en leiden me weg. De deur van de concertzaal gaat open. Heel even vang ik nog een glimp op van de helse trap omhoog.

00-ANTWERPEN 1968-2b

DUIVEL VAN DE ONRUST

IMG_0133

Je had genoeg van de stad. Ze had je afgemat: het rumoer, de kitsch, de uitlaatgassen, de shoppers, de junkies en dronkaards en het nachtelijk geweld. Het gebrek aan manieren, aan savoir-vivre. Je dacht aan Will Oldhams woorden, “I could fuck a mountain”. Zo kwam het dat je naar de bergen ging, één week, twee weken… Daar vergat je de tijd, de dagen. Je was in goed gezelschap. Friedrich Nietzsche, Thomas Mann, Werner Herzog, Percy Shelley. Maar die mannen hadden nog een air van stedelijkheid. Je ging naar de hillbillies. Naar Dolly Parton met haar bergluchtstem. Naar Bill Monroe, en de vele bluegrassbroers, de McReynolds, de Stanleys, de Delmores… Je zag er muzikanten hun instrumenten inpluggen en hoorde ze je oren verdoven, maar onder die laag elektriciteit hoorde je nog steeds de ziel van de hillbilly. En zo, met een reiskoffer vol bergliederen, keerde je terug naar de stad, waar je altijd naar was blijven verlangen. Omdat de stad nooit inslaapt en het er nooit volstrekt donker is. Maar je wist dat je er op een dag weer van zou gaan walgen, dat je weer naar de heuvellanden zou afreizen. Naar Kentucky of, dichterbij, naar Tirol, Umbrië, de Twelve Bens in Ierland. En zo zou het blijven duren, met die duivel van de onrust in je ziel.

 

Afbeelding: Martin Pulaski