DE LAATSTE TANGO VAN BERNARDO BERTOLUCCI

last tango 2

Zowat iedereen in de geschreven pers die het over de dood van de geniale filmregisseur Bernardo Bertolucci heeft, heeft het over boter. Weerzinwekkend vind ik een dergelijke herleiding tot het ridicule nog altijd. Dat herleiden tot iets banaals is niets nieuws maar het wordt wel erger met de dag. Elvis was in de ogen van de media bij zijn dood al een vette sandwich maar er werd toch ook nog naar zijn songs geluisterd. Ik heb niet de indruk dat degenen die nu over Bertolucci schrijven ooit een film van hem hebben gezien.
De regisseur is uiteraard veel meer dan Last Tango In Paris, al is die film zijn meesterwerk. Hij toont ten tijde van de zogeheten seksuele revolutie een man in al zijn zwakheid, vol van twijfels maar ook van machismo en in diepe eenzaamheid ten prooi aan gevoelens van uitzichtloze wanhoop. Als er geen liefde overblijft, lijkt seksualiteit net als in de schilderijen van Francis Bacon niet veel meer dan brutaal geweld en grensoverschrijding. Dat alleen nog maar voor de inhoud. Maar Last Tango In Paris is zo veel meer dan inhoud. Alleen al het kleurenpalet, ook enigszins schatplichtig aan Bacon, is een verrukking voor het oog. De kleuren accentueren bijna op een perfecte manier de gevoelens en emoties van de tragische personages, ogenschijnlijk niet veel meer dan toevallige passanten, als in een gedicht van Charles Baudelaire. Die kleuren zijn ook een ode aan de stad Parijs. De hele film is een ode aan de lichtstad, haar cultuur, haar architectuur, haar filmgeschiedenis, haar poëzie.
Er is ook de mise-en-abyme, het thema van de film in de film. Jean-Pierre Léaud, dubbelganger van François Truffaut, in de rol van filmregisseur. Met een nogal vrolijke scène: een huwelijksverklaring bij een sluis aan Canal St.-Martin – met een allusie op weer een ander meesterwerk, L’Atalante van Jean Vigo.
Er is ook het altijd weer boeiende thema van de dubbelganger, dat Bertolucci zo nauw aan het hart lag [1]. Ik denk nu vooral aan Marcello, de minnaar van Pauls overleden vrouw. Hij is niet meer dan een imitatie van Paul, in alles hetzelfde behalve in zijn ziel, in zijn tragiek.
Boven alles is er ook de zelfmoord van Rosa (“a fake Ophelia”), de moord van Jeanne (“C’est un fou… Je ne sais pas qui c’est… Je ne connais pas son nom…”) en dood van Paul (“Our children will remember”). Het toeval van een ontmoeting is noodlot geworden.

Dat zijn slechts enkele aspecten van die ene film. Er zijn er nog zoveel meer films van Bernardo Bertolucci om te koesteren, te doorgronden, ja, om ooit samen met al het mooiste van onze beschaving mee te nemen naar een ander sterrenstelsel.

Last-Tango-in-Paris-1972-Maria-Schneider-Bernardo-Bertolucci-and-Marlon-Brando-on-set

[1] Een van Bertolucci’s eerste films, Partner (1968) was al gebaseerd op Dostojewski’s roman De dubbelganger. In La strategio del ragno (1970), naar een verhaal van Jorge Luis Borges, zijn de verrader en de held één en dezelfde persoon.
In Last Tango In Paris is de dubbelganger een metafoor voor gespletenheid, innerlijke verscheurdheid, voor identiteitsverlies. En mogelijk zelfs voor de dood: de dag dat je je dubbelganger ontmoet weet je dat je gaat sterven.

DUBBELGANGERS IN HET SPIEGELPALEIS

DSC_0249.JPG

Zal ik klagen of niet klagen, dat is de vraag. Het antwoord is dat gezeur geen zin heeft. Waar ik last van heb, hoofdpijn ’s morgens, lusteloosheid, vermoeidheid en dergelijke, doe ik mezelf aan. Het antwoord is dat ik naar buiten moet, onder de mensen, gesprekken voeren, naar concerten gaan, naar de bioscoop, theater, op café. Dat ik andere oorden moet opzoeken, reizen, mijn zorgen laten verdampen samen met de mist, ergens in een groots en troostend landschap. Of naar steden! Venetië, New York, Rome, Stockholm, Wenen (en de steden die ik bijna niet meer durf te noemen, zoals Boedapest, Praag, Krakau). Maar ik doe het niet. Ik blijf lekker thuis, wat lezen, wat schrijven, een film bekijken (op te klein scherm), wat liedjes beluisteren.

Andere jaren verbleven we in de winter een maand in Valle Gran Rey of Tazacorte, waar de lucht goed is en de mensen vriendelijk zijn. Altijd de nabijheid van de oceaan. Altijd het heilzame licht van de zon. Elke dag een stevige wandeling, ’s avonds vis en een glas witte wijn. Muzikanten op de kleine promenade, een jonge vrouw die op Janis Joplin lijkt zingt ‘Ol’ 55’ van Tom Waits.

Gisteren las ik in Knack een gesprek met kinderen, jongens van vijf tot vijftien die in trainingskampen alle technieken leren om ‘ongelovigen’ zo efficiënt en afschrikwekkend mogelijk te doden.
“Salem: ‘Ze leerden ons hoe we wapens in en uit elkaar moesten halen en schoonmaken. En ook hoe we een explosievengordel moesten omdoen. Ze vertelden ons dat we naar het paradijs zouden gaan als we onszelf opbliezen. De mannen van het FSA (Vrije Syrische leger) waren kafirs, ongelovigen zeiden ze. Die moesten dood. Ook als er in onze familie mensen zaten bij de FSA moesten die dood, want dat waren ook ongelovigen.’”

Sandro_Botticelli_-_La_Carte_de_l'Enfer.jpg

Ik herlees ‘Aurélia of De droom en het leven’ van Gérard de Nerval. Het verhaal is een proeve van antipsychiatrie avant la lettre. Dat de verteller een aandoening die zich in de psyche voordoet ‘ziekte’ noemt vindt hij een vergissing, “want wat mijzelf betreft heb ik me nog nooit zo goed gevoeld. Soms dacht ik dat mijn energie en mijn activiteit verdubbeld waren; ik meende alles te weten en alles te begrijpen; de verbeeldingskracht bezorgde me grenzeloze verrukkingen.” ‘Aurélia’ is het verslag van een mystieke ervaring (of een psychose), van een aanval van wat nog niet zo lang geleden schizofrenie werd genoemd. De gespleten persoonlijkheid – bij Ronald Laing ‘the divided self’ – stemt overeen met het romantisch begrip van de dubbelganger. Ieder mens heeft een dubbelganger en wanneer hij hem ziet is de dood nabij. “Er schuilt in ieder mens een toeschouwer en een speler,” schrijft Nerval, “degene die praat en degene die reageert. De oosterlingen hebben daar twee vijanden in gezien: de goede en de slechte genius. Ben ik de goede of ben ik de slechte, vroeg ik mij af. In ieder geval staat de ander vijandig tegenover mij.”

0Félix_Nadar_1820-1910_portraits_Gérard_de_Nerval.jpg

Meer met de voeten op de grond maar even grote literatuur is ‘Jongensjaren’ van J.M. Coetzee, waar ik vandaag in begonnen ben. Literatuur als bewustzijnsverruimer en als geneesmiddel.

Gisteren ook nog een schitterend interview van Piet Piryns met Ilja Leonard Pfeijffer. Ik ken ‘de grote vriendelijke reus’ alleen maar van zijn gedichten. Nu ga ik zeker ook zijn proza lezen, met als startpunt ‘Brieven uit Genua’. Het hele gesprek is een plezier om te lezen, maar dit stukje, over authenticiteit, sprong er voor mij toch uit:
“Een van de grote consequenties van internet is dat het hele begrip authenticiteit problematisch is geworden. Daarom fascineert Facebook me ook zo, de verhouding tussen feit en fictie is een van de grote thema’s in al mijn boeken. Feit en fictie lopen steeds meer in elkaar over, ook in het dagelijks leven. Mensen kiezen in het restaurant bijvoorbeeld gerechten uit waarvan ze vermoeden dat die het goed zullen doen op Instagram. Facebook wekt de indruk dat het medium bedoeld is voor een ongegeneerd inkijkje in het dagelijks leven en dat het allemaal heel spontaan gaat, maar het tegendeel is waar: men is heel erg bewust bezig met de constructie van een identiteit en het creëren van een imago. Facebook is een spiegelpaleis van authenticiteit, waarin je kunt verdwalen.”

Feit en fictie als dubbelgangers, als elkaars spiegelbeeld, toeschouwer en speler, de goede en de slechte genius. Als we de technologie even wegdenken is er sinds Gérard de Nerval en de romantiek niet zo erg veel veranderd.

IDYLLEN.jpg

Afbeeldingen: La Gomera (Martin Pulaski, 2012); Sandro Botticelli, Kaart van de Hel; Gérard de Nerval (Félix Nadar).

FOTOGRAFIE EN DIEFSTAL

APARTMENT.png

Waar hadden we het ook alweer over? De tijd, de geschiedenis, wat razendsnel of folterend traag voorbijgaat, de momenten die van ons gestolen worden, ook al doen we er alles voor om ze, kostbaar als ze zijn, tot onze eigendom te maken, alsof ze op die manier onvergankelijk zouden worden.
Wie steelt die momenten van ons? Wijzelf, omdat we onszelf niet zijn, omdat we nooit onszelf waren en het ook nooit zullen worden. Al op jonge leeftijd vingen we glimpen op van onze vervreemding, al vroeg voelden we ons nergens thuis, zonder dat we daar veel aandacht aan schonken. Neen, we sloegen zijpaden in, die van verdoving, kunst, seks, werk, liefde, geweld, motoren, reizen naar exotica, naar wereldsteden. Leverde het iets op?
We wisten dat we ballingen waren, maar we zochten niet naar ons land van herkomst, of als we het toch deden vergisten we ons: we dachten dan dat het een paradijs was, een halfvergeten droom, een utopische streek uit een roes voortgekomen, ver weg in de toekomst gelegen, voorbij de bergen van Aghanistan of, erger nog, in onze prille jeugd verzonken, een Atlantis in de baarmoeder dachten, in navolging van Georg Groddeck, sommigen van ons.

groddeck.jpg

Nochtans zijn het mooie en sterke momenten. Ze vullen alleen al bij mij duizenden bladzijden en als ik even op internet ga, vind ik er in een oogwenk miljoenen, foto’s, liederen, gedichten, films, onvoltooide gedachten, vluchtige ideeën over vlinders en sterrenstelsels, over om het even wat zovelen van ons interessant lijkt. Ze zijn sterker dan ons leven, dan alles wat ons een geheel maakt, wat ons de illusie van een identiteit geeft. Net daarom vallen wij in stukken uiteen, fragmenten van wie we dachten te zijn, die wij niet meer kunnen bepalen; net daarom verliezen we onszelf in vluchtigheid en verval, net daarom duurt de tijd zo lang soms en zo kort als adem in herfstlucht. Elk moment waarvan we denken dat het ons bepaalt, en dat we zo stevig proberen vast te houden, maakt ons zwakker, we geven ons eraan over, overhandigen ons hart, onze ziel, of wat daarvoor doorgaat. Elk moment dat we op die manier beleven is een blootstelling aan het oog van de nieuwsgierige fotograaf, noem hem gerust onze dubbelganger: hij is op onze ziel belust, of een stuk ervan, hij is de dief van onze kostbare momenten. Je maakt het elke dag mee. De media overspoelen ons met stukken van onze ziel. Omdat we onszelf niet kunnen zijn laten we ons bestelen, bestelen we onszelf, door onszelf te verkopen, niet eens aan degene die het hoogste biedt.

Lou_Doillon-Olivier_Zahm-Purple-02.jpeg

Zo gaan we een leven lang op de loop voor onszelf, op de vlucht voor mislukking, misprijzen, miskenning, op zoek naar voldoening, wraak, vervulling. Dat doen we ieder op onze manier op voor bijna iedereen herkenbare wijze. De sporen daarvan zijn onze geschiedenis, die ons in boeken en films wordt afgenomen, omdat hij ons gepresenteerd wordt, en daardoor het andere wordt, met ongewilde betekenissen overladen.

We vluchten voor wat we onze schaduw noemen maar zoeken hem ook. Hij fascineert ons. Wie zijn wij, wat zijn wij als wij in de spiegel kijken, of als iemand ons vanop de rug ziet, zoals in films? Wat is er van ons aanwezig in onze schaduw? Zijn wij het, ontdaan van onze eigenschappen, herleid tot de essentie die nooit een echte essentie is, vanwege de beweeglijkheid, het licht? We weten niets. Kort nadat we onze dubbelganger hebben ontmoet, schrijft Gérard de Nerval, gaan we dood. Het is een bekende geschiedenis, vaak beschreven, het is die van het verhaal van het land Luz en van Isfahaan, Nesf-e-Jahan, waar Avicenna operaties uitvoerde en zijn leer verkondigde. We kunnen liefhebben, vluchten, vechten, maar nooit zullen we levend ontsnappen aan het labyrint dat we zijn en waarin we onszelf, verraders, keer op keer ontmoeten.

avicenna_painting.jpg

MORE : IN MEMORIAM RICK WRIGHT II

Rick Wright

De dood van Pink Floyds Rick Wright heeft me letterlijk met verstomming geslagen. Ik kon er geen woord over kwijt. Ik was bedroefd, maar dacht ook meteen: weer schrijven over iemand die ik in mijn jeugd bewonderde en die nu dood is, iemand van mijn generatie, net iets ouder. Ik had er geen zin meer in. Straks doe ik niets anders meer dan over doden schrijven. En de levenden dan?

En toch. Samen met Syd Barrett, Brian Jones en Steve Marriott was Rick Wright een van mijn jeugdhelden, ik vond hem mooi, hield van zijn stijl en van zijn orgel- en pianospel. De rol van Rick Wright in Pink Floyd is altijd te weinig aan bod gekomen. Terecht werd Syd Barrett als de meest creatieve geest beschouwd. Sommigen noemen hem een genie, maar dat woord gebruik ik niet graag. Syd Barrett was Pink Floyd, de anderen begeleidden hem, Nick Mason op drums, Rick Wright op de hiervoor genoemde instrumenten, Roger Waters op bas. Toen Syd de band verliet, wellicht wegens een vertroebelde geest, zoniet waanzin, ontstond er een vacuüm: de jonge muzikanten wisten niet waarheen. Het was een goede zaak dat Syds vriend, David Gilmour, Syd verving. Niet alleen was hij een uitstekend gitarist, hij zong ook mooi, en schreef songs. Rick Wright was in die overgangsperiode van psychedelische undergroundgroep naar commercieel instituut het meest creatief. Hij zorgde ervoor dat de ruimtelijke sfeer in het geluid van de groep aanwezig bleef. Van de vier oorspronkelijke leden vind ik dat hij na Syd Barrett het meest ‘Pink Floyd’ was. Dat kun je ook horen op de songs die hij in die tijd schreef: ‘Paint Box’ (de b-kant van de single ‘Apples and Oranges’ uit 1967, nog geschreven door Syd) en de single A-kant ‘It Would Be So Nice’ uit 1968. Op de tweede elpee van Pink Floyd, ‘A Saucerful Of Secrets’, een werk vol ruimte, licht (en de woedeuitbarstingen van Roger Waters), stonden twee heerlijke composities van Rick Wright: het sublieme ‘Remember A Day’, helemaal in de sfeer van Syd Barretts meesterwerk ‘See Emily Play’, en ‘See-Saw’, dat ook weer bijzonder sprookjesachtig is.

In 1969 bracht Pink Floyd de soundtrack van Barbet Schroeders hippiefilm ‘More’ uit. Het is de mooiste plaat van de groep, na het debuut, ‘The Piper at  the Gates of Dawn’, uiteraard. Rick Wright schrijft mee aan de meeste songs van de soundtrack. De teksten zijn van Roger Waters. Na de interessante mislukking ‘Ummagumma’, een dubbel-elpee uit 1969, met één minder boeiende, experimentele kant gecomponeerd en geïmproviseerd door Rick Wright. Ik moet echter toegeven dat ik er in 1970 dol op was.  Ik moet er honderden keren naar hebben geluisterd, daar op mijn kamer in de Karmelietenstraat, die nu al lang afgebroken is. In plaats van de kapperszaak waarboven ik woonde staat nu een ministeriegebouw lelijk te wezen. Vervolgens krijgt het zogenaamde progresssieve aspect van de groep de bovenhand. Pink Floyd is geen undergroundband meer, wordt geaccepteerd door het grote publiek, brengt elpees uit die veertig miljoen exemplaren verkopen. Rick Wright schreef ook aan deze platen mee, maar ze werden beheerst door Roger Waters, en in mindere mate door David Gilmour. Ik kan er weinig over zeggen omdat ik ze nauwelijks beluisterd heb. Ik heb nooit van bombast gehouden.

Ik heb er bovendien helemaal geen idee van wat Rick Wright van dit alles heeft gedacht. Hij was een stille, bescheiden man. In interviews nam hij zelden het woord. Vrienden van vroeger vonden dat ik – uiterlijk – op Rick Wright leek. Dat beschouwde ik als een compliment. Nu denk ik dat mijn karakter meer op het zijne lijkt: ik zou mijn stempel wel willen drukken op mijn omgeving, en in zekere zin op mijn tijd, maar ik beschik niet op de sociale vaardigheden om daarin te slagen.

Ik zag Pink Floyd drie keer live. Op 23 februari 1968 in Antwerpen in café Het Pannenhuis, ik had Rick Wright kunnen aanraken, maar zo gek was ik nu ook weer niet, op 26 september 1969 in théâtre 140 in Brussel (dag Marc, hoe gaat het met je?) en op 12 juli 1970 op een hippiefestival in Aken, waar mijn vrouw en ik, samen met Amerikaanse ‘soldaten’ en Duitse hippies, in een oude oorlogsbunker moesten overnachten. Het eerste en het tweede concert waren overweldigend mooi, met die zeer ruimtelijke muziek, het derde, in Aken, was weinig geïnspireerd. Ik ben erbij in slaap gevallen. De groep was op zoek naar iets anders. De muzikanten wisten ongetwijfeld nog niet dat ze enkele jaren later schatrijk zouden zijn.

Rick Wright cijferde zichzelf weg. En dat heb ik in deze tekst ook gedaan: Rick Wright weggecijferd. Rick Wright is definitief weg. Maar nog vaak zal de lieve man opduiken als we weer een keer ‘Paint Box’, ‘It Would Be So Nice’ en ‘Remember A Day’ beluisteren. En ‘More’.

in memory of rick wright II

De eerste single van Pink Floyd zonder Syd Barrett. Rick Wright schreef de A-kant, ‘It Would Be So Nice’.

GENETICA

Stephan vertelde mij onlangs het volgende. “Ik ben een afstammeling van een familie waar bij één tak de verbeelding zeer sterk ontwikkeld was en bij de andere tak hadden temperament, opvliegendheid en zelfs een neiging tot agressie de overhand. Die beide elementen zijn in mij verenigd. Hoe kan het ook anders. Niemand ontsnapt aan de wetten van de genetica.
Ondanks het feit dat ze zelf zulke neigingen hadden, zij het sterk afgezwakt, maakten mijn ouders zich veel zorgen over me. Steeds wilde ik mijn wil doordrijven. Mijn wildste dromen moesten werkelijkheid worden, zoniet werd ik onhandelbaar.
Mijn jeugdvrienden hadden het vaak moeilijk met me. Als ze me niet gehoorzaamden gunde ik hen geen blik meer waardig. Bij al onze escapades, in al onze avonturen moest ik de leider zijn en daarmee basta. Mijn ouders waren te zwak om mij te kunnen temmen. Hoe meer pogingen ze deden hoe groter mijn triomfen werden. Al gauw was mijn wil wet. Niemand had nog iets over me te zeggen. Ik was nog geen zestien en ik ging al waar mijn passies mij voerden. Niets kon mijn driften aan banden leggen. Hoeveel schade ik anderen en mezelf ook toebracht, het veranderde niets aan mijn bestaan.”

Er viel een lange stilte. Ik schonk nog wat wijn in. De rest vertel ik je op een andere avond, zei Stephan. Laten we nu nog maar een spelletje whist spelen.

[Met veel dank aan Edgar Allan Poe.]

OP ZOEK NAAR MIJN SCHADUW

hc andersen

Vandaag ging ik op zoek naar mijn schaduw. Soms denk ik dat het de enige ware vriend is die me nog rest. Maar wellicht is dat een combinatie van verblinding, ijdelheid en narcisme. Verblind door te lang in de spiegel te kijken? Mijn schaduw heb ik niet gevonden. Het verbaast me niets dat hij het hazenpad heeft gekozen. Voortdurend mijn geweeklaag aanhoren, ook al is het voortreffelijk geformuleerd, moet op den duur moedeloos maken. Dat kan niet anders. Verblind, daarom, liep ik door het centrum van Brussel met niets dan muziek in mijn hoofd. Al het andere was in het niets verzonken; zelfs de politie in de buurt van de Amigo bracht me niet aan het schrikken. En zo gebeurde het dat ik bijna de bijbel kocht, terwijl ik hier thuis al een flink uit de kluiten gewassen exemplaar heb liggen. Net op tijd ontwaakte een heldere gedachte. Dit gaat te ver, leek ze te zeggen. Die sprekende gedachte werd net niet overstemd door Vic Chesnutt, die een klaagzang over jong sterven had ingezet. Dankzij dat lied rees er een andere gedachte op, of veeleer een herinnering aan een overleden broer en vriend, Ludwig, en het overweldigende van die herinnering deed de wereld weer opengaan, de wereld van de levenden en de doden. Zink niet weg in de rampspoed, jongen, laat je niet vernietigen door bijkomstigheden. Schud de platvloerse en onbeschofte mensen, het crapuul met messen in de zakken en geld in de ogen, van je af en omhels degenen die in liefde leven. Of zoals Robin Williams zei: Carpe Diem. Later, in de metro, las ik een interview met Crispin Glover, die treurt over de afwezigheid van een tegencultuur. En ik dacht, zijn treurnis is al een bewijs van het bestaan van een tegencultuur. Met die tegencultuur, die de echte cultuur is, wil ik me opnieuw vereenzelvigen. Daar ligt de toekomst. Ooit is het met liefde en de absolute zekerheid van de authenticiteit van de eigen stem begonnen. Als je de weg terugvindt, met of zonder Ariadne, naar die oorsprong, dan raak je weg uit dit labyrint van tegenslag, mislukking en verdriet. Opnieuw de schittering zoeken, het sublieme, niet zozeer in je spiegelbeeld, maar vooral in de andere mensen, die je tegemoet treden als je dat het minst verwacht. Treed jij hen nu ook maar tegemoet. Maar wees voorzichtig, man!

“‘Weet u wie daar woonde in het huis van de overbuur?’ zei de schaduw, ‘dat was de verrukkelijkste van allen, dat was de poëzie! Ik was daar gedurende drie weken en dat werkt net zo in, alsof men gedurende drieduizend jaar leefde en alles las wat er gedicht en geschreven was, want dat zeg ik en dat is waar. Ik heb alles gezien en ik weet alles!'” H.C. Andersen, De schaduw.