CHAOS EN DRONKENSCHAP IN GENT EN BRUSSEL


gerrit mia

De voorbije dagen stonden in het teken van vriendschap, psychoanalyse, alcohol, woede en verdriet. Met andere woorden: emotionele chaos. Ook gaf ik mij over aan gevoelens van paranoia ten aanzien van mijn werk en van ‘slechte mensen’ in het algemeen. Ik besefte dat therapeutische sessies bij een psychiater geen enkele zin hebben, voor mij althans niets oplossen. Naar een psychiater gaan, denk ik nu – maar mijn gedachten zijn gekleurd door allerlei vormen van boosheid – is geld weggooien. Je kunt net zo goed of beter naar de hoeren gaan. Maar daar is het nu natuurlijk veel te warm voor. Bovendien heb ik geen behoefte aan een hoer.

Met Laura verbleef ik een avond, een nacht en een voormiddag in Gent, een stad waar ik graag zou wonen. Er is weinig lawaai van het verkeer, de architectuur is er imposant en toch op mensenmaat, de mensen zijn er over het algemeen vriendelijk, er wordt veel gefietst en de trams zijn er comfortabel. Er zijn ontelbaar veel cafés, ‘bistros’ en restaurants, plaatsen waar van de tijd wordt genoten (waar hij wordt vergeten). Bovenal zag ik er veel mooie meisjes, met opwaaiende zomerjurken aan en glinsterende juweeltjes in de navel. Jeunes filles en fleur, waar het in de Brusselse straten zozeer aan ontbreekt. Schoonheid en jeugd vluchten weg uit onze betreurde Europese hoofdstad. Zij laten vervallen panden, puin van Horta en, het ergste van al, de stank van urine en hamburgers achter. Als je in Brussel Zuid uit de trein stapt, betreed je een urinoir. Blijkbaar trekt urinegeur delinquenten aan. En extremisten natuurlijk, want zij lopen er graag rond om de delinquenten in raciale categorieën onder te verdelen, ondertussen van genot in hun broek zeikend. Ik heb me voorgenomen om Brussel Zuid zoveel mogelijk te mijden en op en af te stappen in Centraal, ook geen ideale ruimte, maar alvast gebruiksvriendelijker.

In Gent logeerden we bij onze broer en vriend, in zijn bohémienoptrek, in het centrum. Wij sliepen in de kamer waar hij zijn patiënten ontvangt, hun verhalen noteert, hun knopen probeert te ontwarren, hen tracht te verlossen van hun double bind. Mijn goede vriend en broer is inderdaad ook een psychiater. Ik twijfel er geen ogenblik aan dat hij al veel mensen heeft geholpen. Als ikzelf meer schade dan baten ondervind van de psychiatrie ligt de oorzaak van dat falen bij mij. Wil ik dan doelbewust falen? Ik weiger mij in ieder geval de weg te laten wijzen naar middelmatigheid, naar een evenwichtig leven zonder gevaar en zonder ‘kwalen’. De ‘grote gezondheid’ van Nietzsche kan mij gestolen worden. De man was overigens zelf voortdurend ziek. Veel liever klaag ik onrechtvaardigheid aan dan de vijand te lijf te gaan. Waarom zou ik hem zelfs maar in de ogen kijken? Je verandert de mensen niet met een blik, of met enkele woorden. Ik verkies het dichterberoep boven de redelijkheid. Maar versta me niet verkeerd: ik heb grote achting voor de rede, ook al koester ik dromen en sprookjes en ga ik het irrationele niet uit de weg. Ik weet dat Gerrit me nooit de gulden middenweg zou aanpraten als ik bij hem in psychoanalyse zou gaan. Hij zou me stimuleren in mijn eigenheid en zeggen dat de poëzie het hoogste is. Maar Gerrit analyseert mij niet: hij is mijn vriend, mijn zielsverwant. Beiden houden we al jarenlang van Fernando Pessoa, van the Rolling Stones en – zeker in elkaars gezelschap – van verfrissende wijn. Als we samen zijn drinken we die met volle teugen. If the river was whiskey I’d stay drunk all the time, is een van onze onuitgesproken motto’s. Donderdagavond waren we samen om onze vriendschap te vieren. De Brusselse straten en pleintjes bruisten van leven, wat zalig is, omdat het zo weinig gebeurt. Ik denk dat de zinderende hitte toch enige schoonheid vanonder de grijze stenen weet te lokken. Het was een gloedvolle nacht, wat nog werd bevorderd door het vuur van onze conversatie. Op weg naar huis zongen we mee met the Rolling Stones: ‘Get Off Of My Cloud’, It’s All Over Now. “But he can’t be a man because he doesn’t smoke the same cigarettes as me.”

In Gent was Gerrit er niet bij. Wel in gedachten natuurlijk, omdat we van zijn gastvrijheid gebruik konden maken. Gastvrijheid is een heel mooi woord en heel mooi begrip, zeker in het Frans: hospitalité. We waren uitgenodigd op een feest van jonge vrienden en konden daar praten met verwante zielen, luisteren naar rock & roll en ook nog een beetje – bijna wankelend – dansen. Om ten slotte in dronken waanzin de eerste taxi te nemen. Alle ellende uit het lijf gejaagd met liters vergif. Nu is het weer tijd voor heel veel water.

Foto: Martin Pulaski

OP EEN ZOMERNACHT…

my dad

Hier zit ik dan in een hete kamer, zeker wel veertig graden, en Lucinda Williams zingt Too cool to be forgotten, en de drugs willen niet werken. Er zijn niet eens drugs. Alleen rode wijn, witte mag niet van de dokter, daarom: schenk me nog maar een glaasje Vino Nobile in, want het leven is niets, zoals Pessoa al zei. Niet dat ik zijn voorbeeld wil volgen: ik ben veel te bang voor ziekte, armoede en dood. Een levensgenieter wil ik zijn, zoals mijn vader. Mijn vader is nu al twaalf jaar dood. Gisteren, na de grote schoonmaakbeurt, heb ik zijn foto op mijn bureau gezet. Hier staat zijn portret nu, bijna recht voor me, mijn vader met een zomerhoed op en een sigaret in zijn mond. Ik ben niet langer bang voor hem. Ik word geleidelijk aan zelf mijn vader en na mijn dood zal mijn zoon mij wel overnemen, denk ik. Zo geven wij onszelf enigszins door aan elkaar. Maar aan alles komt een einde, ook aan het doorgeven. Aan alles komt een eind, zelfs aan deze warme nacht, de kortste van het jaar… En zelfs aan de songs van James Brown. En aan James Brown zelf. I love you so, please don’t go, please stay here with me in Mendocino. Doug Sahm, ook al een tijdje zes voet onder de grond, zoals ze in Texas zeggen. Wat was dat toch een zalige zomerhit, misschien wel de allermooiste, met dat orgeltje van Augie Meyers. Ik heb the Sir Douglas Quintet in 1983 in Hof Ter Lo zien optreden. Ik werd er zo extatisch van, zonder drugs en nauwelijks alcohol in mijn lijf, niet meer dan drie Stella’s, dat ik er het hoofd bij verloor en achterover viel, op mijn rug, en er met de schrik van af kwam. Waarom vertel ik dit? Het zal de hitte zijn.

De muziek is er altijd, soms luid en verlammend, verstommend, soms zacht en fluisterend en inspirerend. Ten minste tot ruwe brokken stof, waarin je later kan gaan zoeken naar het edele materiaal, of naar een stuk glas dat soms opeens heel zeldzaam kan lijken en daardoor “diamant kan doen misprijzen”. Het is een zaak van alles of niets. Voor niets is het nu te laat, mijn leven is ver gevorderd, en de nacht is dat ook, al ligt de wijn wal wat dwars (helaas geen Vino Nobile, dat was ijdele praat) en zijn er de talloze voorbeelden uit het verleden en natuurlijk ook heden. De dode helden, die ik alle eer betoon maar daar blijft het bij. Hun doodlopend spoor volg ik niet.

Mag ik je nog eens iets aanbevelen? Ken je de tweede elpee (of cd) van Television, Adventure? Luister dan eens naar Days… En nu ga ik op mijn matras liggen wachten tot de ochtend komt.

TREURLIED TUSSEN KALE BOMEN

jos d in 1976

Gisteren wilde ik iets schrijven over mijn in 1991 overleden beste vriend Jos Dorissen. Ik heb onlangs een scanner gekocht en had een foto van hem uit 1976 ingescand (ik denk hij dateert uit de lente van dat jaar, net voor de mooiste zomer van ons leven), die ik hier wilde tonen. De foto had, met bij mij veel meer effect dan een madeleine in een kopje thee, mijn herinneringen weer op gang gebracht. Toch kreeg ik over Jos geen regel, geen woord op ‘papier’. Ik denk dat ik eerst heel veel moet drinken eer dat wil lukken, want dat is wat wij samen ook meestal deden. Maar ik wil niet schrijven onder invloed van alcohol en eigenlijk wil ik ook helemaal niet meer drinken. Ik heb dus niets geschreven over mijn beste vriend en ik heb de foto ook niet getoond. Dat is me niet gelukt. Kennelijk is hij te zwaar voor dit medium, ofwel ligt het aan mijn onkunde, dat kan ook. Ik kan nauwelijks rekenen en heb geen verstand van techniek. Later, als iemand mij zal hebben geholpen, zal hier wel een beeld verschijnen van een goede, intelligente en mooie man. Maar vooral een diep melancholische jongen die zich niet met dit saaie leven kon verzoenen. Zelfs het pessimisme van Schopenhauer bood hem geen houvast, laat staan een uitweg. Omdat ik ook vandaag niets over Jos kan schrijven grijp ik hier terug naar een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van zijn dood.

Treurlied tussen kale bomen.”

In Romeins marmer gebeiteld zie ik voor mij zijn buste. Hij heeft het ongelauwerd hoofd van een jonge dode dichter die geen sterveling kent. Ik zit zo stil mogelijk gebogen over dit kringlooppapier, waarop ik zijn naam schrijf: een neerliggende berk met een boogje op zijn top. Als ik met mijn ogen knipper beland ik in een klein Alexandrië tussen boeken die moeten branden als bossen omdat hij ze aanbad. Goden die hij in zijn handen had. Denken vindt geen vleugels voor een beter woord dan wit. Mijn dromen doven uit. Zij vergezellen de sterrren die tussen kale bomen vallen in de tuin. Niet dat de bomen een treurlied aanheffen voor een onaangepaste paljas of dat zij lijken op dorische zuilen. Nu het al zo vroeg donker wordt staan zij er alleen maar zo.”

(Omdat Jos hier niet wil verschijnen plaats ik Neil Youngs ‘After the Goldrush’. Neil Young was samen met Gram Parsons een van de grote helden van Jos. Lange tijd heeft hij rondgelopen met van die gelapte jeans aan, ook toen hij trambestuurder was in Antwerpen, wat ze daar wattman noemden.)

Inmiddels is Neil Young’s foto hier verdwenen en heeft Jos zijn rechtmatige plaats gekregen. Ik moet toegeven dat niemand me daarbij geholpen heeft, wat ik nochtans gehoopt en verwacht had. Maar ik begrijp nu dat je niet op de andere moet rekenen om je problemen op te lossen. Eigenlijk moet je nooit op de anderen rekenen. En dan kan het gebeuren dat er soms toch nog iemand uit nacht en nevel opduikt en je de hand reikt.
Foto: Martin Pulaski, Jos in 1976.