BAROCCO: SPELEN IN HET LABYRINT

L’Année dernière à Marienbad

[Antwerpse nachten 71]

Na mijn bezoek aan dokter Edgardus ging ik die avond met een gerust hart naar de bioscoop. In Cartoon’s stond L’Année dernière à Marienbad van Alain Resnais (regie) en Alain Robbe-Grillet (scenario) op het programma. Weer thuis noteerde ik enkele alom bekende wetenswaardigheden over die klassieke, veelbesproken film.

Ik stelde meteen al een paradox vast: Delphine Seyrig was ouder in 1961 dan in 1979 [1]. Zou voor sommige soortgenoten de tijd in omgekeerde richting verlopen? Een retorische vraag. Of bestaan er daaromtrent toch bij iemand ergens op deze wereld twijfels? Once you’re gone, you can’t come back. Zelfs de gevierde zanger Orpheus kon met geen macht zijn Eurydice uit de Onderwereld bevrijden.

Een aantal visuele aspecten van L’Année dernière à Marienbad die me eens te meer opvielen: tijdloze en toch vergane paleizen, parken en tuinen, somptueuze interieurs, marmer, trappen, hallen, labyrinten, lijnrechte paden, kiezelstenen, spiegelbeelden, schaduwen, bomen die geen schaduw werpen, onbeslapen bedden, speeltafels, handschoenen, vreugdeloze spelers en gokkers, emotieloze dansers, talloze barokke stoelen en tafels en bijzettafels, mannen en vrouwen in avondkledij die niet lijken te bewegen, ze zijn bevroren in hun eigen tijd, beelden, jurken van Chanel, onberispelijke coiffures, blikken zonder geschiedenis. Een spel met kaarten, domino’s, lucifers, dat nim wordt genoemd. Degene die de laatste lucifer overhoudt is de verliezer. Ik heb het later thuis gespeeld, vooral met Duchateau, zonder één keer te verliezen.

De film dompelt je onder in een immense leegte, nauwelijks verborgen achter de luxueuze façades van de bourgeoisie. Kijk daar hebben we mijn ‘Eindeloze groei van een droomarchitectuur/mijn muren’ [2]. Veel van wat de film mij die avond toonde staat in die tekst, die ontstond in een korte barokke periode, vooral onder invloed van het essay Barocco [3] van de briljante Cubaanse auteur Severo Sarduy.

Laten we voor ons vermaak even in het labyrint gaan kijken. De doolhof is, naast de tijd en het geheugen, mogelijk het hoofdthema van L’Année dernière à Marienbad. In Stanley Kubricks The Shining zie je een vergelijkbaar labyrint. Het hotel en de tuin waar geen schaduw valt vormen een gesloten wereld waaruit geen ontsnapping mogelijk is. Denk maar niet dat iemand een tunnel gaat graven want dan kom je bedrogen uit. Deze mensen hebben propere handen. Aan werken zijn ze nooit toegekomen. De mondaine dame (Delphine Seyrig) kan alleen maar wegvluchten in weer een ander, parallel labyrint. Het eerste labyrint is mogelijk dat van het leven; het tweede, waar ze alleen achterblijft met de mondaine man, haar bevrijder, is dan dat van de dood. Deze absurde uitweg was haar een jaar voordien, in Marienbad of in Karlsbad of nog ergens anders, wie zal het zeggen, al uit de doeken gedaan.

In het labyrint van de dood, als ik het zo mag noemen, worden er net als bij gewone stervelingen spelletjes gespeeld. In een spel zit altijd muziek, zeker in een kansspel. Denk maar aan John Cage. Welke geluiden zullen zijn elektrisch versterkte cactussen voortbrengen? Dat is toch ook wel weer toevallig, dat ik nu aan John Cage denk. En niet aan John Cale, want dat was net zo goed mogelijk geweest. Of aan Brian Eno met zijn oblique strategies.

Fascinerend in Marienbad vond ik de speler (Sacha Pitoëff) die nooit verliest. Bestaan er mensen die bewust willen verliezen? Ik denk het niet. Al wordt beweerd dat gokverslaafden net hun kick krijgen van het verliezen. Ik denk hierbij aan het personage van Jacques Dutronc in Barbets Schroeders voortreffelijke film Tricheurs. Hij lijkt niets liever te doen dan te verliezen. Dat roept dan weer Samuel Beckets woorden op uit Worstward Ho!: “Ever tried. Ever failed. No matter. Try again. Fail again. Fail better.”
Het kaartspel van het Sacha Pitoëff-personage (dat je ook met lucifers of tandenstokers kunt spelen): vier rijen van respectievelijk 7, 5, 3 en 1 kaarten. In het totaal dus 16 kaarten, de som van de cijfers is 7. Een heilig getal. Dat hij niet kan verliezen is het fatum van deze speler. Dat hij moet winnen is zijn lot. Vloekt dat fatalisme dan niet met het toeval? Niet als je zoals Nietzsche het lot – alsof het een mishandeld paard is – omhelst. Dat de magere speler van Marienbad, of waar het ook was, is of zal zijn, uiteindelijk toch zal verliezen, dat weet hij en hij zal zich daar niet tegen verzetten.

L’Année dernière à Marienbad

[1] L’Année dernière à Marienbad ging in juni 1961 in première. 1979 was het jaar waarin deze notitie ontstond.

[2] Een proeve van ‘ander proza’, gepubliceerd in het tijdschrift Aurora.

[3] Severo Sarduy accompagne ce constat d’une thèse audacieuse intimant que le baroque n’est pas un dispositif artistique conservateur mais révolutionnaire, et un modèle de réflexion sur les changements et les crises, y compris actuelles. Il détermine ensuite le canon néo baroque comme une renaissance du baroque historique exhumé, mais aussi comme modèle d’analyse et d’exécution des oeuvres de la modernité.
Sophie Chalandre, Babelio

Opmerking dit 71ste hoofdstuk van Antwerpse Nachten werd eerder als losstaande filmbespreking in Hoochiekoochie opgenomen op 14 november 2018. Ik had er toen nog geen idee van dat ik een jaar later aan de kroniek zou beginnen. Dit is een grondig herwerkte versie van die filmbespreking.

EEN MEI

back (2).jpg

Antwerpen, 1968.

Op één mei stichtte je een stad van bloed, van nachtmerries. Drassige bodem waarop je sliep. In je glazen doolhof razend met het rode hoofd van een nabij gevaar.

Wat je gewaarwordt is niet de waarheid. Is maar een boze droom, en slechts een wanhopige aap die hem droomt. Neen, wie hem droomt weet hij zelf niet. Wel dit: het was op één mei, in de stad van angst en feest en pijn.

Je zag er zo onheilspellend blauw uit en ietwat gespleten. De bliksem sloeg niet op het veld in, die uit je ogen, die schichtige ogen van jou. Niet op het veld buiten de stad, waar mijn paarden stilaan gek worden en misselijk van de donkere wolken uit het Westen.

Wie is de keizer van die nieuwe stad? En is een kroon een kledingstuk?

Ω

Brussel, 8 juni 2012.

AAN HET WERK IS VEEL GEZEGD

Hoe gaat het met me?  Het gaat goed met mijn taal.  Ze gaat niet met me aan de haal. Ze laat me bij mijn onbekend verhaal. Zo blijf ik aan het werk, zwervend tussen valse walrussen (met grote zonnebril op), moordaanslagen, geheime musea en mislukte vulkaanuitbarstingen.
Ach, aan het werk is veel gezegd. Ik begeef me in een kromme lijn van A naar B. Veel verder waag ik me vooralsnog niet; verder betekent niet ontdekt gebied. Heel af en toe baan ik me een weg tot Z, maar daar hangen de kleuren zwaar als grote, natte honden in de lucht; de schrijnendste blauwen en gelen overspoelen me er en snijden me in de zenuwen.
Drie blinden zonder hond en zonder wandelstok wijzen me de weg naar buiten, uit het doolfhof. Voor het te laat is keer ik terug naar de A van af. Een noordenwind begeleidt me en blaast dan de aftocht. Zo staat het in de sterren vandaag. Ik blijf aan het werk, ik verberg mijn aders van goud. Zo gaat het met me en met mijn taal.

 

LABYRINT EN FILM

labyrint metro londen

“In geen enkele film is de doolhof die gevormd wordt door bewustzijn en herinneringen zo krachtig in beeld gebracht en geanalyseerd als in dit meesterwerk” lees ik in een filmencyclopedie over ‘L’année dernière à Marienbad’ van Alain Resnais. Het scenario voor de film was van Alain Robbe-Grillet, de godfather van de nouveau roman. Als basis gebruikte Robbe-Grillet Adolfo Bioy Casares’ roman ‘De uitvinding van Morel’, een van mijn uitverkoren boeken. Het is een roman waarin weinig gebeurt en geen echt verhaal wordt verteld. Bioy Casares was overigens een goede vriend van Jorge Luis Borges, de bedenker van honderden labyrinten.
In het park in ‘L’année dernière à Marienbad’ werpen de menselijke figuren een schaduw maar de bomen niet.

De uitspraak uit de encyclopedie, die geheel terecht is, heeft me aan het denken gezet – over doolhoven of labyrinten. Een drietal dagen geleden gebruikte ik de metaforen ‘wespennest’ en ‘labyrint’ om mijn weblog mee aan te duiden. Aangezien ‘L’année dernière à Marienbad’ een van mijn tien favoriete films is en bovendien de enige die ik zelf heb geprojecteerd tijdens mijn zeer korte carrière als filmoperator in de bioscoop, kan dat geen toeval zijn. Voor een deel is mijn wereldbeeld gevormd door die film, en uiteraard door nog heel wat andere films. Mijn wereldbeeld is labyrintisch omdat veel van die films, niet alleen ‘L’année dernière à Marienbad’, labyrintisch zijn.

Het aantal meesterwerken waarin de protagonisten ronddwalen in letterlijke of figuurlijke doolhoven kan ik niet op tien vingers tellen. Toch zal ik me, omdat ik het niet kan laten, aan een korte opsomming wagen:
‘The Shining’ van Stanley Kubrick bevat zowel het innerlijke labyrint van de schrijver als het uiterlijke labyrint in de tuin, en het huis waar de schrijver gek in wordt is ook een labyrint; ‘Satyricon’ van Fellini is een afdaling in het labyrint van de onderwereld; ‘Barbarella’ van Roger Vadim toont de toeschouwer een labyrint vanuit de hoogte gezien, met Barbarella op de rug van een Engel; ‘Zabriskie Point’ van Antonioni is een trip door en boven een labyrint in Death Valley, waar zich tevens de ‘absolute’ liefde voltrekt; in ‘L’avventura’, ook van Antonioni, verdwijnt Monica Vitti op een eiland dat een waar labyrint is; in ‘Rear Window’ van Hitchcok is het gebouw met de vele kamers aan de overkant het labyrint, samen met James Stewart krijgt de toeschouwer een idee van wat zich in die kamers afspeelt; in ‘The Searchers’ van John Ford worden sneeuwlandschappen, de woestijn en vooral Monument Valley als labyrinten voorgesteld; in ‘Der Engel über Berlin’ van Wim Wenders wordt Berlijn een labyrint genoemd, “waar je ook gaat, je stuit altijd op de Muur” zegt Curt Bois in deze film uit 1987, maar ook nu de muur al lang is afgebroken stuit je er nog op; Hitchcocks ‘Vertigo’ is een spiraal, maar een spiraal is in zekere zin ook een labyrint. Hier beëindig ik mijn opsomming, want is niet elke film een labyrint?
Of zoals Anton Haakman schrijft in ‘Achter de spiegel’: “Een doolhof van optische illusies, dat is natuurlijk een uitstekende aanleiding voor het illusionistische medium film om zichzelf te kijk te zetten – en dat is uiteindelijk het enige waartoe ieder medium tot in de perfectie in staat is.”

Volgens de verteller in Borges’ ‘De twee koningen en de twee labyrinten’ is het bouwen van een labyrint waarin zij die er binnengaan verdwalen een onbeschaamdheid “omdat de verwarring en het wonder onder de bedrijvigheden vallen van een God en niet van de mensen.”

Foto: Martin Pulaski