HET HEIMLICH MANEUVER

nick cave - heimlich

Gisteravond had ik het met mijn huisdokter over het Heimlich-maneuver. Hij vertelde me dat hij op een keer toen hij alleen thuis was een stukje voedsel in zijn keel had zitten en dreigde te verstikken. Het Heimlich-maneuver op zichzelf toepassen was onmogelijk. In een moment van helder denken heeft hij dan met alle macht zijn buik tegen een kast gedrukt, waardoor hij van de brok bevrijd werd. Anders had ik het niet overleefd, zei mijn huisdokter. Maar we mogen niet doemdenken, voegde hij eraan toe.

Vorige zaterdag in een Antwerps restaurant, na de radio en de witte blues, heb ik het Heimlich-maneuver moeten toepassen. Laura had een brokje vlees in de keel gekregen en kon nog maar moeilijk ademhalen. Onze vriendin Sofia zat ongerust toe te kijken. Kennelijk ben ik toch niet zo goed in zulke maneuvers, want het had geen resultaat.
Op dat ogenblik kwam mijn vriend Snaporaz net het restaurant binnen. Hij zou alleen maar iets komen drinken. Bij het zien van Laura’s toestand stelde hij meteen voor om ons naar het Sint-Vincentius Ziekenhuis te voeren. Op de spoedafdeling werden we bijzonder vriendelijk ontvangen, ook al had niemand van ons een identiteitskaart bij. Wij laten die thuis omdat we in Brussel voortdurend worden bestolen en overvallen. Over dat hele identiteitskaartengedoe heb ik vorig jaar al voldoende geklaagd.
Er moest wel een dokter worden opgebeld, die helemaal uit Hove moest komen voor dat stukje vlees. Laura kreeg gelukkig nog geen blauwe kleur, wat op verstikking zou wijzen. Iedereen bleef er nogal kalm bij. De dokter was er al snel. Enige minuten later kon Laura weer opgelucht ademhalen. Als dit in een Brussels restaurant was gebeurd had Laura het misschien niet overleefd. Ik heb niet bepaalde prettige herinneringen aan Brusselse ziekenhuizen. Zij geven mij vooral de indruk dat ik voet aan de grond zet in een ontwikkelingsland.

Sinds vorige zaterdag weet ik dat het Heimlich-maneuver die naam heeft en dat ik het niet helemaal goed heb gedaan. Ik heb al wat geoefend voor een volgende keer. Maar we mogen niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. Ook al ben ik flink verkouden en vertrek ik zaterdag naar Portugal. Het is toch wel zeer eigenaardig, dat ik telkens voordat ik op reis vertrek ziek word. En het is geen ingebeelde ziekte, er zijn duidelijk waarneembare symptomen, een rode keel, hoesten, een lopende neus… Ik weet niet wat het vooruitzicht op reizen in mijn onbewuste teweegbrengt, maar het moet zeer onrustwekkend zijn. Mijn onbewuste wil kennelijk liefst van al braaf in zijn kamer blijven. Vorig jaar in april ben ik met een lichte verkoudheid naar La Palma vertrokken. Daar ben ik erg ziek geworden, bronchitis, een longontsteking. Aan mijn vakantie heb ik toen niets gehad, ik was al blij dat ik nog leefde toen ik weer thuiskwam. Dit mag nu niet gebeuren. Ik mag niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. En ik zeg het hem na.

 

NA DE VAL / AFTER THE FALL

Van het dagelijks front is er weinig nieuws. Ik zit thuis te wachten op herstel. Neen, ik ben niet overvallen. Eigenlijk wilde ik er niets over zeggen, maar wat doe je eraan, een mens kan niet zwijgen. Ik ben gevallen. Uit het paradijs maar ook in de werkelijkheid, in het weinig nieuws verkondigende dagelijkse leven. Het voorbije weekend wilde ik na een etentje in de stad de metro nemen aan Sint-Katelijne, maar er lagen wat winterbladeren op de prefabtrappen – het metrostation wordt gerenoveerd – en ik gleed uit en viel op mijn gat. Ik viel helemaal tot beneden, tsjak, tjsak, tsjak. Op mijn rug een rugzakje met als inhoud de dvd Reds van Warren Beatty, de cd Live At Budokan van Bob Dylan (zijn enige echt slechte plaat) en de soundtrack van Walk the Line + nog wat medicijnen. Ho, ho, geen drugs; medicijnen voor de slokdarm en tegen astma. Mijn val is gebroken door die meer dan drie uur durende Reds, de verpakking is helemaal stuk, gelukkig niet de dvd’s (hoewel het een saaie film is), en door mijn bil. Die is nog altijd inktzwart. In het midden wat blauw. Een geluk dat je wat gedronken had, zei mijn huisdokter. Daardoor waren je spieren ontspannen en ben je goed terechtgekomen. Je had op je staartbeentje kunnen vallen of op je ruggengraat. Ja, ik begrijp het. Ik had nu in een rolstoel kunnen zitten. Heb ik toch chance. Jongens toch. James T. Chance. That’ll be the day! Ik ga, zodra ik weer normaal kan lopen, naar de kerk wat kaarsen branden voor de ene of andere god. De voorzienigheid heeft het goed met mij voor. Terwijl mijn vrienden vallen als vliegen of vliegtuigen ga ik onoverwinnelijk door het leven. Ik tart het lot en het lot tart mij maar we blijven even goede vrienden.

Ik zit nu thuis te wachten op het verdwijnen van het postmoderne blauw. Zit? Ik sta, ik loop, ik lig. Zitten gaat niet goed. (En zaterdagavond, na middernacht, zag zelfs mijn gitaar er opeens postmodern blauw uit, zoals die van Peter Case, niet die van Wallace Stevens.) Zitten gaat slecht. Ik wacht. Ik wacht tot ik het zittend bestaan van de kantoorslaaf kan hervatten en weer kan zwanzen met mijn collega’s. Hun geroezemoes en gelach mis ik zeer. Ondertussen probeer ik opnieuw te leren lachen, diep vanuit de buik (de billen ontziend), omdat lachen goed is voor de slaap, naar het schijnt. Dat heb ik toch ergens in een blaadje gelezen. Elke dag een portie hartelijk lachen en je slaapstoornissen verdwijnen als zon door een sneeuwbui. Alleen een kleine glimlach is me nog maar gelukt, na wat valentijnchampagne, maar ik span me in, ik doe mijn best, voor ik straks in bed ga wil ik echt één keer schaterlachen. Misschien moet ik die Chinese encyclopedie van Borges nog maar eens ter hand nemen. Dat ik aan slaapstoornissen leed had ik nog niet verteld?

SOMS EEN DOODGEWONE MENS

Van het lichaam gesproken. Er zat een dikke stop in mijn linkeroor. Gisteravond heeft mijn huisdokter hem eruit gehaald. Ik ben de man buitengewoon dankbaar, want nu kan ik iedereen weer horen fluisteren. Woorden van liefde en bewondering. Vooral als ik lentefris, een vrolijk deuntje fluitend, voorbij kom gewandeld. Wat is het leven toch mooi.

Gisteren stond helemaal in het teken van het dagelijks bestaan. Mel Brooks vond dat het goed was om koning te zijn, maar ik ben van mening dat het ook goed is om een gewone mens te wezen, met gewone beslommeringen. Naast mijn gewone kantoorbestaan waren er veel bezoeken aan apothekers (mijn levensgezellin is ziek), winkels, een bank, het loket van een station… Mijn gewone kantoorbestaan was overigens niet echt heel gewoon: ik ben nog maar eens een keer gedevalueerd. Voortaan betaal ik 1 miljoen euro voor een kilo kabeljauw. Ja, wij hebben hier een devaluatiesysteem op kantoor. Een aanrader. Het zorgt ervoor dat mensen hier voortdurend goedgemutst voor hun computerschermen zitten. Want ongeveer iedereen wordt goed gedevalueerd. Andere onzin moet ik nog verzinnen. Nu is het weer tijd voor the real Thing.