HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.
Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.

bulle ogier hk

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis… (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja… Mijn leven is veranderd.Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in ‘Cecilia’. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: “Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten.” Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

MOORD EN DOODSLAG

geerten meijsing,doeschka meijsing,moord en doodslag,dubbelroman,duoroman,misdaad,crime,sicilië,syracuse,vriendschap,uitgever,contact,kennismaking,hagiografie,nuance

The continuing saga… Een tussendoortje. Hoewel ik al sedert mijn kinderjaren ordelijk en netjes ben vind ik niet terug wanneer en waar precies ik ‘Moord & Doodslag’, de duoroman van Doeschka Meijsing en Geerten Meijsing heb gekocht. Ik denk in 2006, maar het heeft weinig belang. Het boek, zowel het eerste deel, ‘Moord’ van Doeschka, als het tweede, ‘Moord en doodslag’ van Geerten, was onderhoudend, fascinerend en zelfs meeslepend. Het verhaal navertellen doe ik niet, wie geïnteresseerd is moet maar op zoek gaan naar deze merkwaardige roman. Alleen dit: het onderwerp is een bezoek van Doeschka aan haar broer: Geerten is onlangs in Syracuse in Sicilië gaan wonen, een plek waar ik toen ik er voor het eerst kwam, in juni 1998, meteen verliefd op werd. Dat Geerten Meijsing daar nu woonde maakte me toch wel wat jaloers. Ik vond het zelfs een geruststelling te lezen dat het er in de winter erg koud kan zijn.

Zoals de meeste lezers wil ik graag weten hoe een roman of een verhaal afloopt. Bovendien heeft Geerten in zijn deel een soort van misdaadverhaal verwerkt, waarvoor hij, althans voor de vorm, inspiratie gezocht heeft bij onder meer Edgar Allan Poe, Georges Simenon en Jef Vermassen. Spannend dus. Helaas ontbraken de laatste acht bladzijden. Wat frustrerend! Eerst wilde ik een nieuw exemplaar aanschaffen, in die periode had ik nog een behoorlijk salaris, maar ‘Moord & Doodslag’ bleek uitverkocht. Schoorvoetend heb ik dan maar contact opgenomen met de Belgische afdeling van de uitgeverij. Schoorvoetend omdat ik dacht, misschien denken ze wel dat ik een verhaaltje verzin om hen een gratis boek te ontfutselen. Het antwoord op mijn briefje was niet bepaald vriendelijk van toon maar de uitgever zou me wel een nieuw exemplaar sturen. Dat duurde een poos. Op een dag zat er een pakje van Geerten Meijsing in de bus. Het was zijn boek en een begeleidend briefje waarin hij zich boos maakte op de uitgeverij. Hij had van een werknemer van de uitgeverij vernomen dat ze me nog altijd niets hadden toegestuurd. Dat vond hij werkelijk schandalig. Wat later kreeg ik toch ook nog een exemplaar van de uitgever. Daardoor heb ik er nu drie: het boek met acht ontbrekende bladzijden, het cadeau van Geerten Meijsing (gesigneerd in groene inkt, op 24 januari 2007), en het boek dat de uitgever me stuurde. En ik was nu ook in het bezit van Geertens adres, telefoonnummer en emailadres.

Deze stukjes gaan als geheel wellicht op een hagiografie lijken. Hoogste tijd dus voor wat nuancering. Dat is voor morgen. Je zal dan merken dat mijn bewondering voor Geerten Meijsing niet onvoorwaardelijk is.

syracusa

Foto onder: Syracuse, 12 5 2013, Martin Pulaski.

GEERTEN MEIJSING: MOORD EN DOODSLAG

moord en doodslag roman

Lange tijd las ik veel Nederlandse literatuur, vooral proza, maar zeker ook poëzie. Tijdens mijn adolescentie hield ik het meest van Remco Campert (Het leven is vurrukkulluk, Een ellendige nietsnut, Liefdes schijnbewegingen), Hugo Claus (De koele minnaar) en Louis Paul Boon (ongeveer alles wat er tot dan verschenen was, met een grote voorkeur voor De Kapellekensbaan). Later las ik enige romans van Willem Frederik Hermans, Frans Kellendonk en Jan Wolkers. Mijn uitverkoren Nederlandstalige schrijver werd Herman Heijermans, met als hoogtepunt Kamertjeszonde. Ik hield van Jan Arends en Louis Ferron. Ik las graag poëzie van Hendrik Marsman, Lucebert, Hugues Pernath en Herman Ter Balkt (die zich toen nog Habakuk de Balker noemde). Ik heb het verzameld werk gelezen van Maurice Gilliams. Dat is de enige Vlaming van wie ik echt ben blijven houden. Hij is een buitenbeentje. Je kunt hem met niemand vergelijken. Ik zal nu wel een paar namen vergeten. Er is heden ten dage ook nog Stefan Hertmans. En Bernard Dewulf schrijft sterke gedichten en zeer leesbare columns.

Waar ik echter naartoe wil is dat ik geen Nederlandse letteren mee lees. Geen jota meer. Ik probeer nog wel, maar het is allemaal vervelend, ik word er depressief of tureluurs van. Ik vind geen diepe gedachten, geen afgrondhumor, geen enkele uitdaging. Niemand zegt me: stop met die verdomde routine (wat ‘eilandman’, een collega-blogger, me onlangs wel meedeelde, als commentaar op een stukje dat ik had geschreven). Dat is nochtans – onder meer – wat ik van literatuur verwacht en dat is wat literatuur vermag. Paul Auster, om maar één buitenlander te noemen, zegt dat in al zijn boeken: stop met die fucking routine, laat je eens meeslepen door het toeval, open je ogen, overal ligt het avontuur voor het grijpen.

Er is echter één uitzondering. Er is een Nederlandse schrijver die met kop en schouders boven alle boekenbeursauteurs en literaire clowns uitsteekt. Zijn naam is Geerten Meijsing. Zijn eerste boek, Erwin, verschenen in 1975 – als ik me niet vergis, want ik heb het hier niet bij de hand -, veranderde mijn wereld. Na enkele bladzijden al was ik verslaafd aan zijn proza. Hij noemde zich toen nog Joyce en Co. Wat hij schreef was decadente esthetiek, geïnspireerd door de zwarte romantiek. Schrijvers als Joris-Karl Huysmans en personages als Des Esseintes hadden hem ongetwijfeld geïnspireerd. En talloos veel Grieken en Romeinen. Toen al was Meijsing gefascineerd door de schitterende cultuur en de aardse vruchtbaarheid van Italië. Hij heeft jarenlang in Lucca gewoond, nu verblijft hij in Syracuse op Sicilië.

Ik wil hier evenwel niet de hele bio- en bibliografie van Geerten Meijsing uit de doeken doen. Onlangs las ik Moord & Doodslag, een dubbelroman die hij schreef samen met zijn zus Doeschka Meijsing. Opnieuw een verbluffend boek, waar niets menselijks vreemd aan is. Aan het exemplaar dat ik op een boekenbeurs aan de Heizel had gekocht ontbraken helaas enkele bladzijden. Ik meldde dit via e-mail aan De Arbeiderspers in Amsterdam. Ik kreeg een vriendelijk mailtje terug, waaruit ik kon afleiden dat hun bijhuis in Antwerpen deze zaak wel zou oplossen. Een paar dagen laten kreeg ik echter een bijzonder hoffelijke e-mail van Geerten Meijsing zelf. Of ik al een gaaf exemplaar ontvangen had? Zoniet zou hij er wel een bezorgen. Een paar weken later zat een min of meer gaaf exemplaar in mijn brievenbus gepropt: poststempel Antwerpen. Nog geen week later ontving ik een postpak uit Syracuse, met een door Geerten Meijsing gesigneerde druk van Moord & Doodslag. Aangename verrassing. Een al vrolijkheid. Wat een schrijver, wat een hoffelijke man! Inmiddels weet ik ook hoe het boek afloopt.

 

LEVEN IN DE TAAL: GEERTEN MEIJSING

Geerten_Meijsing_(1988)

Gisteravond ging geheel onverwacht de deurbel. Wie kon dat zijn? Ik verwachtte niemand, ondanks mijn ziekte zelfs geen dokter. Die had ik ’s ochtends al gezien. Het bleek een koerier te zijn. Hij bracht drie kaartjes voor het concert van Bob Dylan op 6 april. Dat is nog een lange tijd, maar het is alvast iets om naar uit te kijken. Dat is beter dan maar wat wachten op niets.

Deze morgen bij het ontbijt zat ik wat te lezen in Moord & Doodslag, een dubbelroman van Doeschka Meijsing en Geerten Meijsing. Doeschka M. haat en bewondert haar broer. Geerten M. schijnt alleen maar weerzin te voelen voor zijn zus; zijn liefde, die er ongetwijfeld is, heeft hij diep weggeduwd. Hij is gek op vrouwen maar drukt dat vaak uit in de vorm van misogynie. Ik heb alle boeken van Geerten Meijsing gelezen. Hij is mijn geliefkoosde Nederlandstalige schrijver. Bij hem vind je geen spoor van spruitjeslucht. Van Doeschka had ik nooit eerder iets gelezen. Voor één keer heb ik een uitzondering gemaakt, het is tenslotte een dubbelroman.
Doeschka schrijft over haar jongere broer dat hij toen hij jong was gevaarlijk leefde. “Hij omarmde de Zwarte Romantiek, het decadente, het perverse als idee, hij wou geen onderscheid maken tussen op de dunne draad leven en op de dunne draad schrijven, hij verwarde literatuur en leven en dat was ook de bedoeling.”
Ik denk dat je literatuur en leven niet kunt verwarren. Literatuur is leven en leven is literatuur. Literatuur is zelfs zeer intens leven. Als je iets goeds wilt schrijven kost je dat veel zweet en tranen, en soms zelfs bloed. Er is een grote intensiteit nodig om open te staan voor de woorden. Alleen als wij ontvankelijk zijn willen ze zich in de juiste vorm aan ons voordoen. Maar de taal is vluchtig en zij schijnt er plezier in te hebben ons te vergeten. Of weet zij dan niet dat wij nauwelijks adem kunnen halen als zij ongewillig is?