EEN BLAUWE BIKINI

wat doe je zoal.jpg

Je stem zwerft door deze kamer, soms hoor ik een heel koor van halve engelen, soms de echo van een kleine gekwetste vogel. Die van de duivel in je hoor ik hier nooit. Van toen je zei: Ik heb een nieuwe bikini.

Een blauwe, zoals de kimono in het liedje van Will Tura?
Ja.
Met bolletjes?
Ja.
Zwarte?
Nee, witte.
Mmmm.
Het was een koopje.

Ik was door en door gelukkig, maar mogelijk was ik toch in een slechte bui. Perfect geluk bestaat gelukkig niet. Er is altijd iets anders, iets donkerders, om het geluk als het ware te overbelichten, wat goede fotografen bijna altijd doen als ze iets zien wat ze graag zien.

We zouden een moord moeten plegen.
Een moord, jongen toch… Op wie dan?
Op niemand, niet op een mens, eerder op de slechte smaak.
Vind je mijn bikini niet mooi dan?
Natuurlijk wel, gek.
Welke slecht smaak dan?
Ach nee, niet de slechte smaak, ik weet het niet.
Ik wil geen moord plegen.
Een aanslag dan?
Dat is nog erger.
Een aanslag tegen alles wat ons wetmatig belet lief te hebben.
Dat kan ik niet, hoe doe je dat?
Dat weet ik niet, misschien moeten we er nog over nadenken.
Ik wil niet nadenken, alleen maar liefhebben.
Ja, dat weet ik, en ik weet niet wat ik zeg.
Je zei onlangs nog dat ik te ver over de grenzen ging, dat zei je zelf.
Ja, dat herinner ik me, ik was dronken.
Maar je was bang.
Ja, ik was bang en boos vanwege die wetmatigheden.
Waarom was je bang?
Dat jou iets zou overkomen.
Mij overkomt niets, ik ben sterk genoeg.
Ach liefste, ik wil niet moorden en ik wil geen aanslag plegen.
Wat wil je dan, mijn lief?
Lach nu niet, ik wil een kleine vogel zijn.
En naar me toevliegen?
Ja.

O hoe we lachten! Ook die lach van jou en mij blijft hier nog de kamer vullen. Maar alleen op heel bijzondere dagen. Dagen waar ik zelf geen vat op heb. En dat maak het wachten zo treurig en zo lang. En daarom luister ik zo graag naar
‘Best Of Both Worlds’ en Sneakin’ Thru’ The Alley With Sally’ van Robert Palmer, zoals zovelen in zijn vak veel te jong gestorven.

RobertPalmer-AddictedToLovevo.jpg

GEPARFUMEERD GENIE

perfume-genius-learning.jpg

Perfume Genius.

Opeens sloeg de bliksem in.
Waarom was je niet bij me toen de bliksem insloeg, vroeg hij. Waarom was je niet bij me toen ik zo bang was?
Er vielen vier doden, tientallen gewonden.
Waarom was ik niet bij je, zei ze.
Ze liep naar de keuken, dan naar het terras, rookte een sigaret.
Hij vulde zijn glas bij.
Deze wijn smaakt giftig, zei hij. Vuile wijn. Zeker Franse?
Geen idee, zei ze, het is wijn zoals we die altijd hebben gekend.

Ze moesten roepen om elkaar te kunnen verstaan. De cd van Perfume Genius stond luid. En van de eetkamer tot het terras is een hele afstand, tenzij je met de snelheid van licht loopt. Hij dacht, hoe luid roep ik nu toch. Wat zullen de buren denken van die luide piano? Misschien begeven de luidsprekers het wel. Klinken de zwarte toetsen het luidst? Een piano met alleen maar witte toetsen, dat is een idee.

Een piano met witte toetsen, is dat geen goed idee, zei hij.
Heeft John Lennon vast bedacht in zijn tijd, zei zij.
Ja, John Lennon, dat is mogelijk. Hij heeft zelfs “Occupy Wall Street” bedacht, zei hij.
“Power to the people”, zei zij.
Maar als het van mij afhangt George Harrison, zei zij.
Negenennegentig procent van de people, zei hij.
Wat maakt het ook allemaal uit, zei zij. We gaan allemaal dood, vroeg of laat. Leven en laten leven, zei ze.
Je bent gek, zei hij. Rijp voor het gekkenhuis.
Ik ben helemaal gek, zei ze.
Vind je die Perfume Genius nog altijd zo goed, zei hij.
Heel mooi, maar zo droef, zei ze. En zo gek.
Die piano klinkt wit, zei hij.
Met wit wis je alle verdriet uit, zei zij. Zoals op het witte doek de dromen je helpen vergeten, zei ze.
Dat de zon alweer niet schijnt, zei hij.
Dat vind ik overigens de beste elpee van the Doors, Waiting For the Sun, zei hij.
De enige mooie plaat die ze hebben gemaakt, zei zij. “Summer’s Almost Gone”, zo melancholiek.
Toen ik met die plaat aan de kassa stond, heb ik in mijn broek gepist, zei hij.
Echt, zei zij.
Was ik toen zeventien of achttien, dacht hij. Ik had een blaasontsteking, mijn moeder had me lindenthee laten drinken.
Ja, zei hij, en zo moest ik vijf kilometer lopen. Met die elpee in een zakje van De Harp onder mijn arm.
Er is zoveel met je gebeurd waar ik geen weet van heb, zei ze.
Maar toen de bliksem insloeg, zei hij.
Maar toen de bliksem insloeg, zei zij.

NAAR MACAO

sarah,leugens,eenakter,martin,strindberg,ibsen,avonturen,reizen,reisverhaal,man,vrouw,roem,macao,film,josef von sternberg,robert mitchum,jane russel,bestseller,onsterfelijkheid,portugal,kinderen,roken

Je bent zo onrustig, mijn liefste.
Ben ik niet altijd onrustig, dan?
Je vertelt me minder dan ooit. Waarom zwijg je de hele tijd? Je hebt toch niets te verbergen.
Ik heb alleen maar geheimen te verbergen, maar je kent ze allemaal.
Welke geheimen dan?
Je kent ze. Je weet alles over me. Alleen jij kunt me gelukkig maken en me schade toebrengen.
Dat zijn harde woorden, Martin.
Nee, dat vind ik niet, dat is liefde. Liefde is nu eenmaal gevaarlijk.
En broos.
Ja, dat ook, maar dat is een oud woord, dat brengt me oude gedichten in herinnering.
En toneelstukken? Weet je nog, lang geleden? Toen we Ibsen lazen, en Strindberg.
Ja, dat herinner ik me nog. Vooral de spoken van Ibsen en de strijd tussen man en vrouw van Strindberg.
De sterkste, dat heeft hij geschreven, dat vond ik zo goed. Ik vond het zo goed dat ik er wilde over schrijven. Ik wilde niet dat het stuk ophield.
Maar Sarah, je hebt toch ook De rode kamer gelezen?
Ja, natuurlijk.
Dat gaat toch over zwakken mensen. Weet je nog, die Olle Montanus, zo heet hij geloof ik, die man pleegt zelfs zelfmoord. Hij voelt zich mislukt.
Begin daar nu niet over vanavond, Martin.
Waarom zou ik niet?
Omdat je teveel hebt gedronken. Al die port doet je geen goed. Je wordt er week van. Kijk maar eens in de spiegel. Een bleek gezicht heb je, en onheilspellende ogen.
Mijn ogen weten niet waarheen, Sarah.
Je ogen wisten mij nochtans te vinden.
Toen kenden ze jou nog niet, ze hadden je lijf nog niet gezien.
Nee, dat is zo, ze bleven aan de oppervlakte.
Het was een mooie oppervlakte en ze bleven er graag. Maar onze tijd is veranderd. Toen wisten we nog niets.
We wisten elkaar te treffen.
Daarvoor hadden we andere mensen nodig. Wat we vrienden noemen.
Word je nu sarcastisch? Please?
Nee, ik wil weg, ik ben onrustig. Ik kan hier niet meer aarden.
Sta ik je in de weg, heb je genoeg van me?
Sarah, nee, ik heb niet genoeg van je. Ik wil net meer van je, ik wil je helemaal, maar zo geef je je niet aan mij. Je houdt altijd iets achter. Je geeft je niet.
Martin, we zouden opnieuw moeten beginnen. Alles zou altijd opnieuw moeten beginnen. Iedereen zou altijd een tweede kans moeten krijgen.
Zo werkt het niet. Jammer. Maar ik weet het ook niet, hoe het dan wel werkt. Ik weet alvast dat ik niet opnieuw kan beginnen. Ik ben tot hier gekomen, en op die manier gedetermineerd.
Er worden grote dingen van je verwacht?
Misschien, maar ik heb alleen maar kleine dingen te bieden. Niets eigenlijk.
Je bent onrustig, Martin.
Sarah, wat verwacht je van me?
Dat we gelukkig zijn. Gelukkig. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn.
En kinderen? Die wil je toch.
Ja, kinderen. En kleuren en sprookjes vertellen en jij zingt liedjes en speelt op je gitaar.
Dat kan niet meer, Sarah, mijn gitaar is ontstemd.
Martin, weet je dat Patti Smith haar gitaar liet stemmen door haar vrienden. Zij kon het zelf niet. Ze vroeg aan haar vrienden, wil je een lied voor me spelen, en dan moesten ze haar gitaar stemmen. Zo deed ze dat. Ze heeft veel vrienden.
Ja, Patti Smith. Zo moet je dat doen. En niet van het podium vallen. Je weet toch dat haar ouders een café hadden?
Ja, ze is nog altijd dol op koffie. Alleen de geur al. Maar ze drinkt niet meer. Je hebt gelijk. De mensen zijn niet consequent. Zelfs Patti Smith niet. In het begin propageerde ze opium en nu vindt ze dat je best zoveel mogelijk water drinkt. Twee liter per dag.
Sarah, konden we maar autorijden. Ik wil weg. Ik ben te onrustig voor deze straten. Deze stad is niet veilig. Ik wil weg.
Waar wil je naartoe?
Naar Macao.
Waar is dat? Ik ken de naam, maar ik heb er geen idee van waar het is.
Ik ook niet, maar ik denk dat het er goed is. De mensen schijnen er Portugees te spreken. Laten we zo spoedig mogelijk vertrekken.
Wil je niet liever alleen gaan, dan kun je daar schrijven over je avonturen.
Nee, ik wil naar Macao met jou. En we zullen daar dan al ons geld uitgeven aan onzinnige dingen, en we vertellen dat we beroemd zijn in ons land van herkomst. We roken opnieuw twee pakjes sigaretten per dagen. En we doen niets anders dan leugens vertellen.
En als we het overleven schrijven we er een reisboek over?
Ja, als we het overleven schrijven we een bestseller en anders gaan we naar de hel.

 

Foto: Macao, Joseph Von Sternberg, 1952.

 

EEN TREINRIT

thomas

Op de trein. Ik heb plaats genomen in een coupé die veel weg heeft van een badkamer. Er staat de reizigers zelfs een wastafel met stromend water – koud en warm – ter beschikking.
Thomas is bij me komen zitten om wat met me te praten, over ernstige dingen. Zo vertelt hij me onder meer dat hij een paar weken geleden geprobeerd heeft zich van kant te maken, met een scheermesje.
“Het is natuurlijk weer mislukt”, zegt hij, “ik ben zo zenuwachtig”.
“Dat is van de koffie”, zeg ik op vertrouwelijke, medeplichtige toon, “we drinken teveel koffie”.
Thomas knikt instemmend.
“Ik weet het”, zucht hij dan.
We zwijgen even, kijken niet naar het landschap maar recht voor ons uit.
“Toch is zelfmoord een goede oplossing”, zegt Thomas.
“Ik vind dat helemaal geen oplossing”, zeg ik. “Mensen die zelfmoord plegen zijn laf. Ze kunnen hun eigen ellende niet meer de baas, ze kunnen niet meer verder leven met hun schuldgevoelens en hun angsten. Dus wat doen ze? Ze onttrekken zich eraan. Ze zetten er een punt achter.”
“Dat is geen lafheid”, zegt Thomas, “het getuigt veeleer van inzicht, van een nuchtere kijk op de stand van zaken in de wereld en in het leven.”
“Het is lafheid omdat ze er niets mee oplossen”, zeg ik, “ellende, schuld en angst gaan niet mee de dood in… Dat is de nalatenschap voor degenen die hen gekend, met hen samengeleefd, aan hen gedacht hebben”.
“Die moeten dan ook maar zelfmoord plegen”, lacht Thomas.
“Je bedoelt een soort ‘kosmische zelfmoord’?”, vraag ik enigszins spottend. (Ik kan dit gesprek niet langer au sérieux nemen).
“Ja ongeveer zoals Spinoza dat zag”, zegt Thomas.
Gekscheert hij nu, of meent hij dit ernstig? Ik weet het niet meer. Onzekerheid en verwarring maken zich van me meester. Moet ik hem, er zorg voor dragend hem niet te kwetsen, op de denkfout wijzen? Maar als het om een grap ging, wat heel goed mogelijk is met Thomas, zou ik me op die manier belachelijk maken. Aan de andere kant kan ik toch moeilijk doen alsof die fout geen fout was, want dat zou pas echt kleinzielig zijn – als het Thomas ernst was.
Dan komt de trein aan in Roosendaal, waar ik moet uitstappen voor zaken.

Foto: Agnes Anquinet, Martin Pulaski in de trein.

IL DESERTO ROSSO

antonioni 2

“GIULIANA Ik kan geen beslissing nemen… omdat ik geen alleenstaande vrouw ben… hoewel ik… soms… gescheiden ben… nee, niet van mijn man, de lichamen… zijn… gescheiden. Als u me slaat doet dat u geen pijn… hè? Wat zei ik net? O ja… Ik ben ziek geweest, ja… maar ik mag er niet aan denken, dat wil zeggen, ik moet denken dat alles wat me overkomen is… dat is het… het spijt me… Neem me niet kwalijk.”
Michelangelo Antonioni, Il Deserto Rosso

Beeld: een foto van mijn exemplaar van de vertaling van drie scenario’s van Michelangelo Antonioni, uitgegeven bij Bruna in 1970. De omslagillustratie is van de onovertroffen Dick Bruna.

HET LEVEN IS EEN STRIJD

L’art pour l’art, zei zij,
Strijd om de strijd, jij.
Voor het behoud van witte kapellen en ongeschonden Marialegendes, hoeren uit de
Filippijnen, Wilde Jongens van William Burroughs, mijn oude meester, zei je.
Strijd om de strijd, maar tevens tegen de tijd van de televisie-champagnes en Benettons Grote Verbroedering, voor Giotto’s kleine tirannen van goud die Padova behoeden voor het gat in de ozon, zei je.
En je zei, voor de prins van de waanzin en de in tule gehulde godin van de wellust omdat alleen zij een feest maken van zaterdagnacht.
Tegen de dictator en zijn marionetten, zei je, die met het zweet van de Indiaan kogels koopt en trompetten en die de zwijgzame grond dankt met jonge naamloze lijken.
L’art pour l’art, zei zij.
Doden om te doden, zei jij.
Er kwam geen eind aan het gesprek.