OVER VERANDERING (OOSTDUINKERKE, 1973)

vader-moeder-coo

Dat de tijd zich aan je openbaart, dat hij je zijn onverbiddelijke voortschrijden laat voelen, vult je met afgrijzen. Het bruin in al zijn tinten en schakeringen neemt nu schrikbarend toe. De zomer is definitief ten einde. Een zomer die je niet hebt beleefd.

Een reeks gedachten die een min of meer afgerond geheel vormen, een aantal indrukken die tijdens de waarneming ervan een duidelijke samenhang vertoonden, een reeks met elkaar verbonden beelden, een vloedgolf van herinneringen, dat zou ik liefst van al in een lange volzin uitdrukken. Mogelijk zou ik op die manier aan een natuurlijke orde gehoorzamen. Maar is dat wel waar? En is het niet veel eenvoudiger om de zinnen op te splitsen in kortere stukjes?

Alles verandert. De ene dag is iets zo, de volgende weer helemaal anders. Je herkent niet langer de nieuwe gedaante van het verschijnsel waar je zo vertrouwd mee was. Met mensen gebeurt dat de hele tijd. Ze komen, ze gaan, ze veranderen niet alleen hun standpunten en kleding, ze worden door en door anders. Ze zijn onberekenbaar. In de lente sluit je vriendschap met iemand die een zielsverwant blijkt te zijn, in de zomer gaat hij op reis, als je hem in de herfst terugziet is hij een vreemde voor je geworden. Het bijzondere daaraan is dat je nooit verwacht dat iets dergelijks zal gebeuren. Je denkt dezelfde vriend te zullen begroeten. Je gaat ervan uit dat alles blijft zoals het is, de stenen, de straten, de bomen in hun seizoensgebonden verandering, de dieren, de mensen. Waarschijnlijk zijn we daardoor zelden gelukkig: er is altijd wel iets dat verandert, iets dat een nieuwe, nooit eerder geziene vorm aanneemt. Wat verandert, dat stoort. Of veralgemeen ik nu te zeer?

Om uit die toestand van voortdurende ontgoocheling los te komen moet je zelf veranderen, moet je leren inzien dat niets bestendig is, dat verandering inherent is aan het leven. Je moet aanvaarden dat niets onder de zon altijd hetzelfde zal blijven. Zelfs de zon is aan verandering onderhevig. Mogelijk moet je uit die gedachte, dat alles verandert, je energie halen. Het besef dat verandering de grond is van ons bestaan zou je sterk en zelfs levenslustig kunnen maken. Maar dan moet je wel je leven grondig veranderen.

Wij zien van iemand meestal alleen maar het omhulsel, het schijn-zelf, het masker; zelden reikt onze blik tot in de diepte, tot in de innerlijkheid van de andere. Het is zeer de vraag of dat wel mogelijk is in onze fetisjistische en voyeuristische samenleving, waar alle relaties aan vervreemding onderhevig zijn. Wijzelf gunnen de anderen toch ook geen toegang tot onze innerlijkheid, wij laten alleen onze oppervlakte zien, meer niet.
Gaat het niet om een dubbele vervreemding? Wat ons doorgaans zo lijkt te schokken is de verandering van het schijn-zelf, van het masker. Wat ons veel minder lijkt te verontrusten is de innerlijke verandering, de wijziging in de psyche of de ziel van onze vrienden en verwanten.  Een mens verandert veel sneller en gemakkelijker van imago dan van karakter (of persoonlijkheid).

Als wij een kogel bekijken weten we heel goed dat hij kan worden afgevuurd en dat je er iemand mee kunt doden maar we zien toch vooral de huls, het koper, lood, het materiaal, we zien niet de bron van energie die een levend wezen in dode materie kan veranderen. Op dezelfde manier blijven wij blind voor de immense energie, de mogelijkheden om te veranderen, van degenen die wij liefhebben.

Oostduinkerke, 10 september 1973

Foto: bewegingloos bij de waterval van Coo. Van links naar rechts: Frans Pirlet, Kleine Soldaat, Henriette Pirlet, Mitzi Pirlet, François, Brigitte Pirlet, mijn moeder, mijn vader.

 

BEWOGEN DAGEN 1.

gedachten,autobiografie,herinneringen,aforismen,2005,2006,internet,blogs,flickr,hoochiekoochie,schrijven,spreken,eenzaamheid,lezen,zelf,ego,egoïsme,egotisme,troost,vriendschap,huwelijk,liefde,werk,ministerie,chaos,literatuur,kunst,ziekte,gezeur,drinken,feest,zelfbeeld,anderen
Martin Pulaski, Zelfportret met Jack Nicholson, 2006

Dit is het eerste deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

1.
Ik lees nog maar weinig boeken. Er was een tijd dat ik bijna onophoudelijk las, maar nu zijn er zoveel meer dingen die om aandacht vragen. Ik bedoel voornamelijk het sirenengezang van het vermaak, maar niet alleen dat. We moeten onze schaarse tijd nuttig, zinvol en gevarieerd besteden, want hij vliegt, voor we het weten is alles voorbij.  Kon ik maar van dat gevoel af dat de tijd een vijand is, een dief. Kon ik maar in het nu leven. Van ogenblik tot ogenblik. En me er niet druk over maken of ik al dan niet lees, al dan niet reis, al dan niet liefheb of haat.

2.
Er bestaan twee soorten eenzaamheid. De positieve eenzaamheid die je rust brengt en je terugschenkt aan jezelf. Hoewel je in die toestand alleen bent met en in jezelf is hij toch niet mogelijk zonder gesprek, dialoog, vriendschap, etcetera. Uit de positieve eenzaamheid kan veel goeds ontstaan; ze is goed voor je geestelijke en fysieke gezondheid. Van ijdel gepraat krijg je hoofdpijn of oorontstekingen.

Je hebt eveneens negatieve eenzaamheid. Wanneer je je afgezonderd, geïsoleerd, buitengesloten voelt. Als er niemand is om mee te spreken, om mee te lachen. De andere, degene met wie je het gewicht van de wereld van je af kan schudden. Het feest van het samen-zijn. Als je dat allemaal mist. Dan is de eenzaamheid verlammend. Als je geen verwante zielen vindt. Als je het gevoel hebt dat de wereld er niet voor jou is. En het paradijs al helemaal niet.

In het paradijs is iedereen iedereens spiegelbeeld, niemand heeft er een eigen gedachte, een eigen woord. Maar natuurlijk bestaat er geen paradijs. Eenzame mensen zoals Dante en Milton hebben dat bedacht als troost. Ik heb Dante al lang niet meer gelezen, maar ik weet dat hij een eenzame mens was.

3.
Over de donkerte in mij kan ik weinig zeggen. Ik denk dat ik te weinig oog heb voor de mogelijkheden die het leven biedt. Ik denk dat ik me te veel bezig houd met het negatieve, met gemiste kansen. Maar een zwaar leven? Dat geloof ik niet. Af en toe zak ik nog eens door, en dan voel ik me een paar dagen ellendig, maar dat veroorzaakt geen ware donkerte. Want als ik doorzak – wat een lelijk woord – ontmoet ik nogal eens verwante zielen, en dat biedt troost. De troost van vreemden, zoals Tennessee Williams zei.

4.
Vaak blijf ik op allerlei vragen het antwoord schuldig. Laat mij nadenken, waarna ik hopelijk mijn gedachten op papier zal kunnen zetten. Het gaat niet om een paar lichtvoetige danspasjes. Ik wil tijdgebrek niet als excuus gebruiken. Maar ik doe het toch even. Ik werk nu enkele dagen thuis, waardoor mijn verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van mijn baan toeneemt. Ik werk op een laptop die geen internetaansluiting heeft, beneden in de eetkamer, en niet hier in mijn werkkamer, waar de kans om ‘afgeleid’ te worden door boeken en sirenengezang te groot is. (Ik ben de inhoud van iTunes kwijt, meer dan zesduizend liederen; ik probeer dat al twee dagen te herstellen. Kleine problemen, het dagelijks leven…).

5.
Mijn gedachten zijn chaotisch. Ik zit met beleidsnota’s in mijn hoofd die ik moet analyseren en beoordelen. Maar ook met mijn verslaving aan mijn weblog (hoochiekoochie) en flickr. Is het wel een verslaving? Ik weet het niet. Alleszins heb ik er bewust voor gekozen om met een blog te beginnen. Ik had me uit de wereld van de ‘literaire mededeling’ teruggetrokken. Schrijven deed ik nog wel, maar de resultaten bleven in de la liggen. Af en toe deed ik eens mee aan een poëziemanifestatie of zo. Mijn laatste ontgoocheling was het einde van een literair tijdschrift hier in Brussel waar ik aan meewerkte. Brutaal heette het, voor een deel mijn geesteskind. Maar sinds mei vorig jaar heb ik me op die nieuwe vorm van mededelen gestort. Laat ik het een milde verslaving noemen.

Toch nog dit: ik denk niet dat ik vanuit een soort exhibitionisme foto’s op flickr zet. Het is eigenlijk een getuigenis, een autobiografie. Elke foto is een onderdeel van dat lange verhaal dat mijn leven is. Een verhaal met lacunes, met een subtekst, vulgair en subtiel tegelijk – en alles daartussenin.

6.
Ik ben ziek geweest, gisteren de hele dag in bed, donderdag te losgelaten feest gevierd, hybris, denken dat je alles aankunt, maar het lichaam… dat zit ook vandaag nog vol gif. En straks vertrek ik voor een personeelsfeestje naar Brugge. Alweer een feest, ik heb er geen zin meer in, kan er niet tegen. Ik zou veel liever hier alleen zijn en het gif uitzweten. Maar het zij zo.

7.
Ik ben degene die jij je voorstelt, niet degene die ik ben. Jij bent degene die ik me voorstel.

8.
Zijn we vanwege onze woorden al niet verantwoordelijk voor elkaar?

9.
Ik denk dat je kunt zweven én hier blijven, met je voeten op de grond.

10.
Het is goed dat je vrienden hebt, vrienden die je kunt vertrouwen. En: waarom geen vrienden die je niet kunt vertrouwen?

GASTON BACHELARD EN HET MIJMEREN

flickr,dansen,bachelard,foto s,langspeelplaten,wijn,citeren,psychoanalyse

Weinig woorden vandaag. De voorbije nacht muziek beluisterd, wat danspasjes gewaagd en (teveel) wijn gedronken. Vandaag foto’s gemaakt van favoriete langspeelplaten, historische voorwerpen bijna. Een aantal van die foto’s op flickr gepost en nu ben ik heel moe. Ik denk dat ik wat ga rusten. Waarom vertel ik dit eigenlijk? Het getuigt van een immense banaliteit.

Ik zal nog iets ‘geleerds’ citeren als afsluiter, dan voel ik me misschien wat minder dom, na het doven van de lichten. Maar ik citeer het hier niet zomaar zonder reden.

“Ondanks de huidige wetenschappelijke ontwikkeling zijn de ontstaansvoorwaarden voor het mijmeren onaangetast gebleven. Zelfs de geleerde grijpt terug naar primitieve waarden wanneer hij zich niet met zijn vak bezig houdt. Het zou dus nutteloos zijn de historische ontwikkeling te beschrijven van een denken dat voortdurend de lessen van de wetenschapsgschiedenis tegenspreekt. Ik zal daarentegen een deel van mijn inspanningen aanwenden om aan te tonen dat de mijmering steeds primitieve thema’s herhaalt en zich voortdurend als een primitieve psyche ontwikkelt, ondanks de successen van het methodische denken, ja zelfs tegen wat de wetenschappelijk ervaringen ons leren.”

Dat schreeft Gaston Bachelard in 1949 in Psychoanalyse van het vuur.

DOCTOR ARTURO MAUSS EN DE VERVELING

portrait of the artist as a young vampire

Doctor Arturo Mauss verveelt zich altijd. Overal waar hij komt verveelt hij zich en dat doe hij met veel nadruk. Een toevallige voorbijganger die hem eens vluchtig bekijkt zou kunnen denken, kijk, iemand die zich vreselijk verveelt en die daar nog een hoge borst over durft opzetten, hoe is het in hemelsnaam mogelijk.

Maar de verveling van Doctor Arturo Mauss is zomaar geen gewone verveling. De mensen die de man met wat meer aandacht bekijken worden onvermijdelijk getroffen door zijn hoog, wijs voorhoofd, zijn scherpe, vorsende blik; dit zijn nu eens ogen die elk levend wezen tot op het bot, die elk voorwerp tot op de draad kunnen ontleden. Aandachtige mensen komen steeds tot dezelfde conclusie: wat ziet deze man er toch verstandig uit. Dat moet wel een knappe kop zijn. Ze hebben overigens gelijk. Hij is zeer verstandig. Niet voor niets is Doctor Arturo Mauss een door alle academici gerespecteerd academicus. Wordt zijn naam in intellectuele kringen niet met diepe eerbied, als het ware op fluistertoon, uitgesproken, overal waar onze christelijke beschaving is doorgedrongen? En heeft iemand het ooit nagelaten zijn naam door zijn titel te laten voorafgaan?

Maar dat verstand is nu precies zijn probleem. Doctor Arturo Mauss is zo geleerd, zo overvol van ‘Vernunft’, hij is met zijn buitengewoon intellect zo ver boven het gewone leven der mensen verheven, dat hij niet goed meer weet wat hij daar boven, op die eenzame hoogte, met al zijn kennis moet aanvangen.

De gedachte dat zijn kennis overbodig zou kunnen zijn, – door hemzelf als ‘pseudo-gedachte’ bestempeld aangezien ze een oorsprong heeft buiten hem en het bijgevolg door hem niet verifieerbaar is of zij wel een ware gedachte is – heeft hij, zoals van hem kon worden verwacht, reeds lang geleden verworpen, hoewel we moeten toegeven dat het laatste voltooid deelwoord wat onnauwkeurig is gebruikt, zeker als we een poging doen om uit te gaan van Doctor Arturo’s standpunt dat een gedachte die a priori reeds als minder-dan-een-gedachte werd onderkend, een gedachte is die nauwelijks of helemaal niet het overwegen waard is, zodat het eveneens uitgesloten is dat zij zou kunnen worden verworpen.

Dat een bepaalde gedachte-inhoud eerst de indruk kan geven te moeten worden verworpen, omdat zij een gedachte wordt genoemd, en dat zij daarna, omdat zij als pseudo-gedachte wordt bestempeld toch niet wordt verworpen, heeft zo zijn redenen. En wel de volgende.

In de eerste plaats is er sprake van snelheid. Snelheid van uitvoering. Snelheid van uitvoering van denkprocessen. Bij doctor Arturo Mauss worden denkprocessen zo snel uitgevoerd dat ze voor een gewone sterveling niet eens lijken plaats te vinden. Een gewone sterveling merkt er niets van, zoals hij ook niets merkt van de snelheid van het licht en zich niet afvraagt hoe het komt dat planten kunnen groeien of hoe het weer eigenlijk in elkaar zit. Zo snel voert Arturo Mauss zijn denkprocessen uit.

Snelheid dus. Maar daarnaast treffen we logica aan. Want we mogen natuurlijk evenmin de ijzeren logica uit het oog verliezen waarmee doctor Arturo Mauss zijn lichtsnelle denkprocessen, eens ze in gang zijn gezet, binnen de juiste banen weet te houden, onder meer door zijn koortsachtige geest niet toe te staan zich om de tuin te laten leiden door allerlei verleidelijke buitenissigheden, wat eigenlijk geniaal is, want iedereen weet hoeveel knappe koppen er al op de klippen zijn gelopen door wel toe te geven aan die verleiding.

Hoe komt nu zo’n denkproces op gang? Want iets moet toch dat buitengewoon ingewikkelde denkproces een prikkel hebben gegeven, en aangezien het resultaat, het denkproces dus, belangrijk is, moet de prikkel ook belangrijk zijn. Wat is er dan zo belangrijk voor doctor Arturo Mauss? Bewondering. Verering. Succes. De gedachte dat zijn kennis overbodig zou kunnen zijn is eigenlijk een spelletje om de tijd te doden, om de verveling te bestrijden (maar ook om ze zichtbaar te maken). Maar zeg doctor Arturo Mauss: het is een pseudo-gedachte, aangezien ik ze niet echt heb gedacht, maar ze mij uit verveling heb laten influisteren. Door wie? Door de reclamebureaus. Door de reclamebureaus die de verkeerde ideeën en de pseudo-gedachten aanreiken. Ik wist van in het begin dat het om een pseudo-gedachte ging. Maar waarom verwerpt hij ze dan niet? Doctor Arturo Mauss hoeft een pseudo-gedachte helemaal niet te verwerpen omdat hij van de buitenwereld een prikkel krijgt die hem zegt dat hij daar te belangrijk, te verstandig voor is. Over heel de wereld maakt zijn kennis het voorwerp uit van lof, bewondering, ontzag, verering, noem maar op, wat er allemaal toe bijdraagt hem in een oogwenk te doen inzien dat het onzinnig zou zijn een overbodige pseudo-gedachte, namelijk dat zijn supermenselijke verstand overbodig zou zijn, in overweging te nemen, te verwerpen of proberen te weerleggen.

We vermoeden dat er op de hele wereld niemand te vinden is die het hierover met doctor Arturo Mauss oneens zou kunnen zijn. Tenzij iemand die zich nog meer verveelt dan doctor Arturo Mauss. Maar zo iemand bestaat niet.